RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/377649 / HA RK 26-101
Beschikking van 18 augustus 2026
in de zaak van
1. [verzoeker 1] ,
te [plaats 1] (Frankrijk),
in zijn hoedanigheid van Bisschop van West-Europa van de Servisch-Orthodoxe Kerk, als bisschop genaamd [verzoeker 1] ,
hierna te noemen: [verzoeker 1] ,2. [verzoeker 2],
te [plaats 1] (Frankijk),
hierna te noemen: [verzoeker 2] ,3. de WEST-EUROPESE EPARCHIE SERVISCH-ORTHODOXE KERK,
te Parijs (Frankijk),
hierna te noemen: de eparchie,
verzoekende partijen,
hierna samen ook te noemen: verzoekers dan wel de [verzoekers]
advocaat: mr. T. van Kooten,
tegen
STICHTING SERVISCH ORTHODOXE KERK IN NEDERLAND,
te Zaandam,
verwerende partij,
hierna te noemen: verweerder dan wel de stichting,
advocaten: mr. D. Kradolfer en mr. A. Rosielle.
De zaak in het kort
De [verzoekers] verzoeken om vijf door hen voorgedragen personen te benoemen in het bestuur van de stichting. Zij stellen dat de stichting momenteel geen (rechtsgeldig benoemd) bestuur heeft. Als de rechtbank anders oordeelt, vorderen zij subsidiair om (een aantal van) de bestuurders te ontslaan. Verweerder betwist dat de stichting geen bestuur heeft. Als de rechtbank haar daar niet in volgt, vraagt zij om in ieder geval de personen die feitelijk als voorzitter en penningmeester fungeren te benoemen tot bestuurders.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de stichting momenteel geen bestuur heeft. Ontslag van bestuurders is dan ook niet aan de orde. De rechtbank benoemt, gelet op ervaring en gebleken expertise, de drie personen die de afgelopen jaren de stichting feitelijk hebben bestuurd tot bestuurders van de stichting.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 10 bijlagen, door de griffie van de rechtbank op 7 mei 2026 ontvangen
- de brieven van 27 mei 2026 waarmee de rechtbank partijen heeft opgeroepen om te worden gehoord
- het verweerschrift met tegenverzoek van de stichting met 3 bijlagen
- een akte van de [verzoekers] met repliek en verweer tegen het verzoek van de stichting en een voorwaardelijk subsidiair verzoek met 9 bijlagen
- de bijlagen 20 en 21 van de [verzoekers]
- de brief van de stichting waarin zij verzoekt om de repliek, de aanvullende stukken en de aanvulling van het verzoek van de [verzoekers] buiten beschouwing te laten
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarbij de advocaten van partijen gebruik hebben gemaakt van door hen overgelegde spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Bij de mondelinge behandeling op 7 juli 2026 zijn voor de verzoekers verschenen de heer [verzoeker 1] ( [verzoeker 1] ) en de heer [verzoeker 2] en namens de eparchie (ook) de heer [betrokkene 1] . Zij werden bijgestaan door mr. Van Kooten voornoemd en de heer [tolk 1] , tolk in de Servische taal. Voor verweerder zijn verschenen mevrouw [betrokkene 2] , mevrouw [betrokkene 3] en de heer [betrokkene 4] , vergezeld van de heer [betrokkene 5] , bijgestaan door mr. Kradolfer en mr Rosielle voornoemd en mevrouw [tolk 2] , tolk in de Servische taal.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank het verzoek van verweerder om de door de [verzoekers] ingediende repliek, de aanvulling van het verzoek en de nadere stukken van de [verzoekers] buiten beschouwing te laten met partijen besproken. Verweerder heeft het verzoek mogen toelichten en de [verzoekers] hebben mogen reageren. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat van de akte met repliek en verweer van de [verzoekers] pagina 2 tot en met 4 worden geweigerd wegens strijd met de goede procesorde. De inhoud van deze pagina’s is aan te merken als een repliek (een reactie op het verweer van verweerder) en daartoe heeft de rechtbank de [verzoekers] niet in de gelegenheid gesteld. Op de volgende pagina’s zetten de [verzoekers] hun subsidiaire voorwaardelijke verzoek uiteen. De gronden die zij daarbij aanvoeren zijn ook hun verweer tegen het tegenverzoek van verweerder. De [verzoekers] mochten nog op het tegenverzoek reageren. Daarom heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat dit deel van de akte niet wordt geweigerd.
