ECLI:NL:RBNHO:2026:958

ECLI:NL:RBNHO:2026:958

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 12-01-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer C/15/367356 / FA RK 25-3510
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Wijziging kinderbijdrage, co-ouderschap, beide stiefouders onderhoudsplichting. Herberekening behoefte in verband met gestegen inkomen, ook als dat tot verlaging van de behoefte leidt?.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/367356 / FA RK 25-3510

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 12 januari 2026

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat voorheen, mr. H.I. Park, thans mr. R. Croes-Bleijendaal, kantoorhoudende te Heerhugowaard,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.W.P. Buers Bakker, kantoorhoudende te Alkmaar.

1. Procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, van de man, ingekomen op 8 juli 2025;

- het verweerschrift, van de vrouw, ingekomen op 9 september 2025;

- het gewijzigd verzoekschrift, van de man, ingekomen op 23 oktober 2025.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 november 2025 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. R. Croes-Bleijendaal vergezeld van een stagiaire en de vrouw bijgestaan door mr. M.W.P. Buers Bakker.

De advocaat van de vrouw heeft het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota.

Na de mondelinge behandeling van de zaak hebben partijen op verzoek van de

rechtbank nog aanvullende financiële stukken in het geding gebracht. De stukken van de man zijn ingekomen op 28 november 2025 en de stukken van de vrouw zijn ingekomen op

1 december 2025.

2. Feiten en omstandigheden

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

Uit deze relatie is geboren de minderjarige [de minderjarige 1] :

- [de minderjarige 1] , op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .

De man heeft de minderjarige erkend.

Bij beschikking van deze rechtbank van 24 mei 2017 is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 279,00 vastgesteld met ingang van 1 februari 2017. Nadien hebben partijen de kinderbijdrage gewijzigd en zijn partijen, op basis van een berekening van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) van 6 maart 2024, overeengekomen dat de man aan de vrouw een bijdrage van € 309,00 per maand moet voldoen.

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderbijdrage met ingang van 1 januari 2025 € 329,09 per maand.

Bij beschikking van deze rechtbank van 15 augustus 2025 is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige 1] gewijzigd in een week-op-week-af regeling.

De man is op [huwelijksdatum] getrouwd met [de stiefmoeder] (hierna: de stiefmoeder). Uit dit huwelijk is geboren de minderjarige: [de minderjarige 2] , op [geboortedatum] .

De vrouw is op [huwelijksdatum] getrouwd met [de stiefvader] (hierna: de stiefvader). De minderjarige kinderen van de vrouw en de stiefvader zijn:

[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] en [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] .

3. Verzoek

De man heeft verzocht de hiervoor genoemde afspraak te wijzigen in die zin, dat de

kinderbijdrage wordt verminderd tot € 26,00 per maand met ingang van 8 juli 2025.

Hij stelt hiertoe dat de hierboven genoemde afspraak door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

4. Verweer

De vrouw heeft verweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de man af te wijzen, althans hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel een nieuwe zorgregeling en kinderbijdrage vast te stellen.

Tijdens de zitting is namens de vrouw aangegeven dat partijen uitvoering geven aan de zorgregeling van de beschikking van 15 augustus 2025. De rechtbank gaat ervan uit dat het verzoek ten aanzien van de zorgregeling per abuis in het petitum terecht is gekomen en dat zij daarover geen beslissing hoeft te nemen.

5. Beoordeling

De rechtbank zal hierna de kinderbijdrage bespreken met inachtneming van de aanbevelingen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, het zogeheten en hierna te noemen: Tremarapport.

De rechtbank heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond.

wijziging van omstandigheden

Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Beoordeeld moet worden of sprake is van een wijziging van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van diens eerdere beslissing zijn vastgesteld.

De rechtbank stelt vast dat de zorgregeling op 15 augustus 2025 is gewijzigd en dat daarmee sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van [de minderjarige 1] rechtvaardigt. De man kan daarom worden ontvangen in zijn verzoek.

behoefte [de minderjarige 1]

De rechtbank stelt op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken vast dat partijen het erover eens zijn dat de behoefte van [de minderjarige 1] in 2016 € 379,00 per maand bedroeg, zoals destijds is berekend door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO). Na indexering bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] in 2025 € 504,00 per maand.

kinderopvangkosten

Namens de vrouw is gesteld dat de behoefte van [de minderjarige 1] moet worden verhoogd met de kosten van de kinderopvang, zijnde € 62,00 per maand. De man stelt dat deze kosten al in de behoefte zijn meegenomen.

De rechtbank zal geen rekening houden met de kosten kinderopvang. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten zijn verdisconteerd in de behoefte van [de minderjarige 1] . Volgens het Tremarapport kunnen kinderopvangkosten alleen de behoefte verhogen indien dit na aftrek van de kinderopvangtoeslag dermate hoge resterende kosten zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 62,00 per maand aan netto kinderopvangkosten niet dermate hoog is dat deze kosten als behoefteverhogend dienen te worden aangemerkt.

inkomensstijging van de man

De man heeft gesteld dat de behoefte van [de minderjarige 1] moet worden berekend op basis van zijn huidige inkomen, omdat dit het voormalige gezinsinkomen van partijen overstijgt. De man heeft zijn huidige inkomen becijferd op € 2.910,00 wat resulteert in een behoefte van [de minderjarige 1] van € 359,00 per maand.

