RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 12215109 \ AO VERZ 26-58
Beschikking van 13 augustus 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. D. Swildens en mr. D. Wesselmans.
tegen
[verweerder] ,
te [betrokkene 3],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. J.B. Bakker.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om een jeugdzorgwerker die op staande voet is ontslagen wegens door de werkgever gestelde onregelmatigheden in tijdens zijn dienst ingediende kassabonnen en in reiskostendeclaraties. De kantonrechter vernietigt het ontslag op staande voet, omdat het gelet op alle omstandigheden van het geval een te zware sanctie is.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift, met een voorwaardelijk tegenverzoek;
- de aanvullende stukken van [verzoeker] van 10 juli 2026;
- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. Feiten
[verweerder] is een organisatie die gespecialiseerde hulp biedt aan jeugd en gezinnen.
[verweerder] richt zich met name op kinderen, jongeren en (pleeg)gezinnen bij wie eerdere hulp onvoldoende heeft geholpen. [verweerder] heeft meerdere woongroepen, waar jongeren in de leeftijd van 11 tot 17 jaar tijdelijk verblijven indien thuis wonen niet mogelijk is.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1991, is sinds 1 januari 2017 in dienst bij [verweerder]. De functie van [verzoeker] is Senior Jeugdzorgwerker met een loon van (laatstelijk) € 3.763,23 bruto per maand.
[verzoeker] voert zijn werkzaamheden uit op een van de woongroepen van [verweerder], locatie de [locatie]. Samen met zijn collega’s is [verzoeker] verantwoordelijk voor de begeleiding en veiligheid van de jongeren op de woongroep.
De jeugdzorgwerkers doen ook boodschappen ten behoeve van de Woongroep. Daartoe zijn er op de groep twee pinpassen en een kluis met contant geld aanwezig. Medewerkers moeten de kassabonnen van de aankopen, leesbaar en voorzien van een duidelijke omschrijving, via een telefoon op de Woongroep invoeren in de app van het systeem SpendCloud.
[verweerder] vergoedt zakelijke reiskosten en de kosten voor woon-werkverkeer van haar medewerkers. De medewerkers geven zelf hun reiskosten door in het systeem Reisbalans. Toekomstige ritten kunnen in het systeem worden ingepland. De noodzakelijke bevestiging van iedere rit kan pas plaatsvinden nadat de rit heeft plaatsgevonden.
Op 18 februari 2026 heeft [verweerder] een melding ontvangen van mogelijke onregelmatigheden in de verwerking van ingediende kassabonnen. Naar aanleiding van deze melding is [verweerder] een onderzoek gestart naar zowel de ingediende kassabonnen als de reiskostendeclaraties van haar medewerkers.
Op 2 maart 2026 heeft [verweerder] enkele medewerkers (waaronder [verzoeker] ) tijdens een teamvergadering verzocht om de vergadering te verlaten voor een individueel gesprek met [betrokkene 1] (P&O-adviseur) en [betrokkene 2] (teamleider). Tijdens dit gesprek is [verzoeker] geconfronteerd met de geconstateerde onregelmatigheden. [verzoeker] heeft tijdens dit gesprek ontkend iets met de onregelmatigheden in de kassabonnen te maken te hebben gehad. Wel heeft hij toegegeven dat er in de reiskostendeclaraties kennelijk af en toe iets fout is gegaan.
Naar aanleiding van dit gesprek heeft [verweerder] het voornemen om [verzoeker] op staande voet te ontslaan kenbaar aan hem gemaakt. Dit is schriftelijk bij brief van 3 maart 2026 aan hem bevestigd:
“(…) Conclusie Op basis van het bovenstaande in combinatie met de aard, ernst en de hoeveelheid schendingen, komen wij tot de conclusie dat jouw handelen meerdere dringende redenen vormt voor een ontslag op staande voet. Deze zijn als volgt:
* Jij hebt herhaaldelijk – in strijd met de afspraken en gedragscode – geen kassabonnen ingediend dan wel bonnetjes ingediend die niet aan de afspraken voldoen; * Jij hebt herhaaldelijk een kilometervergoeding gedeclareerd op dagen dat jij niet hebt gewerkt en deze kilometers dus niet hebt gemaakt; * Jij hebt herhaaldelijk onjuiste kilometervergoedingen gedeclareerd; * Jij hebt de verplichtingen voortvloeiend uit jouw arbeidsovereenkomst, onze gedragscode, de onderlinge afspraken en, meer algemeen, de normen van goed werknemerschap grovelijk geschonden; * Jij bent in het gesprek niet open en eerlijk geweest ondanks dat wij jou dit wel hadden gevraagd en hebt niet de zelfreflectie betracht die wij verwachtten.
