ECLI:NL:RBNHO:2026:956

ECLI:NL:RBNHO:2026:956

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 15/098240-25 (P)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte is veroordeeld voor opzetaanranding, terwijl de schuldige werkzaam is in een instelling voor gezondheidszorg of maatschappelijke zorg en begaan jegens een persoon die aan de waakzaamheid van de schuldige is toevertrouwd die in die instelling is opgenomen, meermalen gepleegd. Nieuwe wetgeving. Bewijsoverweging m.b.t. het ontbreken van de wil bij het slachtoffer. Het slachtoffer betreft een kwetsbaar persoon bij wie sprake is van een licht verstandelijke beperking. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Beslissing op vordering benadeelde partij wegens immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/098240-25 (P)

Uitspraakdatum: 4 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van wat de verdachte en haar advocaat, mr. J. Kleiman, advocaat te Noord-Scharwoude, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2024 tot en met 22 december 2024 te Oostwoud, gemeente Medemblik, althans in Nederland, terwijl zij, verdachte, werkzaam was in een instelling voor gezondheidszorg of maatschappelijke zorg (te weten: [locatie] ), althans werkzaam was in degezondheidszorg of maatschappelijke zorg, met een aan haar gezag onderworpen en/of aan haar waakzaamheid toevertrouwde persoon die in voornoemde inrichting of instelling was opgenomen of werdbehandeld, dan wel met een persoon die zich voor hulp of zorg tot haar had gewend, te weten: [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het een en/of meermalen:- (tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of- betasten van de penis van die [slachtoffer] en/of aftrekken van die [slachtoffer] en/of- op de schoot en/of het lichaam van die [slachtoffer] zitten en/of rijdende bewegingen maken en/of- de handen van die [slachtoffer] op haar, verdachtes, billen en/of borsten leggen en/of die [slachtoffer] haar laten betasten bij de billen en/of de borsten,terwijl zij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er weliswaar seksuele handelingen zijn verricht, maar dat niet bewezen kan worden dat de verdachte wist dan wel ernstige reden had te vermoeden dat bij het slachtoffer de wil daartoe ontbrak. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat de nieuwe Wet seksuele misdrijven (WSM) die per 1 juli 2024 in werking is getreden een aantal belangrijke relevante verschillen met de oude wetgeving heeft. Waar het plegen van ontuchtige handelingen in een afhankelijkheidsrelatie vroeger een zelfstandige strafbepaling was, is deze afhankelijkheidsrelatie in de nieuwe wet een strafverzwarende omstandigheid. Uit de memorie van toelichting (MvT) van deze wet blijkt dat in de nieuwe wet eerst het gronddelict bewezen dient te worden voordat gekeken wordt of sprake is van een strafverzwaringsgrond. Daarnaast geeft artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de gevallen aan waarin de wil ontbreekt bij een persoon. Dit artikel laat consensueel seksueel contact met en tussen personen met een (licht) verstandelijke handicap onverlet (MvT, p. 88). De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een geval als bedoeld in artikel 244 Sr. [slachtoffer] heeft dan wel een (licht) verstandelijke beperking, maar hij kan prima zijn wil bepalen. Uit de WhatsAppgesprekken volgt dat [slachtoffer] wel degelijk het seksueel contact wilde, aldus steeds de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen, met dien verstande dat de verdachte wordt vrijgesproken van het aftrekken van [slachtoffer] (verder: het slachtoffer).

Bewijsoverweging

Nieuwe wetgeving

Op 1 juli 2024 is de WSM in werking getreden. Deze wet vervangt in Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de tot die datum geldende Titel XIV ‘Misdrijven tegen de zeden’ door een nieuwe Titel XIV ‘Seksuele misdrijven’. Hierin is de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag opnieuw vastgesteld en begrensd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld (aanranding en verkrachting) is uitgebreid en gemoderniseerd. Waar onder de oude zedenwet het ‘doorbreken’ van de wil het fundament van strafrechtelijke aansprakelijkheid vormde, staat in de WSM het ‘ontbreken van de wil’ met betrekking tot het seksuele contact bij de ander centraal. Hieronder wordt verstaan de afwezigheid van een vrije positieve wilsuiting.

Het oude delict aanranding is vervangen door twee delicten met drie verschillende kwalificaties: schuldaanranding, opzetaanranding en gekwalificeerde opzetaanranding. Bij de schulddelicten ontstaat strafbaarheid als seksuele handelingen worden verricht, terwijl iemand ernstige reden heeft om te vermoeden dat bij de ander de wil hiertoe ontbreekt. Bij de opzetdelicten is iemand strafbaar als diegene seksuele handelingen verricht in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt (Kamerstukken II 2022/23, 36222, 3, p. 3 en 15).