De rechtbank heeft partijen ook meegedeeld dat van de bij de akte gevoegde aanvullende bijlagen de bijlagen met nummers 16 tot en met 19 worden geweigerd wegens strijd met de goede procesorde. Deze bijlagen zijn minder dan vijf dagen voor de zitting toegezonden, waar een termijn van tien dagen geldt. Daarbij komt dat deze stukken ook eerder al aan het dossier hadden kunnen worden toegevoegd. De rechtbank heeft geoordeeld dat dat anders is voor de bijlagen met nummers 11 tot en met 15 omdat die zijn overgelegd in reactie op het verweer van de stichting dat pas kort daarvoor was ingediend. De later door de [verzoekers] toegezonden bijlagen 20 en 21 zijn ook geweigerd wegens strijd met de goede procesorde.
Voor het voorwaardelijke verzoek tot ontslag van het bestuur van de stichting geldt dat een wijziging van het verzoek in beginsel in elke fase van het geding gedaan mag worden. Wel moet de wederpartij voldoende gelegenheid hebben om op het gewijzigde verzoek te reageren. In dat kader heeft de rechtbank bij de mondelinge behandeling aan verweerder toegezegd dat zij nog op het voorwaardelijke verzoek mag reageren als de rechtbank aan de behandeling van dat verzoek toekomt. Hierna zal de rechtbank uiteenzetten dat de voorwaarde van het subsidiaire verzoek van de [verzoekers] niet is vervuld, zodat de rechtbank niet aan de beoordeling daarvan toekomt. Daarmee zal de rechtbank verweerder niet in de gelegenheid stellen nog op dit voorwaardelijke subsidiaire verzoek te reageren.
Tenslotte is de beschikking bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op 4 augustus 1992 is de stichting Stichting Servisch Orthodoxe Kerk in Nederland opgericht. Na wijziging van de statuten bij akte van 5 maart 2014 luiden de statuten van de stichting, voor zover hier van belang, als volgt:
Artikel 3
DOEL
De stichting heeft tot doel de orthodoxe Serviërs die in Nederland wonen geestelijke bijstand te verlenen en tot dit doel parochies op te richten, het geloofsbezit van de Servisch Orthodoxe Kerk en de Servische Kultuur in Nederland bekend te maken als een bijdrage tot oecumene, alsmede te voorzien in woningen ten behoeve van de pastorale werkers. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het houden van godsdienstoefeningen en het huren of aankopen van een of meer ruimten geschikt voor het houden van zodanige oefeningen, bewoning, een en ander in de ruimste zin des woords.
Artikel 4
BESTUUR
De stichting wordt bestuurd door een bestuur bestaande uit ten minste drie en ten hoogste negen personen. (…)
De benoeming van de bestuursleden geschiedt door de zittende bestuursleden.
Bestuursleden worden benoemd voor een periode van 2 (twee) jaar. Zij zijn te allen tijde herkiesbaar. Jaarlijks zal volgens een door het bestuur daartoe op te maken rooster de helft (of zoveel mogelijk de helft) van de bestuursleden aftreden.
Herbenoeming brengt niet ipso facto herstel in de functie, die het desbetreffende bestuurslid vervulde met zich mee. (…)
4. In alle bestuursfuncties wordt zoveel mogelijk voorzien binnen twee maanden na het ontstaan daarvan.
5. Behoudens het in het voorgaande bepaalde eindigt het bestuurslidmaatschap door opzegging bij aangetekend schrijven, overlijden of roiement.
Roiement van een bestuurslid kan slechts geschieden krachtens een besluit met algemene stemmen, dat is genomen door de overige zittende bestuursleden, doch niet dan nadat aan het betrokken bestuurslid de gelegenheid is geboden om zich in een vergadering te verantwoorden.
6. Gedurende de periode dat er een bestuurvacature is, is het bestuur niettemin wettig samengesteld.
(…)
Artikel 10
STATUTENWIJZIGING EN ONTBINDING
(…)
3. De liquidatie van de stichting geschiedt door het bestuur met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften. Een na liquidatie overblijvend batig saldo zal worden uitgekeerd aan het Bisdom van West Europa van de Servisch-Orthodoxe kerk of anders, indien op het moment van liquidatie van de stichting het Bisdom van West Europa niet langer zelfstandig bestaat, aan het Patrarchaat van Servie te Belgrado.
In het handelsregister bij de Kamer van Koophandel zijn op dit moment voor de stichting onder bestuurders (voor zover van belang) de volgende gegevens geregistreerd:
[betrokkene 2] ; in functie vanaf 26 oktober 2015; titel: penningmeester
[betrokkene 3] ; in functie vanaf 10 april 2016; titel: voorzitter
[verzoeker 2] ; in functie vanaf 10 februari 2023; titel secretaris
[betrokkene 6] ; in functie vanaf 17 april 2026
[betrokkene 4] ; in functie vanaf 17 april 2026.
[betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [verzoeker 2] hebben zich vanaf de in het handelsregister geregistreerde ‘data in functie’ steeds feitelijk gedragen als bestuurder van de stichting.
De stichting draagt zorg voor geloofsgemeenschappen (parochies) van de Servisch-Orthodoxe Kerk in Nederland. Deze parochies vallen kerkelijk onder de bevoegdheid van het bisdom van West-Europa. [verzoeker 1] is het hoofd van dat bisdom en hij is de primaire representant. Hij bestuurt het bisdom met behulp van de geestelijkheid. Alle kerkelijke autoriteiten binnen het bisdom zijn op grond van de Constitutie van de Servisch-Orthodoxe Kerk ondergeschikt aan de bisschop. Hij is bestuurder van alles wat kerkelijk en geestelijk van aard is binnen het bisdom.
Voor de viering van de Goddelijke Liturgie (godsdienstoefeningen naar Servisch-Orthodox canoniek recht) is de goedkeuring van de bisschop nodig. Het is ook aan de bisschop om de geloofsgemeenschappen binnen het bisdom te voorzien van geestelijken. Hij is bij uitsluiting bevoegd om de geestelijken aan te stellen en te benoemen.
3. Het verzoek
De [verzoekers] verzoeken de rechtbank – na wijziging van hun verzoek – om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
primair
te voorzien in de vervulling van ledige plaatsen in het bestuur van de stichting door tot enige leden van dat bestuur te benoemen:
[betrokkene 7] , wonende te [plaats 2]
[verzoeker 1] ( [verzoeker 1] ), wonende te [plaats 1] ,
[verzoeker 2] , wonende te [plaats 1]
[betrokkene 8] , wonende te [plaats 3]
[betrokkene 9] , wonende te [plaats 4] ,
met veroordeling van de stichting in de proceskosten.
subsidiair (en voorwaardelijk)
voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat [verzoeker 2] , [betrokkene 4] , [betrokkene 6] ,
[betrokkene 3] en [betrokkene 2] nog bestuurder van de stichting zijn, [betrokkene 4] , [betrokkene 6] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] te ontslaan en de personen genoemd in het primaire verzoek te benoemen als bestuurders,
met veroordeling van verweersters [betrokkene 3] en [betrokkene 2] in de proceskosten.
De [verzoekers] voeren (samengevat) het volgende aan. De stichting heeft geen bestuur. Uit de statuten volgt dat bestuursleden voor een periode van twee jaar worden benoemd door de zittende bestuursleden. [betrokkene 2] is op 26 oktober 2015 in functie getreden. [betrokkene 3] op 10 april 2016. Zij zijn niet opnieuw benoemd, zodat zij op 26 oktober 2017 respectievelijk 10 april 2018 het bestuurslidmaatschap hebben verloren. Daarmee hebben zij [verzoeker 2] niet rechtsgeldig tot bestuurder kunnen benoemen. Als de benoeming van [verzoeker 2] wel rechtsgeldig was, dan is zijn bestuurslidmaatschap op 10 februari 2025 geëindigd. Omdat er daarmee in ieder geval sinds februari 2025 geen zittende bestuursleden meer waren, kunnen ook [betrokkene 4] en [betrokkene 6] niet rechtsgeldig zijn benoemd.
Bij het ontbreken van bestuursleden, is het niet mogelijk om zonder tussenkomst van de rechtbank tot een geldig benoemd bestuur te komen. De [verzoekers] verzoeken de rechtbank in het bestuur te voorzien en daarbij de in het verzoek genoemde personen te benoemen, waarna de stichting kan worden omgezet in een rechtspersoon in de zin van artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zodat canoniek recht kan worden toegepast en gehandhaafd in de stichting. Zij hebben daar onder meer belang bij omdat het canoniek recht bepaalt dat het tot de rechten en verplichtingen van de bisschop behoort om (onder meer) te zorgen voor regelmatige en correct gehouden godsdienstoefeningen.
Voor zover de rechtbank oordeelt dat het bestuur niet vacant is verzoeken de [verzoekers] de zittende bestuurders te ontslaan, met uitzondering van [verzoeker 2] . Hij is vanuit het bisdom belast met de taak om de doelstellingen van de stichting en het bisdom te verwezenlijken. Daarom is het van belang dat hij bestuurder blijft (of opnieuw benoemd wordt).