De rechtbank overweegt dat wanneer het inkomen van een ouder na het uiteengaan zodanig stijgt dat het hoger is dan het gezinsinkomen tijdens de samenleving, dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor [de minderjarige 1] zou zijn uitgegeven. In een dergelijk geval wordt het eigen aandeel op basis van dat hogere inkomen van die ouder opnieuw berekend.

De rechtbank is echter van oordeel dat daar in dit geval geen aanleiding toe bestaat. De reden is dat uitgaan van het hogere inkomen van de man zou leiden tot een lagere behoefte van [de minderjarige 1] en dus een nadelige invloed zou hebben. De rechtbank hanteert daarom de geïndexeerde behoefte van [de minderjarige 1] zoals berekend door het LBIO.

behoefte [de minderjarige 2]

De vrouw heeft de door de man becijferde behoefte van [de minderjarige 2] van € 702,00 per maand niet betwist, zodat deze vaststaat.

behoefte [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]

De vrouw heeft de door de man becijferde behoefte van [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] van

€ 442,00 per kind per maand niet betwist, zodat deze vaststaat.

draagkracht van partijen

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte van [de minderjarige 1] te kunnen betalen.

Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1310)]. NBI staat voor netto besteedbaar inkomen. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.310,00 aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget en uit te gaan van de werkelijke woonlasten, zoals de vrouw heeft verzocht. Uit de hierna opgenomen berekening volgt dat de draagkracht van partijen voldoende is om in de behoefte van [de minderjarige 1] te voorzien, zodat geen aanleiding bestaat te rekenen met de werkelijke woonlasten.

draagkracht van de man

Voor het bepalen van de draagkracht rekent de rechtbank op basis van de overgelegde loonstrook van november 2025, waarin een inkomen van afgerond

€ 3.379,00 bruto per maand staat genoemd. Daarnaast ontvangt de man afgerond € 563,00 bruto per maand aan Individueel keuzebudget (hierna: IKB) en een nettobedrag aan IKB van € 377,00 per jaar. De door de man te betalen pensioenpremie bedraagt € 174,00 per maand en de door de man te betalen premie arbeidsongeschiktheid bedraagt € 5,00 per maand. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting bedraagt zijn NBI € 3.060,00 per maand.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht € 582,00 per maand.

draagkracht van de vrouw

Voor het bepalen van de draagkracht rekent de rechtbank op basis van de overgelegde loonstroken van oktober 2025 en november 2025, waarin een inkomen van

€ 1.800,00 bruto per maand staat genoemd, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld. Daarnaast ontvangt de vrouw 1% van haar bruto inkomen aan IKB, zijnde € 18,00 bruto per maand. De door de vrouw te betalen premie WGA bedraagt € 6,00 per maand. Ook rekent de rechtbank met een kindgebonden budget van € 5.664,00 per jaar. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar NBI € 2.428,00 per maand.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt haar draagkracht € 273,00 per maand.

draagkracht stiefouders

Op grond van artikel 1:395 van het BW zijn stiefouders onderhoudsplichtig voor de aan de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen van zijn / haar echtgeno(o)t(e). Of een minderjarige tot een gezin behoort, is in de regel het geval wanneer de minderjarige op hetzelfde adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie als de stiefouder. De vraag of een minderjarige tot het gezin van de stiefouders behoort, wordt echter ruim geïnterpreteerd. Bij co-ouderschap kan een minderjarige tot twee gezinnen behoren. De verdeling van de zorg over [de minderjarige 1] wordt gelijk verdeeld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zowel de stiefmoeder als de stiefvader onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 1] .

draagkracht van de stiefmoeder

Voor het bepalen van de draagkracht rekent de rechtbank op basis van de overgelegde loonstroken van oktober 2025 en november 2025, waarin een inkomen van afgerond € 2.172,00 bruto per maand staat genoemd, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld. De door de stiefmoeder te betalen pensioenpremie bedraagt afgerond € 31,00 per maand. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de aanspraak van de stiefmoeder op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar NBI € 2.315,00 per maand.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt haar draagkracht € 218,00 per maand.

draagkracht van de stiefvader

Voor het bepalen van de draagkracht rekent de rechtbank net als de vrouw op basis van de overgelegde jaaropgaaf 2024 met een belastbaar loon van € 40.323,00. Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting bedraagt zijn NBI € 2.808,00 per maand.

Op grond van de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht € 459,00 per maand.

beschikbare draagkracht voor de minderjarigen

De rechtbank stelt vast dat de man en de stiefmoeder onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en dat hun draagkracht dus over deze kinderen verdeeld moet worden naar rato van ieders behoefte.