De verdachte wordt primair verweten dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan opzetaanranding en subsidiair aan schuldaanranding. Voor de beantwoording van de vraag of het primair ten laste gelegde feit kan worden bewezen, zal de rechtbank eerst ingaan op de wetsgeschiedenis van opzetaanranding.

Wetsgeschiedenis

Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin degene die het delict begaat opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van ‘vol’ opzet of – de ondergrens van de opzetvariant – voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval heeft diegene, juridisch geformuleerd, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt.

Het ontbreken van de wil kan langs twee sporen worden vastgesteld. Allereerst is het ontbreken van die wil bewezen wanneer wordt vastgesteld dat die ander ten tijde van het seksueel contact die seksuele handelingen niet op prijs heeft gesteld en dat op enigerlei wijze (non-)verbaal tot uiting heeft gebracht. Het tweede bewijsspoor ziet op uitzonderlijke gevallen waarin de ander ten tijde van de seksuele handelingen daarmee feitelijk instemt, maar die positieve wilsuiting niet in vrijheid tot stand is gekomen. Deze onvolkomen wilsvorming kan bijvoorbeeld verband houden met een situatie van lichamelijke of geestelijke onmacht waarin die ander verkeert (artikel 244 Sr), bij misleiding of in de situatie dat seksueel contact plaatsheeft in het kader van een functionele afhankelijkheidsrelatie.

Binnen de hiervoor genoemde twee sporen, zijn in de wetsgeschiedenis meer specifiek vijf gevalstypen uitgelicht waarin het bestaan van wetenschap van het ontbreken van de wil, en daarmee opzet, aan de orde kan zijn. Eén van die gevalstypen doet zich voor als sprake is van een functionele afhankelijkheidsrelatie die meebrengt dat de betrokkenen zich zeer ongelijkwaardig tot elkaar verhouden. Zo’n verhouding legt op de bovengeschikte persoon de verantwoordelijkheid om zich bij voorgenomen seksueel contact met een ondergeschikte persoon ervan rekenschap te geven dat de keuzevrijheid van de ondergeschikte persoon kan zijn beperkt door de afhankelijkheidspositie waarin deze verkeert. Dit geeft uitdrukking aan de sociale norm dat seks vrijwillig en gelijkwaardig behoort te zijn. Bij seksueel contact in de context van een juridisch geformaliseerde gezagsrelatie dan wel een professionele hulpverlenings- of zorgrelatie als bedoeld in artikel 254, eerste lid en onder b, Sr is een ontbrekende vrije wil bij de ondergeschikte ten aanzien van seksueel verkeer in beginsel gegeven, omdat – kort gezegd – de vrijheid van handelen van die persoon tegenover de bovengeschikte wezenlijk is beperkt door het gezag of het psychisch overwicht dat die laatste aan diens functie ontleent (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0645). Als gevolg daarvan wordt de wilsbepaling bij die ander in belangrijke mate beïnvloed, hetgeen de initiator – in zijn hoedanigheid van professional – in de regel zal hebben geweten. Dan is sprake van opzetaanranding.

Het antwoord op de vraag of de functionele afhankelijkheidsrelatie zodanig is dat daardoor de wilsbepaling bij de ondergeschikte ten aanzien van seksueel contact met een bovengeschikte niet in vrijheid tot stand is gekomen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij is onder andere van belang de aard en mate van functionele ongelijkwaardigheid tussen de betrokkenen, de mate waarin de bovengeschikte zeggenschap heeft over het functioneren van de ondergeschikte en daaraan consequenties kan verbinden alsmede de mate waarin en wijze waarop die bovengeschikte door psychische druk of andersoortige beïnvloeding de ondergeschikte heeft bewogen tot seksueel contact. Opzetaanranding komt in beeld wanneer de afhankelijkheidsrelatie zodanig is dat het in beginsel niet anders kan zijn dan dat de bovengeschikte die het seksueel contact initieert op zijn minst bewust de mogelijkheid op de koop toeneemt dat de ander dermate door die afhankelijkheidsrelatie wordt beïnvloed dat deze niet of onvoldoende in staat is een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet verrichten van seksuele handelingen met de initiator.