Ontslag van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 6] door de rechtbank is nodig. Weliswaar hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in het verleden goede dingen gedaan voor de stichting, maar op dit moment is sprake van taakverwaarlozing. Zij hebben zich ten onrechte niet gericht naar het belang van de stichting als vastgelegd in de statuten. Zij hebben de confrontatie met de kerkelijke autoriteit gezocht en daarmee maken zij het oprichten van nieuwe parochies onmogelijk. Bovendien is hun handelwijze – en ook die van de heer [betrokkene 5] – een bedreiging voor de continuïteit van de godsdienstuitoefeningen. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben een toxische sfeer in de parochie gecreëerd waardoor inmiddels 150 parochianen ontevreden zijn over het werk van het bestuur. Voor verwezenlijking van de doelstellingen van de stichting is samenwerking met de bisschop noodzakelijk en die maken zij onmogelijk. [verzoeker 1] is ook zelf onheus en zonder respect bejegend. Hij heeft hiervan aangifte gedaan. Ook hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 3] verzuimd om de ANBI-status aan te vragen, waardoor de stichting fiscale voordelen misloopt.
Andere gewichtige redenen om over te gaan tot ontslag zijn gelegen in de ernstig verstoorde verhoudingen. Alleen als de stichting in lijn handelt met leer, liturgie en ecclesiologie van de kerk kan zij functioneren. Dat houdt in dat het beleid van de bisschop moet worden gevolgd, maar [betrokkene 2] en [betrokkene 3] deinzen er niet voor terug [verzoeker 1] en geestelijken met ongeoorloofde middelen te beschadigen.
4. Verweer en verzoek andere dan de aangedragen bestuursleden te benoemen
Volgens de stichting (en de in het handelsregister ingeschreven bestuurders met uit zondering van [verzoeker 2] ) moeten de verzoeken van de [verzoekers] worden afgewezen. Zij voert het volgende aan.
De verzoekers zijn geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 2:299 BW. Daarom moet het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarbij komt dat verweerder nog steeds een actief, functionerend en effectief bestuur heeft. Rond 2015 verkeerde de stichting in slechte financiële omstandigheden. Na het aantreden van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als bestuurders heeft het bestuur dat kunnen veranderen: er is afgelost op de hypotheek van een kerkgebouw, er is een grote liquiditeitsreserve, er zijn twee priesters aangesteld met werkvergunningen en er is een bloeiende gemeenschap.
Noch de statuten, noch de wet verbinden aan het verstrijken van de benoemingstermijn van twee jaar het rechtsgevolg dat het bestuurslidmaatschap eindigt. Artikel 4 lid 5 van de statuten geeft een limitatieve opsomming van de gronden die het lidmaatschap van het bestuur doen eindigen en het verstrijken van de periode van benoeming staat daar niet bij. Bij gelegenheid zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ook steeds herbenoemd, voor zover nodig. Zij zijn dan ook steeds in functie gebleven en konden rechtsgeldig besluiten het huidige bestuur te benoemen. [verzoeker 1] heeft hen in 2023 zelf gevraagd om [verzoeker 2] te benoemen. Daarmee heeft hij ondubbelzinnig erkend dat zij bestuurder waren. Onder deze omstandigheden kunnen de [verzoekers] zich in redelijkheid niet beroepen op een vermeend gebrek in de herbenoeming.
Voor zover de rechtbank oordeelt dat de stichting geen bestuur heeft, komen de door de [verzoekers] voorgedragen kandidaten niet voor benoeming als bestuurder in aanmerking. De rechter moet het belang van de rechtspersoon (de stichting) centraal stellen en kandidaten benoemen die dat belang onafhankelijk kunnen behartigen. De voorgedragen kandidaten kunnen dat niet. De [verzoekers] hebben een kandidatenlijst aangedragen waarmee [verzoeker 1] eenzijdige controle op de stichting kan uitvoeren en dat is onverenigbaar met de zelfstandige status van de stichting. Ook missen de personen die de [verzoekers] aandragen de vereiste binding, continuïteit en onafhankelijkheid om in het belang van de stichting te handelen. Van enige eerdere betrokkenheid van de heer [betrokkene 7] en mevrouw [betrokkene 9] bij de stichting en haar lokale geloofsgemeenschap is niet gebleken. De heer [betrokkene 8] heeft een tijdelijk visum voor verblijf in Nederland. [verzoeker 1] is woonachtig in [plaats 1] en hield enkel toezicht op afstand waarbij hij bij tijd en wijle zijn persoonlijke agenda uitoefent. De voorgedragen personen zullen vooral handelen in het belang van [verzoeker 1] zelf en het bisdom en niet in het belang van de stichting. Verweerder benadrukt daarbij dat de stichting een betrokken gesprekspartner is voor de Servische gemeenschap, lokale bedrijven en de overheid en dat zij wekelijks doorgaans tweemaal een liturgie organiseert. Daarnaast organiseert zij filmvertoningen, avonden met sprekers over cultuur en ook geloof, met dans en concerten en doet zij charitatief werk. De werken van de stichting gaan dan ook verder dan het organiseren van godsdienstuitoefeningen. Als het verzoek van de [verzoekers] wordt toegewezen zal dit leiden tot een overname van de controle van de stichting die nooit is beoogd.