Deze dringende redenen, ieder voor zich en in samenhang, acht [verweerder] voldoende om jou op staande voet te ontslaan. In het kader van een eenmalige kosten-batenanalyse zijn wij éénmalig bereid om jou een alternatief aan te bieden door middel van een vaststellingsovereenkomst (in plaats van een onmiddellijk ontslag op staande voet). (….) Je krijgt tot en met donderdag 5 maart 2026, 18:00 uur, de tijd om hierover na te denken en juridisch advies in te winnen. Dit aanbod is niet voor onderhandeling vatbaar. (….) Als jij hier niet mee akkoord gaat, dan zal [verweerder] jou alsnog op staande voet ontslaan. (…)”
[verzoeker] heeft de vaststellingsovereenkomst nog dezelfde dag afgewezen.
Op 6 maart 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief zijn de in brief van 3 maart 2026 weergegeven redenen herhaald.
3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter primair het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon en tot terugbetaling van de onterecht ingehouden schadevergoeding en het openstaande verlofsaldo, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.
Subsidiair verzoekt [verzoeker] kantonrechter om voor recht te verklaren dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst in strijd met de wet heeft opgezegd, aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de (gecorrigeerde) eindafrekening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Dit alles met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat de dringende reden ontbreekt en het ontslag bovendien niet onverwijld is gegeven. [verzoeker] betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan frauduleus handelen en/of het bewust benadelen van [verweerder].
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] voert ‑ samengevat ‑ aan dat er geen grond is voor vernietiging van het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet. Er is sprake van een dringende reden en het ontslag is ook onverwijld gegeven. [verzoeker] heeft zich schuldig gemaakt aan fraude met kassabonnen en reiskostendeclaraties. [verweerder] ziet in het gedrag van [verzoeker] een onacceptabel patroon van zelfverrijking en minachting van de regels.
Voor het geval het ontslag op staande voet geen standhoudt, heeft [verweerder] de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen of nalaten door [verzoeker] dan wel een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.
4. De beoordeling van het verzoek
Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven dat hij berust in het ontslag op staande voet en (dus) de switch maakt naar zijn subsidiaire verzoeken. Daarmee staat vast dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 6 maart 2026. Dat heeft tot gevolg dat de primaire verzoeken van [verzoeker] niet behandeld hoeven te worden. Het gaat in deze zaak dus nog om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend en zo nee, of [verweerder] vergoedingen aan [verzoeker] moet betalen.
Het ontslag op staande voet
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden bestaat. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, in onderling verband en samenhang. Daarbij moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de dringende reden. Verder zijn onder meer van belang de aard en de duur van de dienstbetrekking, het functioneren van de werknemer, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet heeft.
Ontslag op staande voet is een ultimum remedium dat, gelet op de verstrekkende gevolgen, slechts gegeven mag worden als van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer nog langer te laten voortduren. Dat betekent dat de feiten die aan een ontslag op staande voet ten grondslag worden gelegd, voldoende duidelijk moeten zijn en dat over de interpretatie en waardering van die feiten geen misverstand of onduidelijkheid kan bestaan. Verder geldt dat de dringende reden zoals deze is opgenomen in de ontslagbrief bepalend is voor de beoordeling daarvan. De werkgever kan daar niet achteraf nieuwe elementen aan toevoegen.
[verweerder] heeft – kort samengevat - aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoeker] : (i) herhaaldelijk kassabonnen heeft ingediend die niet aan de regels van [verweerder] voldoen en (ii) dat hij heeft gefraudeerd met reiskosten. Deze verwijten zullen hierna worden besproken.
Kassabonnen
Op de woongroep(en) van [verweerder] wordt zoveel mogelijk een ‘normale gezinssituatie’ nagebootst. Dat betekent onder meer dat de jeugdzorgwerkers boodschappen doen voor de woongroep en dat zij voor de jongeren (en zichzelf) koken. De jeugdzorgwerkers hebben daartoe de beschikking over een pinpas en contant geld van [verweerder]. Bonnetjes van de uitgaven dienen te worden geüpload in de app van SpendCloud.
[verweerder] verwijt [verzoeker] dat er tijdens zijn diensten meerdere uitgaven zijn gedaan met geld van [verweerder] waarvan geen bon is ingediend in SpendCloud, of waarvan bonnen zijn ingediend die niet voldoen aan de geldende afspraken. Als voorbeeld noemt [verweerder] onder meer ingediende handgeschreven briefjes en bonnen die slechts gedeeltelijk zijn gefotografeerd in een poging om de aanschaf van ‘verboden artikelen’ (zoals Red Bull) met het groepsbudget te verhullen. Dat wijst volgens [verweerder] op een frauduleuze manier van handelen.
