ECLI:NL:RBNHO:2026:9658

ECLI:NL:RBNHO:2026:9658

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 19-08-2026
Datum publicatie 30-07-2026
Zaaknummer C/15/369312
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Geschil tussen de bewindvoerder van nagelaten vermogen van erflater en de verwachter. De rechtbank oordeelt dat een bedrag van € 500.000 als lening aan de verwachter is verstrekt en dat zij deze moet terugbetalen. De tegenvordering om de lijfrente aan verwachter te (blijven) betalen wordt afgewezen omdat de lijfrente is geregeld in een testamentaire last die geen vorderingsrecht geeft. De rechtbank oordeelt dat de lijfrente niet voor verrekening vatbaar is en wijst de gevorderde verklaring voor recht toe.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/369312 / HA ZA 25-591

Vonnis van 19 augustus 2026

in de zaak van

DE DIE FINANCIEEL BEHEER EN BEWINDVOERING B.V.,

in hoedanigheid van bewindvoerder over het door de heer [erflater] aan mevrouw [erfgenaam] nagelaten vermogen,

gevestigd te Amstelveen,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: De Die,

advocaat: mr. M.S. van Gaalen,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 1],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaten: mr. D. Steffens en mr. M.E.A. van Doorn.

De zaak in het kort

De Die vordert, in voormelde hoedanigheid namens [erfgenaam], [gedaagde] te veroordelen om € 500.000,00 te betalen. Zij stelt dat dit bedrag als lening aan [gedaagde] is verstrekt. [gedaagde] betwist dat. Zij zegt dat dit bedrag aan haar is geschonken. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening en dat de vordering uit die geldlening rechtsgeldig aan [erfgenaam] is overgedragen. Zij veroordeelt [gedaagde] het geleende bedrag terug te betalen. [gedaagde] vordert op haar beurt om De Die te veroordelen om lijfrente te (blijven) betalen. De rechtbank wijst deze tegenvorderingen af. De lijfrente is geregeld in een testamentaire last. Anders dan een legaat geeft deze last [gedaagde] geen vorderingsrecht. De door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat de lijfrente niet voor verrekening vatbaar is, wordt wel toegewezen. De rechtbank volgt De Die niet in haar standpunt dat de last gelijk te stellen is met een natuurlijke verbintenis.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 augustus 2025 met producties 1 tot en met 27

- de conclusie van antwoord met eis in reconventie met producties 1 tot en met 38

- de conclusie van antwoord in reconventie met productie 28

- het tussenvonnis van 21 januari 2026

- de akte wijziging eis van de kant van [gedaagde]

- de akte overlegging producties van De Die met producties 29 tot en met 32

- de mondelinge behandeling van 17 april 2026, waarbij de advocaten van partijen gebruik hebben gemaakt van door hen overgelegde spreekaantekeningen en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt

- de aanhouding van de procedure voor minnelijk overleg

- de akten van 15 juli 2026 waarin beide partijen verzocht hebben vonnis te wijzen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

De heer [erflater] (hierna: de erflater) was tijdens leven gehuwd met mevrouw [erfgenaam] (hierna: [erfgenaam]). Hij had tijdens leven een affectieve relatie met [gedaagde].

Erflater was voor zijn overlijden enig aandeelhouder-bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] B.V. (hierna: de vennootschap). Ook was hij eigenaar van een aantal panden en had hij via [bedrijf 2] een hoeveelheid participaties in een beleggingsfonds in huurwoningen (hierna: het huurwoningenfonds).

Bij testament van 25 mei 2020 heeft erflater [erfgenaam] aangewezen als enig (bezwaarde) erfgenaam en [gedaagde] als verwachter van zijn nalatenschap. Artikel 4 van het testament luidt voor zover van belang als volgt:

4. Last

Ik leg aan mijn erfgename de volgende last op (waarbij de verschuldigde erfbelasting niet door de lastbevoordeelde maar door mijn erfgename gedragen wordt) aan mevrouw [gedaagde], (…) (hierna te noemen: “de begunstigde”), een lijfrente als hierna bepaald toe te kennen ter grootte van achtduizend euro (€ 8.000,00) per maand.

Op de toe te kennen lijfrenten zijn de volgende bepalingen van toepassing.

a. De lijfrente vangt aan op de eerste dag van de maand volgende op die van mijn overlijden en eindigt op de laatste dag van de maand waarin de begunstigde de leeftijd van tachtig (80) jaar zal bereiken of op de laatste dag van de maand van het overlijden van de begunstigde zonder herrekening van de slottermijn.

b. De lijfrente wordt voldaan in maandelijkse termijnen, bij vooruitbetaling op de eerste van elke maand (…).

c. De lijfrente en de maandelijkse termijnen zijn – als tot onderhoud gemaakt – niet vatbaar voor inbeslagneming, vervreemding, belening of verpanding.

d. De lijfrente is waardevast op basis van de kosten van levensonderhoud voor de maand december tweeduizend negentien volgens het indexcijfer van het Centraal Bureau voor de Statistiek in Nederland voor de kosten van levensonderhoud (….)

Erflater is op 13 april 2022 overleden. [erfgenaam] heeft de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard.

Tot 31 maart 2023 was mr. [betrokkene 1] testamentair bewindvoerder over wat [erfgenaam] uit de nalatenschap van erflater heeft verkregen. Nadat [betrokkene 1] deze functie neerlegde is mr. [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) benoemd tot testamentair bewindvoerder. Bij het ontslag van [betrokkene 2] op 28 februari 2024 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam [gedaagde] benoemd als (opvolgend) testamentair bewindvoerder. Op 6 juni 2024 heeft [erfgenaam] aan [gedaagde] volmacht verleend om mede namens haar over de nalatenschap te beschikken. [erfgenaam] heeft deze volmacht op 5 februari 2025 ingetrokken. Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 14 april 2025 is [gedaagde] ontslagen als testamentair bewindvoerder wegens gewichtige redenen. Daarbij heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat er duidelijk sprake is van tegenstrijdige belangen, omdat [erfgenaam] de bevoegdheid heeft te verteren en [gedaagde] verwachter is en dat de keuze van [gedaagde] om [erfgenaam] geen leefgeld meer te betalen maar zichzelf wel lijfrente te betalen het evenwicht ook geen goed deed. In deze beschikking is De Die benoemd tot (opvolgend) testamentair bewindvoerder.