Verweerder stelt (daarom) een voorwaardelijk tegenverzoek in. Als de rechtbank oordeelt dat in het bestuur van de stichting voorzien moet worden, verzoekt zij om in plaats van de door de [verzoekers] aangedragen personen in ieder geval [betrokkene 2] en [betrokkene 3] als bestuurders te benoemen. Zij voert daarbij (samengevat) het volgende aan. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn sinds 2015 en 2016 in functie. Zij zijn nauw betrokken bij de stichting en hebben haar financieel gezond en actief gemaakt. Alleen al uit het feit dat er de afgelopen jaren geen bezwaren zijn geuit tegen het bestuur of de wijze van besturen blijkt dat de stelling van de [verzoekers] dat het zittende bestuur ongeschikt zou zijn onjuist is. Gelet op hun ervaring en expertise zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de aangewezen personen om als bestuurders te besluiten over een nieuw bestuur.
De [verzoekers] stellen zich op het standpunt dat dit tegenverzoek moet worden afgewezen. Zij vinden dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet als bestuurder kunnen worden benoemd. Zij voeren daarbij (in hoofdlijnen) dezelfde gronden aan als hiervoor uiteengezet bij het voorwaardelijke verzoek van de [verzoekers] om [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te ontslaan als bestuurder van de stichting.
5. De beoordeling
Algemeen
Artikel 2:299 BW bepaalt dat de rechtbank – telkens wanneer het door de statuten voorgeschreven bestuur van een stichting geheel of gedeeltelijk ontbreekt – op verzoek van iedere belanghebbende of het openbaar ministerie in de vervulling van de ledige plaats kan voorzien. De rechtbank neemt daarbij zoveel mogelijk de statuten van de stichting in acht.
Kunnen de verzoekende partijen worden aangemerkt als belanghebbenden?
Het meest verstrekkende verweer van verweerder is dat de [verzoekers] geen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 2:299 BW zodat zij niet in hun verzoeken ontvangen kunnen worden. Dit verweer faalt.
Iemand is belanghebbende in de zin van artikel 2:299 BW als hij (i) door de uitkomst van de procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij mag opkomen om dit belang te beschermen, (ii) dan wel anderszins zo nauw betrokken is (of is geweest) bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen zijn.
[verzoeker 2] staat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als bestuurder van de stichting. Bij de mondelinge behandeling hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bevestigd dat [verzoeker 2] de laatste jaren betrokken is geweest bij het feitelijk besturen van de stichting en de besluitvorming. Dat blijkt ook uit het feit dat hij werd uitgenodigd voor (bestuurs)vergaderingen. De rechtbank oordeelt dat [verzoeker 2] hiermee zo nauw betrokken is bij het onderwerp van de procedure – te weten beoordelen of het voorgeschreven bestuur ontbreekt en het eventueel voorzien in de vervulling van lege plaatsen – dat hij daarmee voldoende belang heeft om in de procedure te verschijnen.
[verzoeker 1] heeft zelf nooit ingeschreven gestaan als bestuurder. Vaststaat echter dat hij de afgelopen jaren wel betrokken is geweest bij (het bestuur) van de stichting. Zo hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bevestigd dat zij [verzoeker 2] op verzoek van [verzoeker 1] in het bestuur hebben benoemd. Niet betwist is dat [verzoeker 2] als bestuurder (ook) de belangen van het bisdom behartigt. Daarmee heeft de bisschop een belang bij de benoeming van het bestuur van de stichting. Daar komt nog bij dat de stichting al jaren nauw met [verzoeker 1] en zijn voorganger samenwerkt om godsdienstoefeningen voor de Servisch-Orthodoxe Kerk te houden, zozeer zelfs dat de voorganger van [verzoeker 1] zelf lid van het bestuur van de stichting is geweest. Het is duidelijk dat de bisschop een belang heeft bij een goede invulling van het deel van de statutaire doelstelling dat ziet op het oprichten van parochies en het houden van godsdienstoefeningen. Gelet op al het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat ook hij voldoende belang heeft om in de procedure te verschijnen.
Nu zowel [verzoeker 2] als [verzoeker 1] als belanghebbende kunnen worden aangemerkt, kan het verzoek inhoudelijk worden behandeld.