[verzoeker] betwist dat hij iets met de ‘foutieve bonnen’ te maken heeft. Het incidenteel ontbreken van kassabonnen is volgens hem te verklaren doordat niet altijd een bon wordt meegegeven, zoals bijvoorbeeld op de markt. Bovendien komt het door de hectiek op de groep wel eens voor dat bonnetjes kwijtraken. Op de groep zijn doorgaans twee à drie medewerkers verantwoordelijk voor zes (bewerkelijke) jongeren. Het uploaden van de bonnetjes in SpendCloud wordt gedaan door de medewerker die daar op dat moment tijd voor heeft. In de praktijk is die tijd er niet altijd, omdat het welzijn van de jongeren prioriteit heeft. Bovendien heeft het systeem SpendCloud vaak last van storingen en uitval. Het uploaden van de bonnen werd daarom vaak overgedragen aan collega’s van de volgende dienst. Het uploaden van de bonnen wordt dan ook niet altijd gedaan door de persoon die ook de boodschappen heeft gedaan. [verzoeker] heeft gemotiveerd betwist dat de door [verweerder] aangehaalde onjuiste bonnen naar hem individueel te herleiden zijn.
De kantonrechter is van oordeel dat voor wat betreft de door [verweerder] gestelde fraude met de bonnen, de door haar daartoe gestelde feiten onvoldoende zijn komen vast te staan. Uitgangspunt is dat [verweerder] [verzoeker] in de ontslagbrief heeft verweten dat hij herhaaldelijk geen kassabonnen heeft ingediend dan wel bonnetjes heeft ingediend die niet aan de afspraken voldoen. In het licht van het verweer van [verzoeker] dat er tijdens zijn diensten ook tenminste één andere jeugdwerker op de groep stond en dus aan de hand van de geüploade bonnen niet kan worden vastgesteld wie boodschappen heeft gedaan, heeft [verweerder] niet aangetoond welke (onjuiste) bonnen uitsluitend betrekking hebben op het handelen van [verzoeker] . Dat geldt ook voor het herhaaldelijk ontbreken van bonnen. Voor zover dat al wel het geval is, geldt dat [verzoeker] heeft uitgelegd waarom een bon ontbrak of waarom de ingediende bon niet aan de afspraken voldeed.
Niet alleen zijn de door [verweerder] gestelde feiten onvoldoende vast komen te staan, de gestelde feiten rechtvaardigen in het licht van hetgeen [verzoeker] daarover heeft aangevoerd, ook geen ontslag op staande voet. Er is geen sprake van een duidelijke normschending die zonder meer aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Bovendien geldt dat [verzoeker] voor de gevolgen van de door [verweerder] gestelde normschending niet voldoende duidelijk door [verweerder] is gewaarschuwd. Van een ‘zerotolerance’-beleid met betrekking tot het niet correct uploaden van de kassabonnen is niet gebleken. De gestelde gedragingen zijn ook niet zodanig evident ernstig dat deze zonder voorafgaande waarschuwing een ontslag op staande voet rechtvaardigen.
Reiskosten
[verweerder] heeft verder aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat in de reiskostendeclaraties van [verzoeker] verschillende onregelmatigheden zijn geconstateerd. Blijkens de ontslagbrief gaat het om: i) het herhaaldelijk declareren van een kilometervergoeding terwijl [verzoeker] die kilometers niet had gemaakt en ii) het herhaaldelijk declareren van een onjuiste kilometervergoeding. Volgens [verzoeker] gaat het hierbij om administratieve omissies. Hij heeft in dit verband toegelicht dat hij zijn toekomstige ritten vooraf aan de hand van zijn (met de roosterapp gesynchroniseerde) iPhone-agenda in het systeem Reisbalans invoerde. Het accorderen van de ritten deed hij achteraf in bulk. Daarbij heeft hij over het hoofd gezien dat de ‘slaapdiensten’ in zijn agenda als twee losse diensten (met een heen- en terugreis op iedere dag) werden weergegeven. Hij had dit moeten corrigeren naar één heenreis op de eerste dag, en één terugreis op de tweede dag. Ook heeft [verzoeker] incidenteel nagelaten achteraf gewijzigde diensten (bijvoorbeeld in verband met ziekte, verlof of omdat hij met een collega is meegereden) te corrigeren. Hij heeft daar te weinig aandacht voor gehad. Daarnaast heeft hij ritten tussen zijn eigen woonadres en andere locaties van [verweerder] dan de vaste werklocatie (zoals trainingen, vergaderlocaties of brengen/halen van cliënten naar therapie) als zakelijke ritten (in plaats van woon-werkritten) gedeclareerd omdat hij dacht dat dit mocht.