Op 2, 16, 17 en 18 juli 2021 heeft erflater in totaal € 155.000,00 overgemaakt op de rekening van [gedaagde], steeds met de omschrijving ‘voorschot lening’ of “deelbetaling lening’.

Op 19 juli 2021 hebben [gedaagde] als geldnemer en de praktijkvennootschap van [betrokkene 2] als geldgever een overeenkomst van geldlening getekend voor een bedrag van € 402.000,00 voor de duur van ten hoogste twaalf maanden. Tot zekerheid van de nakoming van haar verplichtingen uit deze overeenkomst heeft [gedaagde] dezelfde dag aan de praktijkvennootschap van [betrokkene 2] een recht van hypotheek verleend op haar woonhuis te [plaats 2]. In de overwegingen van de overeenkomst van geldlening staat (waarbij ‘[afkorting]’ staat voor [gedaagde] en [erflater] voor erflater):

dat [afkorting] behoefte heeft aan liquiditeiten voor een investering in onroerend goed op Bonaire;

dat [afkorting] voornemens is die investering te financieren met een lening van de heer [erflater], maar dat hij thans onvoldoende middelen ter beschikking heeft;

dat [betrokkene 2] heeft aangeboden om aan [afkorting] tijdelijk een geldlening te verstrekken, totdat [erflater] haar een geldlening kan verstrekken of totdat zij haar eigen woning heeft verkocht en overgedragen;

dat [afkorting] dit aanbod heeft aanvaard en dat partijen thans concrete afspraken wensen te maken;

[gedaagde] heeft op 30 juli 2021 een Bed and Breakfast op Bonaire overgenomen, inclusief kosten en belastingen voor een bedrag van $ 648.369,51.

Op 8 november 2021 heeft de vennootschap vanaf haar bankrekening bij ABN AMRO € 4.700.000,00 en € 500.000,00 overgemaakt naar de rekening van erflater, beide overboekingen met de omschrijving ‘Lening’. Erflater heeft het bedrag van € 4.700.000,00 aangewend voor de aankoop van 940 participaties in het huurwoningenfonds, elke participatie nominaal groot € 5.000,00.

Op 24 november 2021 heeft erflater € 500.000,00 overgeboekt naar de ABN AMRO-rekening van de vennootschap met de omschrijving ‘terugstorting’. Dezelfde dag heeft de vennootschap vanaf haar bankrekening bij ABN AMRO € 500.000,00 overgemaakt naar de rekening van [gedaagde] met de omschrijving ‘Hypotheekverstrekk ing’.

[gedaagde] heeft diezelfde dag in tien betalingen € 500.000,00 overgeboekt naar Stichting Bewaarder HWF (een woningfonds), elke overboeking onder vermelding van ‘Relatienummer 21773 Aantal participaties: 100’.

[gedaagde] heeft haar woonhuis verkocht en op 1 december 2021 aan een derde geleverd. Op de door de notaris verstrekte nota van afrekening staat dat uit de koopsom van € 560.000,00 de hypotheekschuld aan de praktijkvennootschap van [betrokkene 2] – in hoofdsom groot € 403.707,12 zal worden voldaan. Bij de levering is de geldlening van de praktijkvennootschap van [betrokkene 2] afgelost, waarna [gedaagde] volgens de nota van afrekening € 156.046,31 heeft ontvangen.

Op 4 december 2021 heeft [gedaagde] in totaal € 150.000,00 aan erflater overgemaakt met de omschrijving ‘Aflossing lening’. Op 15 februari 2022 heeft [gedaagde] nog een bedrag van € 5.000,00 aan erflater overgemaakt met dezelfde omschrijving.

Op 14 december 2022 en 26 november 2023 heeft [gedaagde] een bedrag van € 5.000,00 aan de vennootschap overgemaakt met de omschrijving ‘Rente 2022’ respectievelijk ‘Rente 2023’.

[betrokkene 2] heeft namens de in liquidatie verkerende vennootschap en als testamentair bewindvoerder op 22 december 2023 een cessieovereenkomst opgesteld en ondertekend. Daarin staat dat de vennootschap als tweede liquidatie-uitkering de vordering van de vennootschap op [gedaagde] groot € 500.000,00 overdraagt aan de erven van erflater en dat de vordering uit hoofde van rente tot en met 31 december 2023 uitdrukkelijk niet wordt overgedragen aan de erven.

Dezelfde dag heeft [betrokkene 2] aan [gedaagde] met een brief mededeling van de cessie gedaan. Daarbij heeft hij [gedaagde] gevraagd de rente over 2023 aan de vennootschap te betalen. [gedaagde] heeft dezelfde dag gereageerd en in een e-mail geschreven: Begrijp niks van je brief want rente 2023 is allang betaald!

Na haar benoeming tot (opvolgend) bewindvoerder hebben De Die en [gedaagde] op het kantoor van De Die met elkaar gesproken. Na dit gesprek heeft De Die op 20 mei 2025 per e-mail aan [gedaagde] gevraagd naar (een kopie van) de geldleningsovereenkomst tussen haar en de vennootschap. De Die heeft daarbij aangegeven dat [gedaagde] nog steeds een schuld van € 500.000,00 had en heeft [gedaagde] verzocht om dit bedrag meteen over te maken of in ieder geval het niet betwiste bedrag van € 350.000,00.

[gedaagde] heeft op 27 mei 2025 gereageerd en per e-mail onder meer het volgende geschreven:

Daarnaast is er sprake van een vermeende vordering op mijn persoon vanuit [bedrijf 1] in verband met de BV. Tot op heden is voor mij onduidelijk wat de aard, omvang en status van deze vordering is, en hoe deze verwerkt is in de administratie of afwikkeling van de BV. Ik ben hierover niet geïnformeerd, noch is mij inzicht verschaft in de betreffende stukken of onderbouwing.

Na diverse e-mails over en weer waarin [gedaagde] onder meer aangeeft niet bekend te zijn met een vordering van de vennootschap op haar en dat haar niets bekend is van een overdracht van een eventuele vordering aan de erven van erflater, heeft de heer De Die haar op 4 juni 2025 onder meer geschreven:

Uw betwisting van de schuld komt mij vreemd voor, omdat u tijdens de bespreking van 6 mei jl. bij mij op kantoor aan mijn collega, [betrokkene 3], en mij heeft verklaard een schuld te hebben aan thans de erven van de heer [erflater].