De stichting heeft op dit moment geen bestuur
Het verzoek van de [verzoekers] om te voorzien in de vervulling van ledige plaatsen in het bestuur komt alleen voor toewijzing in aanmerking wanneer het door de statuten voorgeschreven bestuur van de stichting geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
Verweerder betwist dat het bestuur ontbreekt. Zij voert aan dat uit de statuten en de wet niet volgt dat bij het verstrijken van de benoemingstermijn van twee jaar het bestuurslidmaatschap eindigt. Daarbij brengt zijn naar voren dat artikel 4 lid 5 van de statuten een limitatieve opsomming geeft van de gronden die het lidmaatschap van het bestuur doen eindigen. Het verstrijken van de periode van benoeming staat daar niet bij. De rechtbank volgt verweerder hierin niet.
Artikel 4 lid 5 van de statuten luidt:
Behoudens het in het voorgaande bepaalde eindigt het bestuurslidmaatschap door opzegging bij aangetekend schrijven, overlijden of roiement. (onderstreping door de rechtbank)
Uit de passage “Behoudens het in het voorgaande bepaalde” volgt naar het oordeel van de rechtbank dat opzegging, overlijden en royement niet de enige omstandigheden zijn die het bestuurslidmaatschap doen eindigen. Een redelijke uitleg van het artikel brengt met zich mee dat “behoudens het in het voorgaande bepaalde” ziet op de eerste zin van artikel 4 lid 3:
Bestuursleden worden benoemd voor een periode van 2 (twee) jaar.
Andere voorgaande leden en artikelen zien duidelijk niet op de duur of het einde van het bestuurslidmaatschap. Daarmee brengt het verstrijken van de termijn van twee jaar het einde van het bestuurslidmaatschap met zich. Als de statutaire zittingstermijn van een bestuurder is verlopen defungeert hij van rechtswege.
Verweerder heeft in dit kader aangevoerd dat uit de rechtspraak volgt dat het bestuurslidmaatschap alleen eindigt als de statuten een maximale statutaire zittingstermijn bepalen en dat de statuten van de stichting geen maximale zittingstermijn bevatten. Die stelling doet echter niet af aan de redelijke uitleg van de statuten van de stichting als hiervoor uiteengezet. Daarbij komt dat (bijvoorbeeld) de rechtbank Overijssel in een zaak waarin geen sprake was van een maximale statutaire zittingstermijn heeft geoordeeld dat het bestuurderschap eindigde door het verstrijken van de periode van benoeming.
Omdat het bestuurslidmaatschap na het verstrijken van de periode van twee jaar na benoeming van rechtswege eindigt, is het bestuurslidmaatschap van [betrokkene 2] van rechtswege geëindigd op 26 oktober 2017 en het bestuurslidmaatschap van [betrokkene 3] op 10 april 2018. Omdat bestuursleden worden benoemd door zittende bestuursleden konden zij daarmee in 2023 in beginsel niet [verzoeker 2] benoemen als bestuurder. Voor zover [verzoeker 2] wel rechtsgeldig benoemd zou zijn, is zijn bestuurslidmaatschap op 10 februari 2025 van rechtswege geëindigd. Daarmee waren er in april 2026 geen bestuursleden aanwezig die de heren [betrokkene 6] en [betrokkene 4] als bestuurder konden benoemen. Dat betekent in beginsel dat de stichting in beginsel geen bestuur heeft.
Dat is anders als – zoals verweerder heeft aangevoerd – [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bij gelegenheid steeds zijn herbenoemd. Als dat het geval is, zijn zij steeds bestuurder gebleven en konden zij in 2023 [verzoeker 2] benoemen en in 2026 mogelijk ook [betrokkene 6] en [betrokkene 4] . De rechtbank volgt verweerder echter niet in dit betoog.
Een benoemingsbesluit kan impliciet worden genomen, maar dat vergt dan wel dat feiten en omstandigheden zijn gesteld die daarop duidelijk wijzen. Gedragingen van de desbetreffende bestuurder alleen volstaan daarvoor niet. Er moet uit de feiten en omstandigheden een besluit kunnen worden geconstrueerd. Het is aan verweerder om te onderbouwen dat die feiten of omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar zij heeft daarover – ook nadat zij daarnaar bij de mondelinge behandeling is gevraagd – niets aangevoerd. De enkele voortdurende inschrijving van bestuurders in het handelsregister is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een impliciete herbenoeming.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de stichting momenteel geen bestuur heeft.