Opzetaanranding, zoals strafbaar gesteld in het eerste lid, is aldus een eenvoudiger te bewijzen delict dan het aanrandingsdelict in de oude zedenwetgeving. Niet meer hoeft komen vast te staan dat de dader opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer seksuele handelingen tegen de (kenbare) wil ondergaat en dat dit onvermijdbaar voor het slachtoffer is geweest. Voor slachtoffers betekent dit dat zij in meer situaties succesvol een aangifte kunnen doen van ongewild seksueel contact (Kamerstukken II 2022/23, 36222, 3, p. 76, 77 en 81-83).

Ontbreken van de wil bij het slachtoffer

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast.

Het slachtoffer woont op een locatie van de [locatie] , een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Uit de aangifte volgt dat bij het slachtoffer sprake is van een licht verstandelijke beperking. Hij begrijpt sociale interacties niet altijd, is beïnvloedbaar en heeft hechtingsproblemen. Op het gebied van sociaal-emotionele ontwikkeling functioneert hij, afhankelijk van de situatie, op het niveau van iemand tussen de 8 en 12 jaar oud. Hij heeft daarom op verschillende gebieden hulp en begeleiding nodig en verbleef om die reden in de zorginstelling. De verdachte was bij voornoemde instelling werkzaam als (persoonlijk) begeleider en heeft het slachtoffer in die hoedanigheid leren kennen en contact met hem gehad. De verdachte, zij het niet als dé persoonlijk begeleider, was een van de medewerkers binnen de zorginstelling die het slachtoffer hulp en begeleiding gaf. Tussen de verdachte en het slachtoffer was aldus sprake van een functionele afhankelijkheidsrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank is, anders dan de raadsman stelt, het bestaan van een zodanige afhankelijkheidsrelatie niet slechts een strafverzwarende grond. Zoals volgt uit de hierboven beschreven wetsgeschiedenis is het bestaan daarvan ook van belang voor de vraag of de wil, als bestandsdeel van artikel 241 Sr, ontbreekt.

In een functionele afhankelijkheidsrelatie wordt in beginsel verondersteld dat bij de ondergeschikte, in dit geval het slachtoffer, de wil tot het verrichten van seksuele handelingen ontbreekt. Of sprake was van een zodanige functionele afhankelijkheidsrelatie dat daardoor de wilsbepaling bij het slachtoffer ten aanzien van het seksuele contact met de verdachte niet in vrijheid tot stand is gekomen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval sprake. Daarbij betrekt de rechtbank in het bijzonder de kwetsbaarheid van het slachtoffer, te weten dat bij hem sprake is van een licht verstandelijke beperking, hij op sociaal emotioneel gebied functioneert op het niveau van een 8 tot 12-jarige en hij makkelijk te beïnvloeden is. Het slachtoffer heeft, zo blijkt uit de aangifte, op verschillende gebieden hulp en begeleiding nodig en kan niet zelfstandig wonen. Hij verbleef om die redenen in de instelling. De verdachte was hiervan, gelet op haar functie als begeleider bij de betreffende zorginstelling en zoals blijkt uit haar eigen verklaring, op de hoogte. Er was op basis van al deze omstandigheden sprake van een dusdanige functionele ongelijkwaardigheid tussen de verdachte en het slachtoffer waardoor de wilsbepaling bij het slachtoffer zodanig werd beïnvloed, dat hij onvoldoende in staat was een vrije keuze te maken of hij het seksuele contact met de verdachte wilde.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de seksuele handelingen heeft verricht, terwijl zij wist dat bij het slachtoffer daartoe de wil ontbrak. Anders dan de raadsman stelt, maakt de inhoud van de Whatsapp gesprekken en het (voornamelijk reactieve) aandeel van het slachtoffer daarin dat niet anders. Deze gesprekken zijn immers gevoerd binnen en onder invloed van de genoemde afhankelijkheidsrelatie.