Het is duidelijk dat [verzoeker] niet heeft gehandeld in overeenstemming met het mobiliteitsbeleid van [verweerder]. Dat wil echter nog niet zeggen dat dit handelen dus frauduleus (opzettelijk misleidend) is. De uitleg die [verzoeker] voor de gemaakte fouten heeft gegeven, is niet bij voorbaat ongeloofwaardig. [verweerder] heeft de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de reiskostendeclaraties in belangrijke mate bij [verzoeker] neergelegd. Daar waar [verzoeker] voorheen een vaste reiskostenvergoeding kreeg, moet hij nu voor iedere rit verantwoording afleggen, waarbij hij dus achteraf per dag aan de hand van zijn agenda moet terughalen welke reis hij heeft gemaakt. Deze werkzaamheden vormen geen onderdeel van de kerntaken van zijn functie. Het verwerken van reiskostendeclaraties is een administratieve neventaak waarbij het maken van fouten (zeker in de hectiek van het dagelijkse werk) menselijk en voorstelbaar is. Daarbij komt dat de regels betreffende het mobiliteitsbeleid zijn gedeeld via intranet (ook in de periode dat [verzoeker] wegens ziekte langere tijd afwezig was) of in algemene mails. [verzoeker] is nooit individueel aangesproken op het onjuist declareren van reiskosten. Dat [verzoeker] (samen met zijn collega [betrokkene 3]) verantwoordelijk is voor het maken van het rooster, maakt niet dat hij bij het declareren van reiskosten geen fouten zou kunnen maken. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat [verzoeker] reiskosten in verband met extra diensten wel heeft toegevoegd daar waar hij niet gemaakte ritten niet heeft verwijderd. Zoals [verzoeker] heeft aangegeven verschilde het bedrag dat hij aan reiskosten kreeg, niet of nauwelijks van het bedrag dat hij in de oude situatie (toen hij nog een vaste reiskostenvergoeding ontving) kreeg, zodat het hem niet is opgevallen dat hij op onjuiste wijze declareerde. Kortom, de feiten waarop [verweerder] zich beroept staan hier weliswaar vast, maar over de kwalificatie daarvan is discussie mogelijk. Fraude veronderstelt dat [verzoeker] [verweerder] opzettelijk heeft misleid om ten koste van [verweerder] een onrechtmatig voordeel te behalen. Nog daargelaten dat voor derden relatief eenvoudig controleerbaar was dat [verzoeker] sommige reiskosten ten onrechte declareerde, geldt dat zijn handelen ook als slordigheid of laksheid gekwalificeerd kan worden.
Conclusie
De conclusie is dat noch de verwijten die [verweerder] [verzoeker] maakt met betrekking tot de kassabonnen noch de verwijten betreffende de reiskosten noch de combinatie van beiden, leiden tot een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Dat wil niet zeggen dat [verweerder] [verzoeker] daarop niet had mogen (en moeten) aanspreken. Zij had echter ook andere maatregelen kunnen nemen, waaronder verrekening van de te veel in rekening gebrachte reiskostendeclaraties en/of een stevige waarschuwing voor mogelijke consequenties als zich wederom onregelmatigheden zouden voordoen. Daar heeft [verweerder] niet voor gekozen. In plaats daarvan heeft zij direct naar de zwaarste maatregel gegrepen. Dat is in dit geval een te vergaande maatregel. [verweerder] had met een minder zware sanctie kunnen (en moeten) volstaan.
[verzoeker] is ten onrechte op staande voet ontslagen, omdat aan het ontslag geen dringende reden ten grondslag ligt. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de beoordeling van de onverwijldheid van het ontslag. De verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen.
Billijke vergoeding
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
De kantonrechter zal bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding om te beginnen rekening houden met de te verwachten inkomensschade van [verzoeker] als gevolg van het ontslag (soms ook aangeduid als ‘de waarde van de arbeidsovereenkomst’). Daarbij moet ook worden bezien hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd, als het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] achterwege was gebleken, na afweging van goede en kwade kansen.
De kantonrechter volgt [verzoeker] in zijn stelling dat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat hij in ieder geval nog één jaar bij [verweerder] in dienst had kunnen blijven, als het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] achterwege was gebleven. [verzoeker] heeft zijn inkomensschade over die periode berekend op een brutobedrag van € 54.787,59. Het is echter niet aannemelijk dat [verzoeker] het door hem berekende bedrag aan inkomensschade ook daadwerkelijk zal leiden. Gelet op de huidige arbeidsmarkt, zijn ervaring en het arbeidsverleden van [verzoeker] , is aannemelijk dat hij binnen korte tijd in staat zal zijn om een andere (vergelijkbare) baan te vinden. Daarmee zal hij naar verwachting in ieder geval 80% van zijn huidige salaris kunnen verdienen. Dat het tot op heden nog niet is gelukt om een andere baan te vinden, lijkt voornamelijk aan zijn persoonlijke omstandigheden (hij is herstellende van een dubbele nekhernia) te liggen. De omstandigheid dat [verweerder] bij het ontslag op staande voet geen rekening heeft gehouden met deze (haar welbekende) medische situatie van [verzoeker] , zal worden meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. Verder wordt overwogen dat [verweerder] een non-profitorganisatie is die grotendeels door gemeenschapsgeld wordt gefinancierd. Dat betekent dat een hogere vergoeding rechtstreeks ten laste komt van de publieke middelen.
Bovenstaande uitgangspunten leiden ertoe dat de kantonrechter aan [verzoeker] een billijke vergoeding toekent van € 12.500,00 bruto. Daarmee wordt [verzoeker] voldoende gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder]. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Transitievergoeding
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is.
Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de transitievergoeding. Volgens [verweerder] is [verzoeker] ten onrechte uitgegaan van een salaris behorend bij een fulltime dienstverband van 40 uur, terwijl hij slechts 32 uur per week werkt. Die stelling treft geen doel. [verzoeker] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij de berekening van de transitievergoeding is uitgegaan van zijn laatstelijk (op basis van 32 uur) verdiende salaris (€ 3.763,23 bruto) vermeerderd met 3,7% cao-loonsverhoging (= € 3.902,47) en vervolgens vermeerderd met 16,3% aan emolumenten (bestaande uit 8% vakantietoeslag en 8,3% eindejaarsuitkering). Dat komt neer op een maandsalaris van € 4.538,45 bruto. Op basis van die gegevens heeft [verzoeker] de transitievergoeding berekend op € 13.893,03 bruto. Deze berekening komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van dat bedrag. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 6 april 2026.
Gefixeerde schadevergoeding
Ook de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn. Partijen zijn hier opnieuw uitgegaan van een verschillend maandsalaris. Zoals hiervoor al is geoordeeld, heeft [verzoeker] voldoende onderbouwd hoe hij tot het door hem gehanteerde maandsalaris van € 4.538,45 (inclusief emolumenten) is gekomen. [verzoeker] wordt gevolgd in zijn stelling dat het loon over de opzegtermijn (met als fictieve einddatum 31 mei 2026) € 12.883,44 bruto bedraagt, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.
Eindafrekening
[verweerder] heeft een eindafrekening opgesteld. Daaruit blijkt dat [verzoeker] in beginsel recht heeft op een bedrag van € 14.310,05 bruto aan openstaande verlofuren, vakantietoeslag, ORT-uren, eindejaarsuitkering en reiskosten. [verweerder] heeft op de eindafrekening een bedrag van € 12.066,75 aan schadeloosstelling in mindering gebracht. Zij heeft toegelicht dat dit de gefixeerde schadevergoeding betreft. Hiervoor is echter al geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zodat [verzoeker] niet schadeplichtig is jegens [verweerder]. Dat betekent dat deze post ten onrechte van de eindafrekening is afgetrokken. Gesteld noch gebleken is dat [verweerder] inmiddels (een gedeelte van) de eindafrekening aan [verzoeker] heeft uitbetaald. Dat betekent dat [verzoeker] nog recht heeft op het volledige bedrag van € 14.310,05 bruto.
De verzochte wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen te rekenen vanaf één maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 6 april 2026.
De verzochte wettelijke verhoging zal ook worden toegewezen, omdat [verweerder] de eindafrekening te laat heeft betaald. Wel is er in de gegeven situatie aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 25%.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5. De beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek
Omdat [verzoeker] heeft berust in het ontslag is de voorwaarde waaronder [verweerder] het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gedaan, niet vervuld. Het verzoek hoeft daarom niet te worden beoordeeld en er hoeft ook niet op te worden beslist.
6. De beslissing
De kantonrechter
op het verzoek
verklaart voor recht dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 lid 1 BW,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 12.500,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 13.893,03 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 12.883,44 bruto,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de eindafrekening te betalen van € 14.310,05 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de wettelijke verhoging van 25% over het onder 6.5. genoemde bedrag te betalen;
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af,
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.
De griffier De kantonrechter