Dat [verzoeker 1] in 2023 aan [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft gevraagd om [verzoeker 2] te benoemen, maakt niet dat de rechtbank kan aannemen dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op dat moment toen nog bestuurder waren. Hun bestuurslidmaatschap was immers van rechtswege geëindigd. De (onjuiste) veronderstelling die [verzoeker 1] toen had, maakt niet dat de [verzoekers] nu niet kunnen verzoeken om te voorzien in het bestuur van de stichting. Die doet er immers niet aan af dat de stichting nu geen bestuur heeft en verzoekers er belang bij (kunnen) hebben dat in dat bestuur wordt voorzien.
Omdat de rechtbank oordeelt dat de stichting geen bestuur heeft, zal de rechtbank het subsidiaire voorwaardelijk verzoek van de [verzoekers] om [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 6] en [betrokkene 4] te ontslaan niet behandelen. Aan de voorwaarde die de [verzoekers] onder dit verzoek hebben gelegd, is niet voldaan.
Benoeming van het bestuur
Omdat hiervoor is geoordeeld dat de stichting momenteel geen (rechtsgeldig benoemd) bestuur heeft, zal de rechtbank – zoals door beide partijen verzocht – in de vervulling van het bestuur voorzien. Artikel 4 lid 1 van de statuten bepaalt dat de stichting wordt bestuurd door ten minste drie personen. De rechtbank zal daarom drie personen benoemen om in de ledige plaats(en) te voorzien.
De rechtbank volgt de [verzoekers] niet in hun standpunt dat het op grond van het canonieke recht aan [verzoeker 1] is om het bestuur te benoemen. In de statuten staat een andersluidende regeling voor het benoemen van het bestuur. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat de statutaire doelomschrijving van de stichting meer omvat dan het oprichten van parochies en het bekendmaken van het geloofsbezit in Nederland. De stichting heeft namelijk ook tot doel de “Servische Kultuur” in Nederland bekend te maken. Daarmee heeft de stichting ook een seculiere doelstelling. Mede vanwege die bredere doelstelling zal de rechtbank met toepassing van artikel 2:299 BW de bestuurders van de stichting benoemen.
De rechtbank acht het standpunt van de [verzoekers] dat gelet op de moeizame relatie en het ontstane conflict een (vrijwel) geheel nieuw bestuur gevormd zou moeten worden, op zichzelf begrijpelijk. Het is duidelijk dat partijen elkaar over een weer verwijten maken en dat de emoties daarbij soms hoog oplopen. De benoeming van een vrijwel geheel nieuw bestuur (alleen [verzoeker 2] blijft in de voordracht van de [verzoekers] bestuurder) zou echter ten koste gaan van de continuïteit van de stichting, terwijl continuïteit gelet op de in het verleden gerealiseerde – door de [verzoekers] niet betwiste – verbeteringen van groot belang is.
Met het oog op die gewenste continuïteit zal de rechtbank de drie personen tot bestuurder benoemen die de stichting in de afgelopen jaren feitelijk hebben bestuurd: [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [verzoeker 2] . Zij hebben de ervaring en gebleken expertise om het bestuur van de stichting te voeren. Daarbij is het de rechtbank wel duidelijk geworden dat deze drie bestuurders niet hetzelfde denken over de wijze waarop de stichting haar doelstellingen moet vervullen. De rechtbank geeft het bestuur daarom in overweging om met elkaar, maar ook met [verzoeker 1] , in overleg te treden over de toekomst waarin de stichting en de eparchie in goede samenwerking opkomen voor het geloofsbezit van de Servisch Orthodoxe Kerk in Nederland.
Zoals hiervoor uiteengezet, hebben de [verzoekers] aangevoerd dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] geen bestuurder meer van de stichting kunnen zijn omdat zij hun taak verwaarlozen en omdat er andere gewichtige redenen in de weg staan.
Zij voeren daarbij allereerst aan dat zij zich niet richten naar het belang van de stichting als vastgelegd in artikel 3 van de statuten door de confrontatie met de kerkelijke autoriteit te zoeken. De rechtbank volgt de [verzoekers] hierin niet. Het is de rechtbank – ook na navraag bij de mondelinge behandeling – niet duidelijk geworden op welke wijze [betrokkene 2] en [betrokkene 3] die confrontatie hebben gezocht en de samenwerking met [verzoeker 1] onmogelijk hebben gemaakt. Wat de [verzoekers] hen daarin nu precies verwijten, anders dan dat ze [verzoeker 1] niet in alles volgen, is vooral in algemene termen als ‘het creëren van een toxische sfeer’ toegelicht.