Op dat moment was de discussie of de hoogte van deze schuld nog € 500.000,00 bedraagt dan wel dat deze is teruggebracht naar € 350.000,00.

Uit de aan mij verstrekte dagafschriften alsook uit de aan u toegestuurde mededeling in het kader van de cessie wordt voldoende duidelijk dat er sprake is van een aan u verstrekte geldlening én de verstrekking van een geldbedrag van € 500.000,00.

Indien u van mening bent dat de feitelijke situatie anders is en u niet een schuld heeft aan de nalatenschap gelijk aan € 500.000,00, verzoek ik u dat aan te tonen door overlegging van bewijsstukken.

Ten aanzien van de door mij ook bij u opgevraagde geldleningsovereenkomst deel ik u mee dat ik daar niet over beschik, dit is juist de reden dat ik een kopie daarvan heb opgevraagd.

Echter, voor het bestaan van een geldleningsovereenkomst bestaat er geen schriftelijkheidsvereiste.

Voor wat betreft een specificatie van het geleende bedrag, verwijs ik u naar bijgaand kopie dagafschrift, waarbij in de omschrijving “Hypotheekverstrekk ing” staat vermeld.

Daarnaast blijkt uit de door de heer [betrokkene 2] op 22 december 2023 gestuurde (tevens aan u per email verstuurde) mededeling, dat op dat moment de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. een vordering op u had ten bedrage van € 500.000,00 (zie bijlage).

Voorts blijkt uit bijgaand dagafschrift dat er door u voor de jaren 2022 en 2023 een bedrag ad € 5.000,00 aan rente (1% van de € 500.000,00) is betaald.

Kennelijk heeft u dit als verschuldigde rente afgesproken met erflater.

Verder leid ik hieruit af dat op de hoofdsom in 2022 en 2023 in ieder geval niet door u is afgelost. (…)

In reactie heeft [gedaagde] per e-mail van 4 juni 2025 uitdrukkelijk betwist dat zij de door De Die gestelde schuld heeft. Zij heeft De Die daarbij onder meer verzocht om een kopie van de geldleningsovereenkomst te verstrekken en bewijsstukken van de cessie en mededeling daarvan.

De Die heeft op 6 juni 2025 met een aangetekende brief aan [gedaagde] de correspondentie tussen [gedaagde] en [betrokkene 2] gestuurd als bewijs van de mededeling van de cessie. Daarnaast heeft hij de geldlening van € 500.000,00 per 25 juni 2025 opgeëist.

Op 26 juni 2025 heeft De Die aan [gedaagde] geschreven dat de geldlening niet binnen de gestelde termijn is terugbetaald en dat hij daarom vanaf juli 2025 de maandelijks aan [gedaagde] te betalen lijfrente zal verrekenen met de schuld uit geldlening.

Op 7 juli 2025 heeft [gedaagde] bij aangetekende brief gereageerd. Zij heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 500.000,00 een schenking is met het verzoek dit bedrag te investeren in participaties en om ‘als blijk van waardering en morele wederdienst’ jaarlijks een symbolisch bedrag van € 5.000,00 over te maken.

Op de vraag van De Die of er aangifte schenkbelasting is gedaan van de door haar gestelde schenking, heeft [gedaagde] op 11 juli 2025 per e-mail geantwoord dat aangifte schenkbelasting op korte termijn zal worden ingediend en dat zij zal zorgdragen voor voldoening van de eventueel daaruit voortvloeiende belasting.

Met een e-mail van 25 juli 2025 heeft [gedaagde] De Die dringend verzocht de betaling van de lijfrentetermijn voor juli 2025 (alsnog) over te maken. De Die heeft dat niet gedaan. Ook voor de volgende maanden heeft De Die het bedrag van de lijfrente niet aan [gedaagde] overgemaakt. Per 1 oktober 2025 bedraagt de lijfrente € 10.816,83 per maand.

Verdere correspondentie tussen (de advocaten van) partijen heeft niet tot een oplossing van het geschil geleid.

3. Het geschil

in conventie

De Die vordert - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500.000,00, te vermeerderen met 1% enkelvoudige rente vanaf 1 januari 2024 aan De Die in hoedanigheid van bewindvoerder over het door erflater aan [erfgenaam] nagelaten vermogen;

II. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum van het te wijzen vonnis.

De Die voert daarbij het volgende aan. Vanaf de bankrekening van de vennootschap is een bedrag van € 500.000,00 overgeboekt aan [gedaagde] met omschrijving ‘hypotheekverstrekking’. Daarmee heeft de vennootschap een lening verstrekt aan [gedaagde], waarvoor [gedaagde] in 2022 en 2023 € 5.000,00 rente aan de vennootschap heeft betaald. De vordering uit de geldlening is gecedeerd aan [erfgenaam]. Deze cessie is meegedeeld en [gedaagde] heeft de ontvangst ervan bevestigd. Daarmee is de vordering rechtsgeldig overgegaan. De lening is voor onbepaalde tijd verstrekt. Daarmee is zij direct opeisbaar. [erfgenaam] heeft de lening opgeëist. Blijkens de cessie moet de rente vanaf 2024 aan [erfgenaam] betaald worden.

[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van De Die, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van De Die, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Die in de kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente.

Zij betwist dat zij een schuld uit geldlening heeft en voert (samengevat) het volgende aan. Er is geen schriftelijke overeenkomst waaruit een lening of een renteafspraak blijkt. De Die heeft geen feiten gesteld die duiden op een wederzijds bedoelde terugbetalingsverplichting. Erflater heeft het bedrag van € 500.000,00 via zijn vennootschap aan haar geschonken als dank voor haar hulp bij het financieren van de aangekochte Bed and Breakfast. De omschrijving hypotheekverstrekking bij de overboeking van het bedrag zag op het door [gedaagde] gevestigde recht van hypotheek op haar woning voor de aankoop van de Bed and Breakfast. Zij heeft enkel op advies van [betrokkene 2] tweemaal € 5.000,00 overgemaakt met de omschrijving rente. Bij de tweede rentebetaling was [betrokkene 2] bewindvoerder van de nalatenschap en vereffenaar van de vennootschap. Zo kon hij achteraf de indruk wekken dat er sprake was van een lening om zijn zeer hoge salaris te voldoen. Het is aan De Die om te bewijzen dat er tussen de vennootschap en [gedaagde] overeenstemming heeft bestaan over de strekking en terugbetaling van de geldsom.