De beschikbare draagkracht van de man voor [de minderjarige 1] bedraagt € 504,00 : (€ 504,00 +

€ 702,00) x € 582,00 = € 243,00.

De beschikbare draagkracht van de stiefmoeder voor [de minderjarige 1] bedraagt € 504,00 : (€ 504,00 +

€ 702,00) x € 218,00 = € 91,00.

De beschikbare draagkracht van de man voor [de minderjarige 2] bedraagt € 702,00 : (€ 504,00 +

€ 702,00) x € 582,00 = € 339,00.

De beschikbare draagkracht van de stiefmoeder voor [de minderjarige 2] bedraagt € 702,00 : (€ 504,00 +

€ 702,00) x € 218,00 = € 127,00.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw en de stiefvader onderhoudsplichtig zijn voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] en dat hun draagkracht dus over deze kinderen verdeeld moet worden naar rato van ieders behoefte.

De beschikbare draagkracht van de vrouw voor [de minderjarige 1] bedraagt € 504,00 : (€ 504,00 +

€ 442,00 + € 442,00) x € 273,00 = € 99,00.

De beschikbare draagkracht van de stiefvader voor [de minderjarige 1] bedraagt € 504,00 : (€ 504,00 +

€ 442,00 + € 442,00) x € 459,00 = € 167,00.

De beschikbare draagkracht van de vrouw voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] bedraagt € 884,00 : (€ 504,00 + € 442,00 + € 442,00) x € 273,00 = € 174,00, oftewel € 87,00 per kind.

De beschikbare draagkracht van de stiefvader voor [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] bedraagt € 884,00 : (€ 504,00 + € 442,00 + € 442,00) x € 459,00 = € 292,00, oftewel € 146,00 per kind.

draagkrachtvergelijking

De gezamenlijke draagkracht van de man, de stiefmoeder, de vrouw en de stiefvader ten behoeve van [de minderjarige 1] is € 600,00 per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [de minderjarige 1] van € 504,00 per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten van de minderjarigen over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht ten behoeve van [de minderjarige 1] gedeeld door de totale draagkracht ten behoeve van [de minderjarige 1] , vermenigvuldigd met de behoefte van [de minderjarige 1] . Hieruit volgt dat:

Het eigen aandeel van de man bedraagt: € 243,00 : € 600,00 x € 504,00 = € 204,00.

Het eigen aandeel van de stiefmoeder bedraagt: € 91,00 : € 600,00 x € 504,00 = € 76,00.

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 99,00 : € 600,00 x € 504,00 = € 83,00.

Het eigen aandeel van de stiefvader bedraagt: € 167,00 : € 600,00 x € 504,00 = € 140,00.

zorgkorting

Op het berekende aandeel van de man dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Partijen gaan beiden uit van een zorgkorting van 35%. De rechtbank gaat daar daarom ook van uit. De zorgkorting bedraagt (35% van € 504,00 =) € 176,00 per maand.

conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man een kinderbijdrage van (€ 204,00 – € 176,00) = € 28,00 per maand dient te betalen.

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt ten aanzien van de draagkracht van partijen en de stiefouders. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht.

ingangsdatum

De rechtbank sluit voor de ingangsdatum van de kinderbijdrage aan bij de datum van indiening van het verzoekschrift, in dit geval 8 juli 2025. Vanaf dat moment heeft de vrouw immers daadwerkelijk rekening kunnen houden met een eventuele verlaging van de kinderbijdrage. De rechtbank ziet in de stellingen van partijen geen aanleiding om voor de ingangsdatum bij een andere datum aan te sluiten.

terugbetalingsverplichting

Wijziging van de kinderbijdrage per 8 juli 2025 betekent dat de man vanaf die datum teveel kinderbijdrage aan de vrouw heeft voldaan. De rechtbank is van oordeel, gebaseerd op de in vaste jurisprudentie neergelegde maatstaf, dat een terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid niet kan worden aanvaard, aangezien bijdragen in de kosten van kinderen plegen te worden opgebruikt in de maand waarin ze zijn uitgekeerd.

indexering

De rechtbank wijst er – ten overvloede – op dat de hierna vast te stellen kinderbijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage. Dat betekent dat de door de man te betalen onderhoudsbijdrage van € 28,00 per maand met ingang van 1 januari 2026 is geïndexeerd naar € 29,29. Met ingang van 1 januari 2027 dient dit bedrag opnieuw te worden geïndexeerd.

6. Beslissing

De rechtbank:

bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde onderlinge overeenkomst, dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige 1] :

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , met ingang van 8 juli 2025 dient te voldoen een bedrag van € 28,00 per maand, vanaf 1 januari 2026 geïndexeerd naar € 29,29, waarbij de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling dienen te worden voldaan, met dien verstande dat voor zover de man na 8 juli 2025 en tot op heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de rechtbank de bijdrage voor die periode vaststelt op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Udo de Haes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?