[verzoeker 1] wijst er wel op dat hij aangifte heeft gedaan toen hij onheus en zonder respect bejegend werd. In het dossier bevindt zich een aangifte van 31 maart 2026. In die aangifte verklaart [verzoeker 1] (onder meer) dat op 15 maart 2026 in de kerkelijke zaal het volgende is voorgevallen:
Tijdens mijn uitleg begon er een man te schreeuwen. Dit betrof [betrokkene 5] . Ik zag hem iets met zijn colbert doen. Ik zag ook dat [betrokkene 5] zijn armen omwijd boven zijn hoofd hield. Ik zag dat hij op mij afkwam. Ik hoorde dat [betrokkene 5] bleef schreeuwen terwijl hij op mij af kwam. Ik zag dat [betrokkene 5] mij wilde slaan. Dit is uiteindelijk niet gelukt. [betrokkene 5] heeft ook geschreeuwd dat hij mij wilde opsluiten.
(…)
Ik voelde mij bedreigt en toch ook wat beledigd.
(…)
De aangifte doen wij als Bisdom ook om te laten zien dat dit gedrag niet thuis hoort in de kerk. Als [betrokkene 5] blijft komen en dit gedrag blijft vertonen willen wij [betrokkene 5] de toegang tot onze kerk ontzeggen.
Deze aangifte richt zich tegen de heer [betrokkene 5] . De daarin beschreven (mogelijke) handelingen moeten aan hem worden toegerekend en niet aan [betrokkene 3] . Zij staan dan ook niet in de weg aan de benoeming van [betrokkene 3] tot bestuurder. Dat in het verleden mogelijk ten onrechte (de [verzoekers] hebben dit niet toegelicht) is verzuimd om de ANBI-status aan te vragen is mogelijk onzorgvuldig, maar geen reden om
– bij hetgeen zij sinds 2016 hebben bereikt – te oordelen dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] geen goede bestuurders voor de stichting zijn.
Andere gewichtige redenen om [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niet te benoemen tot bestuurders zijn volgens de [verzoekers] gelegen in de ernstig verstoorde verhoudingen. Alleen als de stichting in lijn handelt met leer, liturgie en ecclesiologie van de kerk kan zij functioneren. Dat houdt in dat het beleid van de bisschop moet worden gevolgd, maar [betrokkene 2] en [betrokkene 3] weigeren dat. Verweerder heeft dit echter met klem weersproken. Zij heeft verklaard dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] met de bisschop wil samenwerken en wijst er op dat zij met de vorige bisschop goed konden samenwerken. Dat moet ook mogelijk zijn met [verzoeker 1] .
Vaststaat dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] de stichting (feitelijk) al vele jaren besturen. Niet is onderbouwd dat zij als bestuurders de belangen van de stichting niet goed hebben behartigd of dat niet langer goed doen. Ook na diverse vragen hierover van de rechtbank ter zitting hebben de [verzoekers] dit niet onderbouwd. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat het bestuur, en dan met name [betrokkene 2] en [betrokkene 3], de stichting de afgelopen 10 jaar hebben opgebouwd van een kleine organisatie met veel schulden naar een actieve organisatie die financieel gezond is.
De [verzoekers] hebben wel aangevoerd dat de parochie verdeeld is, maar de parochie is niet gelijk te stellen met de stichting. Daarbij betwist verweerder die verdeeldheid en is niet duidelijk geworden wat die eventuele verdeling nu veroorzaakt. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is aangevoerd komt vooral de indruk naar voren dat er een conflict is ontstaan tussen [verzoeker 1] en het bestuur van de stichting.
Door [verzoeker 1] is ter zitting naar voren gebracht dat de stichting zal eindigen als zijn verzoek niet wordt toegewezen. In dat geval zal hij zijn zegen onttrekken aan het houden van de Goddelijke Liturgie, waardoor de stichting geen recht meer heeft op het houden van godsdienstuitoefeningen. Dat is een gedraging die zich bevindt in de invloedsfeer van de bisschop.
De rechtbank moet voorzien in een goed bestuur. Daarom zal de rechtbank de drie personen benoemen die de stichting de afgelopen jaren feitelijk hebben bestuurd en van wie de ervaring en de expertise zijn gebleken. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben ter zitting verklaard dat de samenwerking met [verzoeker 2] als bestuurder op afstand goed verloopt.
Proceskosten
Omdat partijen over en weer deels in het ongelijk gesteld worden, zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De rechtbank
benoemt tot bestuurslid van de stichting Stichting Servisch Orthodoxe Kerk in Nederland, statutair gevestigd te Zaandam:
- [verzoeker 2] , geboren op [geboortedatum 1] 1985,
- [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1983,
- [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum 3] 1973,
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
gelast de griffier nadat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, deze in te schrijven in het in artikel 2:289 BW genoemde register,
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.
1155