Daarbij komt de gestelde vordering niet voor in de boedelbeschrijvingen van de nalatenschap van erflater, zodat deze geen onderdeel is van het nalatenschapsvermogen waarop De Die zich kan beroepen.

Ook is de cessie ongeldig. Ten tijde van de cessie was de vennootschap al in liquidatie, zodat alleen rechtshandelingen ter vereffening verricht mochten worden. Het om niet overdragen van een vordering valt daar niet onder. Bevoordeling van een erfgename is in strijd met een juiste afwikkeling van de vennootschap. [betrokkene 2] kon de vennootschap niet vertegenwoordigen omdat hij geen bestuurder van de vennootschap was. Ook was sprake van zelfcontractering die de geldigheid van een eventuele cessie aantast. Daarbij is niet overgedragen aan de nalatenschap maar (ten onrechte) aan de erfgenamen in privé. De gemaakte boedelbeschrijvingen bevestigen dat er geen vordering is. Dat zijn notariële akten die dwingend bewijs opleveren. Daarmee staat vast dat de vordering niet is overgedragen. Eventuele wettelijke rente kan niet eerder ingaan dan na de datum van de eerste sommatiebrief, aldus nog steeds [gedaagde].

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

[gedaagde] stelt ook een tegeneis (een eis in reconventie) in. [gedaagde] vordert na eiswijziging – samengevat – om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

voor recht te verklaren dat de nalatenschap of [erfgenaam], in welke hoedanigheid dan ook, geen vordering heeft op [gedaagde] uit hoofde van een overeenkomst van geldlening tussen [bedrijf 1] en [gedaagde], dan wel uit welke andere hoofde dan ook;

voor recht te verklaren dat de lijfrente niet vatbaar is voor verrekening;

De Die te veroordelen tot betaling van de lijfrente over de periode juli 2025 tot en met oktober 2025, begroot op € 42.518,99, welk bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van iedere maandtermijn;

De Die te veroordelen tot betaling van alle na oktober 2025 vervallen maandtermijnen tot aan de datum waarop de hervatting van de lijfrente ingevolge het te wijzen vonnis plaatsvindt, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van iedere termijn;

De Die te veroordelen over te gaan tot hervatting van de uitbetaling van de lijfrente tot de laatste dag van de maand waarin [gedaagde] de leeftijd van tachtig jaar zal bereiken of de laatste dag van de maand van het overlijden van [gedaagde];

De Die te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.200,19, te vermeerderen met de wettelijke rente;

De Die te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf de vijftiende dag na betekening van het te wijzen vonnis.

[gedaagde] verwijst voor de gevorderde verklaring voor recht dat geen sprake is van een geldlening naar hetgeen zij heeft aangevoerd tegen de vordering van De Die om haar te veroordelen een bedrag uit geldlening terug te betalen.

De lijfrente is volgens [gedaagde] om meerdere redenen niet vatbaar voor verrekening. Verrekening is allereerst niet aan de orde omdat er geen lening is. Er is dan ook geen tegenvordering om de lijfrente mee te verrekenen. Ook is geen sprake van een rechtsgeldige cessie. Daarmee ontbreekt de wederkerigheid die nodig is voor verrekening. Als de cessie al geldig is, dan is uitsluitend geleverd aan de erfgenamen in privé en niet aan het afgescheiden vermogen van de nalatenschap van erflater. Ook dan ontbreekt wederkerigheid.

Ook heeft De Die zelf aangevoerd dat de lijfrente een last is in de zin van artikel 4:130 lid 1 BW en (dus) geen vorderingsrecht geeft jegens [erfgenaam], zodat er niet verrekend kan worden.

Daarnaast is de lijfrente naar haar aard niet vatbaar is voor verrekening. De erflater heeft de lijfrente nadrukkelijk bestemd als voorziening voor levensonderhoud van [gedaagde]. Verrekening zou dat doorkruisen. Om die reden staat dan ook in het testament dat de lijfrente en de maandelijkse termijnen niet vatbaar zijn voor inbeslagneming, vervreemding, belening of verpanding. Verrekening is ook daarom niet aan de orde, aldus [gedaagde].

De Die concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. Zij voert samengevat het volgende aan. Zij heeft voldoende gesteld om te onderbouwen dat [erfgenaam] een vorderingsrecht uit hoofde van geldlening op [gedaagde] heeft van € 500.000,00. Voor de gevorderde verklaring voor recht is het aan [gedaagde] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen (en zo nodig te bewijzen) waaruit voortvloeit dat sprake was van een schenking. [gedaagde] heeft dat niet gedaan.

Er is sprake van een last. Anders dan een legaat geeft een last geen vorderingsrecht. Het is een legaat zonder rechtsvordering. [gedaagde] kan als lastbevoordeelde dan ook geen nakoming van de last vorderen. Daarbij komt dat [erfgenaam] al aan de last heeft voldaan door te verrekenen. Er is een vordering uit geldlening, de cessie is rechtsgeldig en het testament geeft weliswaar een verbod op beslag, maar niet op verrekenen. Omdat verrekend is, zijn wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en een proceskostenveroordeling van De Die niet aan de orde.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

De Die betoogt dat [gedaagde] € 500.000,00 moet betalen omdat zij voor dit bedrag een geldlening is aangegaan met de vennootschap, die de vordering uit de geldlening vervolgens heeft overgedragen aan [erfgenaam]. [gedaagde] betwist dat de vennootschap het bedrag aan haar geleend heeft. Zij zegt dat de vennootschap het bedrag aan haar geschonken heeft. De rechtbank volgt [gedaagde] daarin niet.

