RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12120112 \ CV EXPL 26-1347
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma,
[eiser] ,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek.
[gedaagde] heeft (ondanks het feit dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld) niet meer gereageerd op de conclusie van repliek. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
Partijen hebben een geneeskundige behandelingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [gedaagde] een medische behandeling bij [eiser] heeft ondergaan.
[eiser] heeft op 9 juli 2025 een bedrag van € 1.075,44 aan [gedaagde] gefactureerd.
[gedaagde] heeft de factuur van [eiser], ondanks aanmaningen, grotendeels onbetaald gelaten.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 998,45, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom en de proceskosten. [eiser] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van [gedaagde] niet-gecontracteerde zorg aan [gedaagde] heeft geleverd. [gedaagde] is in haar betalingsverplichting tekortgeschoten. Er staat nog een bedrag van € 825,44 aan hoofdsom staat nog open.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] de gefactureerde behandelingen (het onderzoek) heeft ondergaan. Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] gehouden is de daaruit voortvloeiende factuur te voldoen.
De kantonrechter stelt voorop dat de geneeskundige behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen [eiser] als handelaar en [gedaagde] als consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.
Ambtshalve toetsing van informatieplichten is hier niet aan de orde, omdat een geneeskundige behandelovereenkomst op grond van artikel 6:230h lid 2 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) is uitgezonderd van toetsing.
Wel dient het prijsbeding ambtshalve getoetst te worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen 93/13/EEG. Ingevolge artikel 4 lid 2 van deze richtlijn zijn echter kernbedingen (zoals het prijsbeding) uitgesloten van toetsing op oneerlijkheid mits deze transparant zijn.
Transparantie
Uit de stellingen en overgelegde stukken van [eiser] wordt geconcludeerd dat voorafgaand aan de behandeling geen informatie is gegeven over de daadwerkelijke prijs van de behandeling. Weliswaar heeft [eiser] de passantentarieven gepubliceerd op haar website, maar gesteld noch gebleken is dat [eiser] vóór de behandeling verwijst naar de door haar op haar website gepubliceerde passantentarieven. Bovendien informeert [eiser] de patiënt niet over de NZa-code van zijn behandeling, waardoor het voor de patiënt ondoenlijk is om het toepasselijke tarief in die lijst te vinden. Daarbij geldt dat vaak pas gedurende of na de behandeling precies wordt vastgesteld welke NZa-codes in rekening worden gebracht. Sterker, uit de toelichting van [eiser] volgt dat de prijs die betaald wordt voor gecontracteerde zorg altijd lager is dan het passantentarief en de prijs voor niet-gecontracteerde zorg afhankelijk is van het bedrag dat de verzekeraar achteraf vergoedt. In dat laatste geval staat de prijs die [eiser] uiteindelijk in rekening brengt, voorafgaand aan de behandeling, dus nog niet vast. De conclusie is dan ook dat het prijsbeding niet transparant is en getoetst moet worden op oneerlijkheid.
(On)eerlijkheid
Volgens artikel 3, lid 1 van de richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
[eiser] heeft voldoende gesteld dat zij bij niet-gecontracteerde zorg de prijs voor de behandeling achteraf aanpast aan de vergoeding die de zorgverzekeraar voor de behandeling aan de patiënt betaalt (door kwijtschelding van het meerdere).
Voorwaarde daarvoor is wel dat de patiënt zijn factuur indient bij de zorgverzekeraar en de specificatie daarvan aan [eiser] stuurt. In dat geval dient de patiënt alleen de van de verzekeraar ontvangen vergoeding aan [eiser] te voldoen, eventueel nog vermeerderd met het verrekende eigen risico. Onbetwist is gebleven dat zij deze wijze van factureren voorafgaande aan de behandeling op haar website en bij de afspraakbevestiging steeds heeft vermeld.
Omdat [gedaagde] uiteindelijk alleen de vergoeding van de zorgverzekeraar en het eventueel verrekend eigen risico hoeft te betalen, wordt geoordeeld dat het prijsbeding niet oneerlijk is. Het evenwicht tussen partijen is namelijk door het gebrek aan transparantie van de uiteindelijke prijs niet in strijd met de goede trouw aanzienlijk verstoord. Zowel bij contractuele als bij niet-contractuele zorg brengt [eiser] bij de patiënt (uiteindelijk) immers alleen de prijs in rekening die door de verzekeraar aan de patiënt wordt vergoed, zodat een verzekerde patiënt zelf ten hoogste het eigen risico moet betalen. Dat bij niet-gecontracteerde zorg het bedrag aan eigen risico betaald moet worden aan [eiser] in plaats van aan de zorgverzekeraar, maakt het voorstaande niet anders.
Gelet het voorgaande zal de vordering tot betaling van de hoofdsom van € 1.075,44 verminderd met de betaling door [gedaagde] van € 250,00, een bedrag van € 825,44 worden toegewezen.
Wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten
[eiser] hanteert geen algemene voorwaarden en verder is niet gebleken dat [eiser] standaardbedingen hanteert die voor de beoordeling van de vorderingen van belang zijn en daarom getoetst zouden moeten worden op oneerlijkheid.
Omdat [gedaagde] de hoofdsom te laat heeft betaald en zij de hoogte van de gevorderde wettelijke rente niet heeft betwist, zal deze worden toegewezen zoals hierna vermeld.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 149,82 worden toegewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,77
- griffierecht
€
350,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
863,77
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 848,63, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 825,44, met ingang van 9 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 149,82 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 863,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
De griffier De kantonrechter