Partiële vrijspraak

Hoewel artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet vereist dat ieder onderdeel van de verklaring van het slachtoffer met bijkomend bewijs wordt ondersteund, acht de rechtbank niet overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft afgetrokken, aangezien de verdachte dat onderdeel van de tenlastelegging stellig ontkent en het slachtoffer daarover niet gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Het slachtoffer heeft hierover namelijk pas ten tijde van het studioverhoor verklaard, en niet van meet af aan toen het seksueel contact aan het licht kwam.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 22 december 2024 te Oostwoud, gemeente Medemblik, terwijl zij, verdachte, werkzaam was in een instelling voor gezondheidszorg of maatschappelijke zorg (te weten: [locatie] ), met een aan haar waakzaamheid toevertrouwde persoon die in voornoemde instelling was opgenomen, te weten: [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), seksuele handelingen heeft verricht, te weten het een of meermalen:- (tong)zoenen van die [slachtoffer] en - betasten van de penis van die [slachtoffer] en- op het lichaam van die [slachtoffer] zitten en rijdende bewegingen maken en - de handen van die [slachtoffer] op haar, verdachtes, billen en borsten leggen en/of die [slachtoffer] haar laten betasten bij de billen en de borsten,terwijl zij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzetaanranding, terwijl de schuldige werkzaam is in een instelling voor gezondheidszorg of maatschappelijke zorg en begaan jegens een persoon die aan de waakzaamheid van de schuldige is toevertrouwd die in die instelling is opgenomen, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich, in haar functie als (persoonlijk) begeleider, schuldig gemaakt aan opzetaanranding van een cliënt van de instelling waar zij werkte. Het slachtoffer betreft een kwetsbaar persoon bij wie sprake is van een licht verstandelijke beperking. Gedurende een periode van ongeveer drie maanden heeft de verdachte meerdere keren met het slachtoffer gezoend en zijn blote geslachtsdeel aangeraakt. Daarnaast heeft zij op zijn lichaam gezeten en ter hoogte van zijn geslachtsdeel rijdende bewegingen gemaakt, en het slachtoffer haar borsten en billen laten betasten.

Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast zijn de wetsbepalingen van artikel 241 en 254, eerste lid, sub b en onder 3°, Sr juist in het leven geroepen ter bescherming van kwetsbare personen, zoals het slachtoffer, die afhankelijk zijn van zorg en moeite hebben om hun eigen grenzen te bewaken. De relatie tussen de verdachte als zorgverlener en de aan haar waakzaamheid toevertrouwde cliënt schept voor de verdachte een bijzondere verantwoordelijkheid. De verdachte had, met haar kennis van de kwetsbaarheid van het slachtoffer, zich hiervan bewust moeten zijn. Bovendien heeft de verdachte het vertrouwen dat de instelling in haar medewerkers moet kunnen hebben, in het bijzonder vanwege de kwetsbare personen die in de instelling verblijven, ernstig beschaamd.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van 11 december 2025, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 10 juli 2025. Daarin schrijft de reclassering dat de verdachte inmiddels niet meer werkzaam is in de zorg en, los van de vraag of zij haar BIG-registratie mag behouden, ook niet van plan is om in de zorg terug te keren. Daarnaast is zij voornemens vrijwillig in behandeling te gaan om meer inzicht te krijgen in hoe zij tot het ten laste gelegde feit is gekomen en welke factoren hierin hebben meegespeeld. De verdachte is een first offender en uit het onderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat sprake is van seksueel afwijkende interesses, seksuele preoccupaties of het gebruiken van seks als coping. Het risico op recidive wordt dan ook ingeschat als laag. Gelet op het voorgaande adviseert de reclassering bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Ter zitting heeft de verdachte nog verklaard dat zij in een vrijwillig kader hulp heeft gezocht en de behandeling vanuit de GGZ inmiddels heeft afgerond. De rechtbank zal daarmee in strafmatigende zin rekening houden en ook met het feit dat de verdachte als gevolg van het bewezen verklaarde feit haar baan en BIG-registratie is kwijtgeraakt. Met het wegvallen van een toekomst in de zorg heeft zij ook geen profijt meer van haar opleiding.

Conclusie

Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, alsmede de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Gelet op de zwaarte van de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal de rechtbank een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is gelet op de ernst van het feit en de omstandigheid dat het taakstrafverbod van toepassing is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere straf dan een gevangenisstraf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten vier maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Bovendien is uit een namens de benadeelde partij overgelegde e-mail van zijn persoonlijk begeleider gebleken dat de benadeelde partij aangemeld is voor (meeromvattende) cognitieve gedragstherapie en het bewezenverklaarde feit ook onderdeel zal zijn van deze therapie.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend en de Rotterdamse Schaal, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 2.500,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 22 december 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als zij dat heeft gedaan, is zij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14b, 36f, 57, 241 en 254 Sr.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.500,-;

veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2024 tot de dag van volledige betaling;

wijst de vordering van [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde af;

veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 2.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 25 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rigter, voorzitter,

mr. I.A.M. Tel en mr. A.M.C. de Haan, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Rigter
  • mr. I.A.M. Tel
  • mr. A.M.C. de Haan

Griffier

  • mr. A.M.C. de Haan

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?