De vennootschap en [gedaagde] zijn een overeenkomst van geldlening aangegaan

Uit de hoofdregel van bewijslastverdeling volgt dat de stelplicht en bewijslast van de door De Die gestelde overeenkomst van geldlening op De Die rust. Dat [gedaagde] zich in het kader van haar betwisting op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een schenking, brengt niet mee dat zij (in conventie) de bewijslast van de schenking draagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft De Die gemotiveerd en onderbouwd uiteengezet dat sprake is van een geldlening. Zij heeft voldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit voortvloeit dat de vennootschap het bedrag op basis van een lening aan [gedaagde] heeft verstrekt. [gedaagde] heeft dit, in het licht van de stellingen van De Die, onvoldoende gemotiveerd betwist.

Het staat vast dat de vennootschap op 24 november 2021 € 500.000,00 aan [gedaagde] heeft overgemaakt. [gedaagde] zegt dat erflater het bedrag aan haar heeft willen schenken. Het is echter de vennootschap – en niet erflater – die het bedrag aan [gedaagde] heeft overgemaakt. De vennootschap is een zakelijke entiteit. Zonder nadere uitleg, die [gedaagde] niet heeft gegeven, ligt niet voor de hand dat de zakelijke entiteit [bedrijf 1] B.V. [gedaagde] € 500.000,00 zou schenken. Dat erflater zelf de liquide middelen niet voor handen had, is daarvoor niet genoeg, ook al niet omdat erflater op 24 november 2021 zelf € 500.000,00 aan de vennootschap heeft overgemaakt en de vennootschap dezelfde dag € 500.000,00 aan [gedaagde] heeft overgemaakt.

[gedaagde] voert in dit kader nog aan dat de vordering niet op de balans en aangifte van de vennootschap staat. Dat wijst er volgens haar op dat erflater deze betaling niet als geldlening heeft beschouwd. Dit argument overtuigt niet. In de ’Fiscale vermogensopstelling Winstberekening’ van 2021 staat namelijk wel dat de vennootschap een vordering van € 500.000,00 op participanten heeft. Ook in de VPB-aangifte over 2022 staat een (langlopende) vordering van € 500.000,00 op participanten, waarbij wordt aangegeven dat deze vordering ook aan het begin van het boekjaar al aanwezig was. De rechtbank acht het aannemelijk dat dit de vordering op [gedaagde] is. Dat [gedaagde] in strikte zin geen participant in de vennootschap was doet daar niet aan af. Erflater was namelijk wel participant in de vennootschap, maar de vordering van € 6.500.000,00 die de vennootschap op erflater in privé had, is opgenomen als vordering op groepsmaatschappij. Daarmee lijken de termen participant en groepsmaatschappij in de fiscale opstelling van de vennootschap niet strikt te kunnen worden uitgelegd.

De Die wijst er in dit kader nog op dat er geen aangifte voor de schenkbelasting is gedaan. [gedaagde] heeft op 11 juli 2025 aan De Die meegedeeld dat de aangifte schenkbelasting op korte termijn zal worden ingediend. Bij de mondelinge behandeling heeft zij gezegd dat zij nog geen aangifte heeft gedaan en dat dat ook niet nodig is gelet op de zogenaamde 180-dagenregeling. Nog los van de vraag of de 180-dagenregeling ook geldt bij schenking vanuit een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (een aparte rechtspersoon), moest voor 2026 ook in een “180-dagensituatie” aangifte schenkbelasting worden gedaan. Duidelijk is dat [gedaagde] dat in al die jaren niet gedaan heeft. Fiscaal heeft zij eerder dan ook niet het standpunt ingenomen dat de overboeking een schenking was.

Daarbij komt dat [gedaagde] op 14 december 2022 en 26 november 2023 een bedrag van € 5.000,00 aan de vennootschap heeft overgemaakt met de omschrijving ‘Rente 2022’ respectievelijk ‘Rente 2023’. Toen [betrokkene 2] op 22 december 2023 aan [gedaagde] mededeling van cessie deed en daarbij vroeg de rente over 2023 aan de vennootschap te betalen, heeft [gedaagde] hem dezelfde dag geschreven dat de rente 2023 al lang betaald was. Dat [gedaagde] rente betaalde, wijst erop dat er sprake is van een geldlening en niet van een schenking. [gedaagde] zegt hierover dat zij deze betalingen alleen gedaan heeft omdat [betrokkene 2] dit van haar vroeg. Dat neemt echter niet weg dat zij tweemaal aan het eind van het jaar een betaling heeft gedaan van 1% van de hoofdsom met de omschrijving rente. Dit percentage is gelijk aan de rente die erflater met de vennootschap was overeengekomen voor de lening die de vennootschap aan erflater heeft verstrekt voor de aankoop van participaties in het huurwoningenfonds.

In de brief van 7 juli 2025 heeft [gedaagde] zich ook op het standpunt gesteld dat er sprake zou zijn van een schenking met een morele verplichting. De betaling van € 5.000,00 per jaar was daarbij een symbolisch bedrag als blijk van waardering en morele wederdienst. Dat zou betekenen dat [gedaagde] en erflater of de vennootschap bij de betaling van het bedrag uitdrukkelijk gesproken moeten hebben over de kwalificatie van het bedrag en die betalingen. Bij de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] echter uitdrukkelijk gezegd dat er niet over de kwalificatie is gesproken. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer voorbij en oordeelt dat [gedaagde] rente heeft betaald.

Op het afschrift van de bankrekening van de vennootschap staat bij de overboeking van € 500.000,00 de omschrijving “hypotheekverstrekking”. [gedaagde] betoogt dat dit onderbouwt dat de overboeking een bedankje was voor haar inspanningen rond het verkrijgen van de financiering van de Bed and Breakfast. Erflater wilde die kopen, maar had daarvoor niet genoeg liquide middelen. Daarop is [gedaagde] een lening aangegaan bij [betrokkene 2], waarvoor zij zekerheid heeft gesteld door een hypotheekrecht op haar woning te verstrekken. De rechtbank volgt [gedaagde] daarin niet. Vast staat dat de Bed and Breakfast is aangekocht door [gedaagde] en ook aan haar is geleverd, zonder dat er aanwijzingen zijn dat de Bed and Breakfast voor erflater werd gekocht. [gedaagde] is eigenaar gebleven. Daarbij komt dat [gedaagde] voor minder dan € 500.000,00 aan zekerheid heeft gevestigd door het verstrekken van het recht van hypotheek. Desgevraagd heeft [gedaagde] bij de mondelinge behandeling niet kunnen aangeven hoe zich dat verhoudt tot een bedankje van € 500.000,00. Daarbij komt nog dat [gedaagde] zich ter zake van de omschrijving “hypotheekverstrekking” eerder (in de brief van 29 juli 2025) op het standpunt heeft gesteld dat deze omschrijving automatisch door de bank is gegenereerd. De rechtbank acht dit laatste niet aannemelijk – het zou slordig zijn van de bank – maar dit eerdere standpunt doet wel af aan de huidige uitleg van [gedaagde] van de omschrijving.

[gedaagde] voert ook aan dat de vordering uit geldlening niet is op genomen in de boedelbeschrijving. Zij zegt dat de boedelbeschrijving dwingende bewijskracht heeft, zodat daarmee al vaststaat dat van een lening geen sprake kan zijn. De rechtbank volgt [gedaagde] daarin niet. Anders dan [gedaagde] betoogt komt aan de boedelbeschrijving zelf geen dwingende bewijskracht toe. [gedaagde] doet in dit kader kennelijk een beroep op het bepaalde in artikel 157 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit artikel bepaalt dat authentieke akten tegen een ieder dwingend bewijs opleveren van hetgeen de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard. Authentieke akten zijn (met name) akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren, aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen.

Op 6 juni 2024 zijn [erfgenaam] en [gedaagde] voor een notaris verschenen om een boedelbeschrijving op te maken. De notaris heeft een akte van boedelbeschrijving opgesteld, die door [erfgenaam], [gedaagde] en de notaris is getekend. Aan die akte is een onderhandse boedelbeschrijving gehecht. In die boedelbeschrijving is geen vordering van € 500.000,00 op [gedaagde] opgenomen. De inhoud van deze aangehechte onderhandse boedelbeschrijving kan echter niet worden aangemerkt als opgemaakt door de notaris om te doen blijken van door de notaris gedane waarnemingen of verrichtingen. Van dwingende bewijskracht op grond van artikel 157 lid 1 Rv is dan ook geen sprake. Daarbij komt dat in de boedelbeschrijving per 13 april 2022 én de boedelbeschrijving per 28 februari 2024 de aandelen in de vennootschap zijn opgenomen voor € 7.000.000,00. Daarmee is de boedelbeschrijving per 28 februari 2024 kennelijk opgesteld alsof er nog geen handelingen in het kader van de liquidatie hadden plaatsgevonden. Bij dat uitgangspunt is het goed mogelijk dat een vordering die per 13 april 2022 van de vennootschap was, in de boedelbeschrijving van 28 februari 2024 nog steeds wordt behandeld als een vordering van de vennootschap en daarom niet apart wordt opgenomen.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de vennootschap het bedrag van € 500.000,00 heeft verstrekt als geldlening. De vennootschap en [gedaagde] zijn een kredietovereenkomst aangegaan waarbij de vennootschap zich verbond om aan [gedaagde] een som geld te verstrekken en [gedaagde] zich verbond aan de vennootschap een overeenkomstige som geld terug te betalen. Op grond van artikel 7:129e BW is de lener verplicht om het op grond van deze overeenkomst verschuldigde terug te geven binnen zes weken nadat de uitlener heeft meegedeeld tot opeising over te gaan, tenzij een ander tijdstip voor de terugbetaling uit de overeenkomst voortvloeit. Een ander tijdstip voor terugbetaling is gesteld noch gebleken.

De vordering uit geldlening is overgegaan naar [erfgenaam]

De Die vordert om [gedaagde] te veroordelen het bedrag dat zij van de vennootschap heeft geleend aan [erfgenaam] te betalen. Zij betoogt dat de vennootschap deze vordering door middel van cessie heeft overgedragen aan [erfgenaam]. [gedaagde] betwist dat de vordering uit geldlening rechtsgeldig is overgedragen. De rechtbank oordeelt dat de vennootschap de vordering wel rechtsgeldig heeft overgedragen aan [erfgenaam]. Zij zal dit oordeel hieronder toelichten en daarbij ingaan op de door [erfgenaam] aangedragen punten.

De vordering uit de geldlening is een vordering op naam. Deze kan (in beginsel) worden geleverd door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan de schuldenaar door de vervreemder of verkrijger.

De Die zegt dat aan deze vereisten is voldaan en verwijst naar de akte van 22 december 2023. [betrokkene 2] heeft namens de vennootschap en als testamentair bewindvoerder namens de erven van erflater op 22 december 2023 een cessieovereenkomst opgesteld en ondertekend. Daarin staat, voor zover van belang, het volgende (waarbij de vennootschap wordt aangeduid met ‘BV’):

Overwegende

- dat BV in liquidatie is sinds 25 september 2023;

- dat BV een gestort kapitaal had van € 7.080.001;

- dat BV op 21 december 2023 een terugbetaling van kapitaal heeft gedaan van € 6.500.000,00;

- dat het eigen vermogen van BV nog steeds groter is dan het gestort kapitaal ná deze terugbetaling;

- dat partijen thans wensen over te gaan tot de tweede partiële terugbetaling van het gestorte kapitaal door overdracht van een vordering van BV op mevrouw [gedaagde], nominaal groot € 500.000 (vijfhonderdduizend euro) aan erven;

Komen overeen als volgt

1. BV draagt heden als tweede liquidatie-uitkering de vordering van BV op mevrouw [gedaagde] groot € 500.000 over aan erven. Uitdrukkelijk wordt de vordering uit hoofde van rente tot en met 31 december 2023 niet overgedragen aan erven. Erven aanvaarden deze vordering.

2. BV verplicht zich om de overdracht van deze vordering aan mevrouw [gedaagde] mee te delen (….)

(…)

Van deze akte en cessie heeft [betrokkene 2] vervolgens op 22 december 2023 met een brief mededeling gedaan. [gedaagde] heeft direct op die brief gereageerd, waarmee vaststaat dat de mededeling haar bereikt heeft. Daarmee is in beginsel aan de vereisten voor overdracht van de vordering uit geldlening voldaan. Jong betoogt echter dat de cessie om de volgende redenen niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.

[gedaagde] voert allereerst aan dat de vennootschap ten tijde van de akte van cessie al in liquidatie was en de cessie niet behoort tot de rechtshandelingen die een vereffenaar in het kader van de vereffening mag verrichten. De rechtbank volgt [gedaagde] daarin niet. Uit de akte van cessie komt voldoende naar voren dat de cessie plaatsvond in het kader van de vereffening van de vennootschap. De cessie vond plaats ter afwikkeling van (een deel van) de agiovordering van de erven. Daarbij komt dat – als er wel sprake zou zijn geweest van een overschrijding van bevoegdheden door de vereffenaar – de rechtshandeling vernietigbaar zou zijn geweest. [gedaagde] heeft echter niet de vernietiging van de cessie ingeroepen.

[gedaagde] brengt ook naar voren dat de cessie geen economische grondslag had. Het was een overdracht om niet en kon ook om die reden niet plaatsvinden in het kader van de vereffening van de vennootschap. De rechtbank volgt [gedaagde] daarin niet. Uit de akte van cessie komt genoegzaam naar voren dat de vordering werd overgedragen als tweede partiële terugbetaling van het gestorte kapitaal. Daarmee kan niet gezegd worden dat sprake is van een overdracht om niet.

[gedaagde] voert daarnaast aan dat [betrokkene 2] de vennootschap op 22 december 2023 niet rechtsgeldig kon vertegenwoordigen omdat hij toen niet de bestuurder van de vennootschap was. Het klopt dat de vennootschap toen al in liquidatie was. Het klopt ook dat in de aanhef van de akte van cessie staat dat de vennootschap in liquidatie bij deze akte vertegenwoordigd werd door een van haar directeuren, te weten [betrokkene 2]. In de praktijk heeft [betrokkene 2] de vennootschap bij deze transactie vertegenwoordigd als vereffenaar. Deze vergissing in de aanhef van de akte maakt echter niet dat [betrokkene 2] – die voor de ontbinding van de vennootschap enig bestuurder was en na de ontbinding enig vereffenaar – niet bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen en doet daarom niet af aan de levering van de vordering.

[gedaagde] betoogt ook dat met de ondertekening door [betrokkene 2] voor beide partijen sprake is van zelfcontractering die de geldigheid van de cessie aantast. Zij onderbouwt dit echter niet, zodat de rechtbank dit punt passeert. Het enkele feit dat een contract voor beide partijen door dezelfde persoon wordt getekend, maakt niet dat het contract niet geldig is. [gedaagde] wijst er ook op dat in de akte staat dat geschillen omtrent de overeenkomst bij bindend advies wordt beslist door drs. Oerlemans en geeft aan dat dit een kantoorgenoot van [betrokkene 2] was. Ook dit laat volgens haar zien dat een zakelijk oogmerk bij de cessie ontbreekt. Hiervoor heeft de rechtbank al uiteengezet dat uit de akte een zakelijk oogmerk naar voren komt. Los daarvan maakt een eventueel onjuist beding voor geschilbeslechting (de rechtbank laat zich over de rechtmatigheid van dit beding in dit kader niet uit) op zichzelf niet dat de in de akte opgenomen cessie niet rechtsgeldig is.

[gedaagde] voert ook aan dat de cessie niet geldig is, omdat niet is overgedragen aan de nalatenschap maar aan de erfgenamen in privé. Zij zegt dat de nalatenschap een gemeenschap van goederen is. De vordering had aan die gemeenschap geleverd moeten worden. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. De gemeenschap zelf kan geen eigenaar worden van de vordering. De cessie moest plaatsvinden aan de erven, omdat zij gezamenlijke rechtsopvolgers onder algemene titel zijn. Met de akte is de vordering dan ook terecht geleverd aan ‘de erven van [erflater]’. In de praktijk is dat [erfgenaam]. Zij is enig erfgenaam van erflater. Zij kan daarmee [gedaagde] aanspreken tot terugbetaling van het uitgeleende bedrag van € 500.000,00. De Die heeft onder meer op 20 mei 2025 aan [gedaagde] meegedeeld tot opeising van de lening over te gaan. Sindsdien zijn er meer dan zes weken verstreken, zodat [gedaagde] gehouden is het bedrag terug te betalen. De rechtbank zal [gedaagde] daartoe veroordelen.

[gedaagde] moet ook de gevorderde rente betalen

De Die vordert [gedaagde] te veroordelen om vanaf 1 januari 2024 1% rente te betalen. Deze vordering zal worden toegewezen. De Die heeft voldoende onderbouwd dat partijen een rente van 1% per jaar hebben afgesproken. Dit komt naar voren uit de twee rentebetalingen die [gedaagde] – steeds aan het eind van het jaar – aan de vennootschap heeft gedaan, waarbij zij bij de tweede betaling nog eens aan [betrokkene 2] bevestigd heeft dat zij de rente 2023 heeft voldaan. Bij de akte van cessie zijn ook de vorderingen uit de renteverplichtingen vanaf 1 januari 2024 overgedragen, zodat De Die (voor [erfgenaam]) aanspraak kan maken op betaling van de rente.

Proceskosten

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Die worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

145,45

- griffierecht

2.723,00

- salaris advocaat

7.446,00

(2 punten × € 3.723,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

10.462,45

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in reconventie

Hieronder zullen de vorderingen worden besproken die [gedaagde] in reconventie heeft ingediend. Daarbij zal de rechtbank eerst ingaan op de door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat de nalatenschap en/of [erfgenaam] geen vordering op [gedaagde] hebben. De vorderingen 3, 4 en 5 zien alle op betaling van de lijfrente en zullen daarna worden besproken. Vervolgens zal de rechtbank oordelen over de gevorderde verklaring voor recht dat de lijfrente niet vatbaar is voor verrekening (vordering 2).

Geen verklaring voor recht dat de nalatenschap/[erfgenaam] geen vordering heeft

De rechtbank zal de vordering van [gedaagde] om voor recht te verklaren dat de nalatenschap, dan wel [erfgenaam] geen vordering op [gedaagde] heeft uit hoofde van een geldleningsovereenkomst tussen de vennootschap en [gedaagde], dan wel uit welke andere hoofde ook afwijzen. Daarbij merkt zij allereerst op dat zij met de beschikbare informatie niet kan beoordelen of de nalatenschap en/of [erfgenaam] – los van een eventuele vordering uit geldlening – in het geheel geen vordering op [gedaagde] hebben. In die zin is de gevraagde verklaring voor recht te ruim om te kunnen worden toegewezen. Daarbij komt dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de nalatenschap en/of [erfgenaam] geen vordering uit geldlening op [gedaagde] hebben. In conventie is al geoordeeld dat De Die voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit voortvloeit dat [gedaagde] een schuld uit geldlening heeft die zij aan De Die in hoedanigheid van bewindvoerder over het door de erflater aan [erfgenaam] nagelaten vermogen, moet voldoen. In reconventie heeft [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld voor het oordeel dat de nalatenschap en/of [erfgenaam] geen vordering uit geldlening op haar hebben.

De Die is niet verplicht lijfrente te betalen

Met de vorderingen 3, 4 en 5 vordert [gedaagde] om De Die te veroordelen om lijfrente te betalen. Zij verwijst daarbij naar artikel 4 van het testament van erflater waarin staat dat erflater aan zijn erfgename de last oplegt om aan [gedaagde] een lijfrente ter grootte van € 8.000,00 per maand te betalen en betoogt dat verrekening niet is toegestaan. De Die vindt dat deze vorderingen moeten worden afgewezen. Zij voert aan dat [gedaagde] geen recht op invordering toekomt omdat een dergelijk recht niet is verbonden aan een last.

Een testamentaire last is een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan de gezamenlijke erfgenamen of aan een of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen een verplichting oplegt, die niet bestaat in uitvoering van een legaat. De testamentaire last vormt geen schuld van de nalatenschap, ook niet wanneer verplichtingen in de vorm van een last aan erfgenamen zijn opgelegd. Er is niemand die de nakoming van de verplichting uit een last kan vorderen. Dat is anders bij een legaat. Een legaat geeft wel een vorderingsrecht.

Daarmee moet de rechtbank beoordelen of erflater met artikel 4 van het testament al dan niet een vorderingsrecht heeft toegekend en of er mitsdien eerder sprake is van een legaat dan een last. De beantwoording van die vraag is afhankelijk van de inhoud van de uiterste wil van erflater. Als de bewoordingen niet duidelijk zijn, geeft de bedoeling van de erflater de doorslag. In dit geval zijn de bewoordingen in beginsel duidelijk. Artikel 4 draagt de titel ‘Last’ en bepaalt dat de erflater aan zijn erfgenamen ‘de volgende last’ oplegt. [gedaagde] heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen die erop wijzen dat erflater heeft bedoeld een legaat toe te kennen. Ook [gedaagde] zegt dat er sprake is van een last, maar voert ter zitting, zonder dit toe te lichten, aan dat het een betalingsverplichting is die gelijk te stellen is met een legaat. Dat is, zoals hiervoor al uiteengezet, niet het geval. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat erflater met artikel 4 daadwerkelijk een last aan zijn erfgename wilde opleggen. Daarbij overweegt de rechtbank ook dat erflater in het opvolgende artikel 5 aan [gedaagde] legateert. Erflater lijkt in het testament dan ook een duidelijk onderscheid te maken tussen last en legaat.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat erflater met artikel 4 daadwerkelijk een last aan zijn erfgename heeft opgelegd om lijfrente aan [gedaagde] toe te kennen. Deze last geeft [gedaagde], zoals hiervoor uiteengezet, geen vorderingsrecht. Om die reden zullen de hiervoor als 3, 4 en 5 geduide vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen. De Die zal niet veroordeeld worden om de lijfrente over de door [gedaagde] genoemde periodes te betalen.

Verklaring voor recht dat de lijfrente niet vatbaar is voor verrekening

Met haar vordering 2 vordert [gedaagde] voor recht te verklaren dat de lijfrente van artikel 4 van het testament niet vatbaar is voor verrekening. Zij wijst erop dat het artikel bepaalt dat de lijfrente en de maandelijkse termijnen niet vatbaar zijn voor inbeslagneming. Op grond van artikel 6:135 BW is een schuldenaar niet bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de wederpartij niet geldig is. Daarmee is verrekening volgens [gedaagde] niet mogelijk. De Die is het daar niet mee eens. Zij brengt naar voren dat het testament geen verbod op verrekening geeft.

[gedaagde] stelt zich ook op het standpunt dat bij een last geen sprake is van een vordering, zodat om die reden verrekening niet mogelijk is. De Die voert aan dat een last gelijk te stellen is met een natuurlijke verbintenis. Het feit dat de lijfrente voor [gedaagde] geen rechtsvordering bevat, laat verrekening onverlet, omdat [erfgenaam] ook een niet-opeisbare schuld kan verrekenen, aldus De Die.

De rechtbank volgt De Die niet in haar standpunt. Hiervoor is al geoordeeld dat sprake is van een last die [gedaagde] geen rechtsvordering geeft. De last legt de lastplichtige een verplichting op, zonder dat daartegenover een subjectief vermogensrecht staat. Dat is ook logisch omdat bij een last voor de lastplichtige zoals ‘maak je studie af’, een dergelijk vorderingsrecht ondenkbaar is. Bij een last ligt de nadruk op de verplichting die de erfgenaam volgens de erflater moet voldoen. Daarmee kan een last – anders dan De Die aanvoert – niet gelijk gesteld worden aan een natuurlijke verbintenis. Omdat de last niet kan worden aangemerkt als een (natuurlijke) verbintenis van [erfgenaam] (de nalatenschap) jegens [gedaagde] – en dus niet als een schuld aan [gedaagde] – , kan geen sprake zijn van verrekening.

De door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat de lijfrente niet vatbaar is voor verrekening zal daarom worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

De vorderingen tot (hervatten van) betaling van de lijfrente worden afgewezen. Om die reden zal de rechtbank ook de vordering van [gedaagde] om De Die te veroordelen in de kosten die zij buitengerechtelijk heeft gemaakt om De Die tot betaling te bewegen afwijzen.

Proceskosten

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Die worden begroot op:

- salaris advocaat

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.728,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan De Die te betalen een bedrag van € 500.000,00, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 1% per jaar over het toegewezen bedrag, vanaf 1 januari 2024, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 10.462,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

in reconventie

verklaart voor recht dat de lijfrente van artikel 4 van het testament van erflater niet voor verrekening vatbaar is,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.728,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.3, 5.5 en 5.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.

1621

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand