RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem, zittingslocatie Alkmaar
Zaaknummers:
C/15/339514 / FA RK 23-2080 (echtscheiding)
C/15/341957 FA RK 23/3328 (verdeling huwelijksvermogen)
Datum uitspraak: 1 juli 2026
Beschikking echtscheiding
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen de man,
volgens de Basisregistratie Personen (BRP) een briefadres houdend in [plaats] ,
feitelijk verblijvend op een onbekende woon-of verblijfplaats,
advocaat sinds 26 februari 2026 mr. M.J. Meijer uit Haarlem,
en
[de vrouw] ,
volgens de huwelijksakte en blijkens de processtukken genaamd: [de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [plaats] ,
advocaat mr. E.E. Tiebie uit Heerhugowaard.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de man, ontvangen op 1 mei 2023;
het verweerschrift van de vrouw met bijlage(n), met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 31 juli 2023;
het verweerschrift van de man met bijlage(n) op de zelfstandige verzoeken van de man, ontvangen op 21 september 2023;
het aanvullend verzoekschrift van de vrouw met bijlage(n), ontvangen op 11 december 2024;
het bericht van de vrouw met bijlage ontvangen op 30 december 2024;
het bericht van de Raad van 17 februari 2026;
het aanvullende verzoekschrift van de vrouw, tevens houdende een wijziging van eerdere verzoeken met bijlage(n) ontvangen op 19 mei 2026;
het verweerschrift van de man op de gewijzigde- en aanvullende verzoeken van de vrouw, tevens aanvullend verzoek van de man, ontvangen op 28 mei 2026;
het bericht van de vrouw, tevens wijziging zelfstandige verzoeken, van 1 juni 2026.
De man heeft ook in persoon een veelheid aan stukken ingediend, waaronder enkele ongedateerde stukken. Het betreft:
het bericht van de man met bijlage(n), ontvangen op 17 januari 2025;
het bericht van de man met bijlage(n) ontvangen op 11 augustus 2025;
het bericht van de man van 23 september 2025;
het bericht van de man ontvangen op 30 september 2025;
het bericht van de man van 18 december 2025;
het bericht van de man van 27 maart 2026;
het e-mailbericht van de man van 11 april 2026;
het bericht van de man van 15 april 2026.
Volgens het procesreglement echtscheidingen en het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt er verplichte procesvertegenwoordiging in een echtscheidingsprocedure. Dat wil zeggen dat proceshandelingen, zoals het indienen van een verzoekschrift en een verweerschrift, enkel door een advocaat kunnen worden verricht. Afzonderlijke stukken kunnen wel in persoon worden ingediend, maar daarvan moet dan duidelijk zijn ter onderbouwing van welk verzoek of verweer het kan dienen. In dit geval is voor de rechtbank niet duidelijk in hoeverre de stukken van de man zijn bedoeld om zijn verzoeken en verweer te onderbouwen en wat de relevantie daarvan is voor deze procedure. Gelet daarop neemt de rechtbank deze stukken niet mee in haar beoordeling.
Mr. Meijer heeft zich op 26 februari 2026, na tussenkomst van de deken, gesteld als advocaat van de man. De man heeft tijdens deze procedure verschillende advocaten gehad, maar hij had een lange periode geen advocaat.
De man heeft de rechtbank meerdere keren in persoon verzocht uitstel te verlenen voor de zitting. Deze verzoeken zijn afgewezen. Het laatste verzoek tot het verlenen van uitstel dat afkomstig was van mr. Meijer is wel toegewezen door de rechtbank, waardoor de eerder geplande zitting van 16 maart 2026 geen doorgang heeft gevonden.
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
de man bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Roemeense taal;
de vrouw bijgestaan door haar advocaat.
De rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: De Raad) uitgenodigd om ter advisering van de rechtbank aanwezig te zijn op de mondelinge behandeling van 3 juni 2026. De Raad heeft aangegeven daartoe vanwege capaciteitsproblemen niet in staat te zijn. Desgevraagd heeft de Raad de rechtbank op 2 juni 2026 laten weten dat het beschermingsonderzoek naar [de minderjarige] zich in de afrondende fase bevindt, maar dat de inhoud daarvan nog niet kan worden gedeeld omdat deze eerst moet worden gedeeld met de ouders. Wat de Raad wel kan delen, is dat de Raad de zorgen die de vrouw uit over de man serieus neemt en dat de Raad zorgen heeft over het welzijn van [de minderjarige] . De Raad heeft aangegeven te overwegen het raadsonderzoek uit te breiden naar een onderzoek naar beëindiging van het gezag (naar de rechtbank begrijpt:) van de man. Tot slot heeft de Raad aangegeven dat de Raad geen uitspraken kan doen over de omgang tussen [de minderjarige] en haar vader, omdat deze vraag de Raad formeel niet voorligt. De rechtbank heeft deze informatie van de Raad voorafgaand aan de zitting en op de zitting met partijen gedeeld.
Gelet op het voorliggende verzoek van de vrouw tot het ontzeggen van het recht van de man op omgang met [de minderjarige] , en met het oog op het nog lopende beschermingsonderzoek, heeft de rechtbank na de zitting bij proces-verbaal van de mondelinge behandeling met gesloten deuren van 3 juni 2026 de Raad verzocht het lopende onderzoek uit te breiden met een onderzoek naar de zorgregeling. Daarbij heeft de rechtbank de Raad de volgende onderzoeksvragen meegegeven:
is een verdeling van zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) tussen [de minderjarige] en de man in het belang van de minderjarige?;
indien een zorgregeling in het belang van de minderjarige wordt geacht, op welke wijze dient deze dan te worden vormgegeven? Hierbij dient de Raad in ieder geval te adviseren over de duur, frequentie, en eventuele noodzaak van begeleiding tijdens het contact.
2. Wat vaststaat
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] in [plaats] ( [land] ).
De man en de vrouw hebben de Roemeense nationaliteit.
Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] .
Bij beschikking van 14 juli 2023 is het verzoek van de vrouw tot het verkrijgen van het uitsluitend gebruik van de woning afgewezen, ten gevolge waarvan de overige verzochte voorlopige voorzieningen (toevertrouwing [de minderjarige] , het vaststellen van een zorgregeling en het vaststellen van een kinderbijdrage) ook zijn afgewezen.
Bij beschikking van 22 december 2023 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorzieningen bepaald dat:
[de minderjarige] wordt toevertrouwd aan de vrouw;
er een verdeling van zorg- en opvoedstaken (hierna: zorgregeling) geldt waarbij [de minderjarige] vanaf het moment dat de man geschikte woonruimte heeft de ene week bij de man zal verblijven en de andere week bij de vrouw zal verblijven;
de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning;
de man € 25 per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging- en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van [de minderjarige] .
Bij vonnis in kort geding van 8 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter – kort samengevat en voor thans van belang -:
de vrouw gemachtigd om de echtelijke woning van partijen te gelde te maken;
de man bevolen zijn medewerking te verlenen aan de verdeling bij helfte van de netto verkoopopbrengst (na aflossing hypothecaire geldlening en voldoen van de aan de verkoop verbonden kosten);
de vrouw een vervangende verklaring tot toestemming gegeven – die de toestemming van de man vervangt – conform artikel 34 lid 2 Paspoortwet in het kader van de verkrijging van een paspoort voor [de minderjarige] ;
de man veroordeeld om aan de vrouw het verlopen paspoort van [de minderjarige] en haar geboorteakte af te geven binnen een week na betekening van het vonnis, op straffe van een dwangsom.
Bij beschikking van 6 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding:
de vrouw vervangende toestemming verleend om naar [land] te reizen en aldaar te verblijven van 13 augustus 2025 tot en met 24 augustus 2025;
de man verboden om zich gedurende twaalf maanden vanaf de dag van betekening van het vonnis zich in de straat dan wel op 250 meter van de woning van de vouw, staande en gelegen aan [adres] , te bevinden;
een dwangsom opgelegd tot betaling van € 250 per overtreding van het voornoemde verbod tot een maximum van € 10.000 is bereikt;
bepaald dat de vrouw [de minderjarige] op de woensdagen en donderdagen in de ochtend van [plaats] naar school in [plaats] brengt, waar een wisselmoment plaatsvindt bij de ingang van het schoolplein, waarbij vervolgens de man [de minderjarige] naar binnen brengt, de man [de minderjarige] ook weer ophaalt na schooltijd (14.00 uur) en haar vervolgens om 16.00 uur weer terugbrengt bij de ingang van het schoolplein, waar de vrouw [de minderjarige] vervolgens ophaalt.
Bij beschikking van 10 februari 2026 heeft de rechtbank:
de vrouw vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven op basisschool [basisschool] ;
de vrouw vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven bij een huisarts in [plaats] ;
bepaald, met wijziging in zoverre van het hierboven genoemde vonnis van de voorzieningenrechter van 6 augustus 2025, de volgende verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast:
[de minderjarige] verblijft – met ingang van de datum dat [de minderjarige] haar eerste schooldag op basisschool [basisschool] heeft – bij de man elke woensdag en donderdag, waarbij de vader [de minderjarige] om 14.00 uur van school haalt en haar vervolgens om 16.00 uur weer terugbrengt bij de ingang van de basisschool, waar de moeder [de minderjarige] ophaalt.
Bij proces-verbaal van de zitting in kort geding van 20 maart 2026, houdende een mondeling vonnis, blijkt dat de voorzieningenrechter aan de vrouw vervangende toestemming heeft verleend om [de minderjarige] te laten behandelen aan haar gebit onder narcose door de kinderarts van Tandartspraktijk [Tandartspraktijk] .
3. De beoordeling
Echtscheiding
De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen en Nederlands recht is van toepassing.
Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding ook al ontbreekt een ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank de verzoeken tot echtscheiding in behandeling neemt. Vanwege de ernstig verstoorde communicatie (het al langdurig ontbreken van contact) tussen partijen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken.
De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
De vrouw heeft aangegeven dat het voor een in [land] te starten procedure noodzakelijk is dat de rechtbank in de beschikking opneemt dat de vrouw voornemens is haar achternaam [achternaam] (terug) te wijzigen in haar meisjesnaam [meisjesnaam] . Gelet daarop neemt de rechtbank haar voornemen hier in de beschikking op.
Gezag
De rechtbank stelt vast dat zij als rechter bevoegd is om met toepassing van het Nederlandse recht te beslissen over [de minderjarige] , nu zij in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft.
De vrouw verzoekt het gezag te wijzigen, in die zin dat zij voortaan alleen met het gezag over [de minderjarige] is belast. Dat betekent dat zij dan alleen de beslissingen over [de minderjarige] mag nemen. De man voert hiertegen verweer.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en overweegt daartoe als volgt. Tijdens de echtscheidingsprocedure, die inmiddels ruim drie jaar geleden is gestart, is duidelijk geworden dat het partijen structureel niet lukt om het eens te worden over gezagsbeslissingen. Dit blijkt al uit de vele procedures die de vrouw heeft moeten starten om vervangende toestemming te verkrijgen voor het nemen van diverse gezagsbeslissingen over [de minderjarige] (zie onder 2. van deze beschikking). Ook in de onderhavige echtscheidingsprocedure zijn aanvullende verzoeken gedaan tot het verkrijgen van vervangende toestemming. Er is geen enkele communicatie tussen partijen. De hulpverlening die via de gemeente is betrokken, heeft herhaaldelijk geprobeerd om partijen te begeleiden bij het verbeteren van de situatie, maar dat is niet gelukt. De rechtbank constateert dat als gevolg van het gebrek aan communicatie tussen partijen de belangrijke beslissingen over [de minderjarige] niet met de benodigde voortvarendheid worden genomen. De rechtbank vindt daarbij belangrijk om te benoemen dat de genoemde procedures niet alleen gingen over toestemming voor vakanties en het paspoort van [de minderjarige] , maar ook fundamentelere beslissingen zoals het verlenen van toestemming voor een medische behandeling en inschrijving op een basisschool en bij een huisarts, betroffen. Doordat de man zijn toestemming niet verleende, heeft bijvoorbeeld een voor [de minderjarige] noodzakelijke tandheelkundige behandeling vertraging opgelopen. Dit is niet in het belang van [de minderjarige] . Met deze procedures is voorts een patroon zichtbaar geworden waarin de man niet reageert, zijn toestemming onthoudt of daaraan (onduidelijke dan wel onmogelijke) voorwaarden verbindt. Ook de rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling ervaren dat het moeilijk is om met de man in gesprek te gaan en vragen beantwoord te krijgen. Dat communiceren met de man ingewikkeld is, blijkt ook uit de verklaring van de man ter zitting dat hij de gemeente inmiddels niet meer mag bellen en dat hij verschillende advocaten heeft gehad omdat zij niet met hem konden communiceren. Om te komen tot juridische bijstand was tussenkomst van de deken uiteindelijk noodzakelijk. De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop de man zich opstelt de uitoefening van het gezag belemmert, omdat voor de uitoefening van het gezag niet alleen overleg en samenwerking met de vrouw nodig is maar ook met bijvoorbeeld school en instanties.
De rechtbank overweegt voorts dat zij niet verwacht dat deze situatie op korte termijn zal verbeteren. De problematiek tussen partijen bestaat namelijk al jarenlang en uit de stukken blijkt dat al langdurig hulpverlening in het vrijwillig kader betrokken is geweest. Eerst vanuit het wijkteam van de gemeente [gemeente] en later vanuit het wijkteam van de gemeente [gemeente] . Uiteindelijk heeft het wijkteam van de gemeente [gemeente] geconcludeerd dat het vrijwillig kader niet meer afdoende is en is opgeschaald naar de beschermtafel waarbij de Raad is verzocht om een beschermingsonderzoek te verrichten.
Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat zij zich bij de totstandkoming van deze beslissing heeft gebogen over de vraag hoe de beëindiging van het gezag van de man zich verhoudt tot het mogelijk uitspreken van een ondertoezichtstelling als het beschermingsonderzoek daartoe concludeert. Hoewel het betrekken en aansturen van ouders binnen een ondertoezichtstelling effectiever verloopt als sprake is van een gezagsverhouding (bijvoorbeeld via het geven van een schriftelijke aanwijzing), acht de rechtbank het belang van [de minderjarige] op dit moment meer gediend als de gezagsbeslissingen over haar sneller kunnen worden genomen. De rechtbank heeft ten slotte geen aanleiding om te betwijfelen dat de vrouw bij de uitoefening van het gezag het in het belang van [de minderjarige] zal handelen. De man heeft zorgen geuit over de opvoedsituatie bij de vrouw, maar hij heeft nagelaten om deze te onderbouwen. Bovendien blijkt uit de stukken dat Veilig Thuis reeds onderzoek heeft verricht naar die opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de vrouw thuis en daaruit zijn geen zorgen naar voren gekomen.
De wijziging van het gezag gaat in nadat de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De griffier moet de gezagsbeslissing daarna in het gezagsregister aantekenen. De rechtbank verzoekt daarom partijen een bewijs van inschrijving van deze beschikking te sturen aan de griffie van de rechtbank.
Hoofdverblijfplaats
De rechtbank stelt in dit geval vast dat zij als rechter bevoegd is om met toepassing van het Nederlandse recht te beslissen over het minderjarige kind van partijen, nu zij in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft.
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. De man verzoekt te bepalen dat [de minderjarige] hoofdverblijfplaats bij hem heeft.
Gelet op de beslissing over het gezag, behoeft er op deze verzoeken niet meer te worden beslist.
Zorgregeling
De rechtbank stelt in dit geval vast dat zij als rechter bevoegd is om met toepassing van het Nederlandse recht te beslissen over het minderjarige kind van partijen, nu zij in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft.
De vrouw verzoekt het recht van de man tot het hebben van omgang met [de minderjarige] te ontzeggen, subsidiair te bepalen dat er begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de man zal plaatsvinden een keer in de twee weken twee uur dan wel meer subsidiair te bepalen dat er een zorgregeling zal gelden inhoudende dat [de minderjarige] en de man elke woensdag en donderdag omgang hebben met elkaar, waarbij de vader [de minderjarige] om 14:00 uur van school ( [basisschool] ) ophaalt en haar vervolgens om 16:00 uur weer terugbrengt bij de ingang van het Schoolplein ( [basisschool] ), waar de vrouw [de minderjarige] vervolgens ophaalt.
De man verweert zich hiertegen. De man betwist de zorgen die de vrouw over hem uit. Daarnaast heeft hij zorgen over de opvoedsituatie bij de vrouw, waaronder de schadelijke rol van haar nieuwe partner tijdens de overdrachtsmomenten. De man wil niet dat de omgang verder wordt ingeperkt. [de minderjarige] mag geen betekenisvol en frequent contact met haar vader worden ontzegd. De man meent dat herstel van een werkelijk co-ouderschapskader nodig is. Hij realiseert zich echter dat zijn woonsituatie daarvoor niet ideaal is, maar wijst erop dat dit een noodgedwongen situatie is en dat de toedracht daarvan (onder andere de gedwongen verkoop van de woning) moet worden meegewogen. De man vraagt daarom voor nu een duidelijke en ruime regeling met een reëel pad naar uitbreiding zodra zijn huisvestingssituatie dit toelaat.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft diverse zorgen geuit over de omgang tussen [de minderjarige] en de man. Voor zover deze zorgen zien op de fysieke veiligheid van [de minderjarige] , heeft de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd dat deze zorgen bestaan en dat deze een beperking van de omgang rechtvaardigen. Zo geeft de vrouw over de fysieke veiligheid van [de minderjarige] bijvoorbeeld aan dat de man geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, zodat de contactmomenten buiten plaatsvinden. De vrouw geeft aan dat [de minderjarige] onlangs huilend van de kou op de overdrachtsplaats aankwam. De man was met [de minderjarige] buiten gebleven en had rondgereden op een fat bike zonder helm, aldus de vrouw. Deze (niet onderbouwde en weersproken) zorgen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om een beperking van de omgang op te baseren.
De rechtbank heeft wel zorgen over de emotionele veiligheid van [de minderjarige] tijdens de omgang met haar vader. De rechtbank acht voorstelbaar dat [de minderjarige] worstelt met een loyaliteitsconflict door de boosheid en de negatieve uitlatingen van de man over het handelen van de vrouw en de rechtbank vraagt zich af of de man in emotioneel opzicht voldoende in staat is om aan te sluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft. Om meer zicht te krijgen op deze zorgen en de impact daarvan op de toekomstige omgangsregeling, heeft de rechtbank de Raad reeds verzocht het lopende beschermingsonderzoek uit te breiden met een onderzoek naar de omgang tussen [de minderjarige] en de man. De uitkomsten van dit onderzoek zullen moeten worden afgewacht, voordat er een beslissing kan worden genomen over de definitieve omgangsregeling. Deze beslissing zal daarom worden aangehouden.
Over een voorlopige omgangsregeling overweegt de rechtbank het volgende. Voor de rechtbank is op dit moment niet evident dat de zorgen over de emotionele veiligheid van [de minderjarige] zodanig zijn dat de omgang in het geheel moet worden ontzegd. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de vrouw heeft aangegeven dat zij weliswaar zorgen heeft, maar dat zij ook ziet dat [de minderjarige] het leuk heeft bij haar vader. Onder deze omstandigheden wil de rechtbank, gelet op het belang van [de minderjarige] , voorzichtigheid betrachten bij het nemen van een beslissing die direct (ontzegging) of indirect (omgangsbegeleiding) leidt tot een omgangsstop. Immers ligt ook in het geval van het opstarten van omgangsbegeleiding een tijdelijke onderbreking van de omgang op de loer, omdat er tijd nodig is om dit te regelen en wachtlijsten bij organisaties die dit faciliteren gebruikelijk zijn. Omdat de rechtbank anderzijds wel zorgen heeft over de omgangsmomenten, zal zij de huidige omgang van twee keer per week twee uur terugbrengen naar één keer per week twee uur. Dit betekent dat de rechtbank zal bepalen dat de omgang zoals die tot nu toe gold voorlopig zal plaatsvinden op de woensdag van 14.00 uur tot 16.00, en niet langer op de donderdag, onder gelijke omstandigheden als daarvoor en zoals hierna bepaald.
Vervangende toestemming vakanties en inschrijving buitenschoolse opvang (BSO)
De rechtbank stelt in dit geval vast dat zij als rechter bevoegd is om met toepassing van het Nederlandse recht te beslissen over de nagenoemde verzoeken omdat [de minderjarige] in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft.
De rechtbank liggen de volgende verzoeken voor:
De verzoeken van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor:
de vakanties naar [plaats] , [land] van 11 tot en met 31 juli 2026 en voor de vakantie naar [land] van 24 juli tot en met 22 augustus 2027;
de inschrijving op de BSO [BSO] in [plaats]
Het verzoek van de man tot:
- het verlenen van vervangende toestemming voor een vakantie naar [plaats] , [land] in de periode 27 juli 2026 tot en met 16 augustus 2026.
De man heeft aangegeven dat voor zover de rechtbank de vrouw vervangende toestemming verleent tot het op vakantie gaan met [de minderjarige] , hij verzoekt voorwaarden te verbinden over informatieverstrekking, het overleggen van volledige reis- en verblijfgegevens, gegevens van begeleidende personen, bereikbaarheid tijdens de reist, en een regeling die waarborgt dat de man ook op vakantie kan met [de minderjarige] .
Gelet op de beslissing over het gezag en het gegeven dat het nog even zal duren voordat deze beslissing in werking treedt (door inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand), neemt de rechtbank de verzoeken van de vrouw over de vervangende toestemming vakantie naar [land] en voor de inschrijving op de BSO in behandeling en overweegt daarover het volgende. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij met de vrouw op vakantie kan gaan naar [land] en dat zij ingeschreven kan worden bij de genoemde BSO. De rechtbank ziet geen aanleiding om alle door de man genoemde voorwaarden te verbinden aan de vakantie van de vrouw naar [land] . De man is reeds op de hoogte van de verblijfplaats van de vrouw en de periode dat zij weg zal zijn. De vrouw heeft laten weten dat het exacte adres is: [adres] . Wel zal de rechtbank bepalen dat er eens per week telefonisch contact (zo mogelijk via video) zal zijn tussen [de minderjarige] en de man, waarbij het uitgangspunt is dat dit plaatsvindt op woensdag op een tijdstip tussen 14:00 en 16:00 uur. Op die manier wordt gewaarborgd dat het contact tussen de man en [de minderjarige] wordt gecontinueerd, ook als zij op vakantie is. Ten aanzien van de inschrijving van [de minderjarige] op de BSO overweegt de rechtbank dat zij voorbij gaat aan het standpunt van de man dat inschrijving op een BSO niet nodig is, omdat hij de zorg voor [de minderjarige] op de dagen dat de vrouw werkt zelf kan en wil dragen. Gelet op de huidige zorgen over de omgang is het vormgeven van de zorg door de man voor [de minderjarige] op die dagen thans niet aan de orde.
Het verzoek van de vrouw over de vakantie naar [land] zal de rechtbank afwijzen. Deze vakantie ligt nog dusdanig ver in de toekomst dat daarover geen beslissing kan worden genomen. Niet duidelijk is immers wat tegen die tijd wel of niet in het belang van [de minderjarige] zal zijn. Daarnaast zal de vrouw naar verwachting tegen die tijd belast zijn met het eenhoofdig gezag. Het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor een vakantie naar [land] zal de rechtbank afwijzen. Gelet op de beslissing over de zorgregeling is een verblijf van [de minderjarige] van meerdere dagen bij de man thans niet aan de orde.
Kinderalimentatie en achterstallige kinderalimentatie
De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat de alimentatie bij wijze van nevenvoorziening wordt gevraagd en de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft ten aanzien van de echtscheiding.
Omdat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft en zij in deze procedure de onderhoudsgerechtigde is, past de rechtbank het Nederlands recht toe.
De vrouw verzoekt vast te stellen dat de man een bedrag van € 462,42 per maand aan kinderalimentatie aan haar betaalt vanaf de datum van deze beschikking. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw € 100 per maand bij vooruitbetaling dient te betalen aan de man bij wijze van kinderalimentatie. Daarnaast verzoekt de vrouw de rechtbank te bepalen dat de man de achterstallige alimentatie van 22 december 2023 tot aan de datum van de te wijzen beschikking, maar in ieder geval de achterstallige alimentatie van € 816,78 aan de vrouw dient te voldoen binnen twee weken na de te wijzen beschikking.
Achterstallige kinderalimentatie
De vrouw stelt dat de kinderalimentatie van € 25 per maand niet door de man is betaald sinds de vaststelling ervan waardoor een achterstand is ontstaan van € 816,78 over de periode van 22 december 2023 tot en met 3 juni 2026. Desgevraagd heeft de man hierover verklaard dat hij de vastgestelde kinderalimentatie niet wil voldoen omdat de vrouw dit geld gebruikt voor drank en drugs. De man heeft de hoogte van de gestelde achterstand niet betwist, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. Onder deze omstandigheden en nu de vrouw daarbij een belang heeft (zodat zij deze schuld daadwerkelijk kan innen) zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
De rechtbank zal, conform het verzoek daartoe, als ingangsdatum van de te betalen kinderalimentatie de datum van deze beschikking hanteren.
Behoefte
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Partijen hebben hierover wisselende standpunten ingenomen, waarbij de vrouw meent dat het inkomen van de man € 3.000 netto per maand was en de man aangeeft dat dit € 1000 netto per maand was. Kijkend naar de IB aangifte 2022 waaruit een DGA-loon van € 12.361 bruto per jaar blijkt en een winst uit onderneming van € 2.217, acht de rechtbank de inschatting van de man over zijn netto inkomen navolgbaar. Dat er volgens de vrouw meer inkomen beschikbaar was aan de zijde van de man kan de rechtbank zonder nadere onderbouwing daarvan niet volgen. Nu niet in geschil is dat de vrouw in die tijd (2022/2023) een inkomen had van circa € 500 netto per maand, volgt de rechtbank de man in zijn stelling dat de behoefte van [de minderjarige] in 2023 gebaseerd op de in dat jaar geldende behoeftetabellen € 118 per maand bedroeg. Geïndexeerd naar 1 januari 2023 bedraagt de behoefte dan afgerond: € 140 per maand.
Draagkracht
Vervolgens moet worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kinderen voorzien.
Draagkracht van de man
De rechtbank overweegt dat bij een gebrek aan (recente) inkomensgegevens het niet mogelijk is om de draagkracht van de man te berekenen. Het had op de weg van de man gelegen om die gegevens wel aan te leveren, temeer nu daarom herhaaldelijk is verzocht door de vrouw. De enkele stelling van de man dat hij in mei 2023 een herseninfarct heeft gehad is in ieder geval onvoldoende om aan te nemen dat hij thans geen draagkracht heeft. De vrouw heeft namelijk betwist dat dit nog van invloed is op zijn vermogen om te werken en de man heeft geen (medische) informatie overgelegd waaruit de rechtbank kan afleiden dat, en in welke mate, zijn herseninfarct nu nog impact heeft op zijn mogelijkheden tot het verrichten van betaalde arbeid. Ook productie 15 van de man is onvoldoende om het oordeel op te baseren dat de man geen draagkracht heeft, omdat daaruit slechts blijkt dat de man op 8 augustus 2023 een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en dat deze aanvraag wegens ontbrekende gegevens niet in behandeling kon worden genomen. Nu de man de benodigde gegevens niet heeft aangeleverd, gaat de rechtbank ervan uit dat zijn draagkracht het toelaat om de behoefte van [de minderjarige] te betalen minus een minimale bijdrage van de vrouw.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man aan de vrouw dient te betalen € 140 - € 25 (zijnde een minimale bijdrage van de vrouw in de kosten van [de minderjarige] ) = € 115 per maand. Het verzoek van de man om een door de vrouw aan hem te betalen kinderbijdrage vast te stellen wordt dus afgewezen.
Afwijzen partneralimentatie
De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat de alimentatie bij wijze van nevenvoorziening wordt gevraagd en de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft ten aanzien van de echtscheiding.
Omdat de vrouw aanspraak maakt op partneralimentatie en zij in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft, past de rechtbank het Nederlands recht toe.
De vrouw verzoekt vast te stellen dat de man een bedrag van € 500 per maand aan partneralimentatie aan haar betaalt vanaf de datum van deze beschikking. De man verweert zich daartegen.
De rechtbank overweegt dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat aan haar zijde sprake is van (aanvullende) behoefte aan partneralimentatie. De vrouw heeft enkel gesteld dat aan haar zijde sprake is van behoefte, gelet op haar minimale loon. Over haar recente inkomensgegevens is slechts één loonspecificatie bekend, te weten over februari 2026, zijnde de maand dat zij in dienst kwam bij haar huidige werkgever (haar partner). Over haar verdiencapaciteit heeft de vrouw niets gesteld. Nu het stellen van de (huwelijksgerelateerde en aanvullende) behoefte en het vervolgens aanleveren van voldoende onderbouwende gegevens de verantwoordelijkheid was van de vrouw als verzoekende partij en zij daaraan niet heeft voldaan, kan de rechtbank niet anders dan het gevolg daaraan koppelen dat het verzoek zal worden afgewezen.
Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime
Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om over de echtscheiding te beslissen. Om die reden komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe om te beslissen op het nevenverzoek tot verdeling.
Aangezien partijen op [huwelijksdatum] zijn getrouwd, moet de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen worden beantwoord aan de hand van de regels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.
Partijen hebben geen (geldige) rechtskeuze gedaan voor of tijdens het huwelijk. Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden zij alleen de Roemeense nationaliteit gemeenschappelijk. [land] is geen partij bij het verdrag en geldt als een zogenoemd ‘nationaliteitsland’. Na het sluiten van het huwelijk hadden partijen ook hun eerste gewone verblijfplaats in [land] . Gelet hierop is het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen, dus het Roemeense recht.
Tijdens het huwelijk van partijen heeft zich een automatische wijziging voorgedaan in het toepasselijk recht. Partijen hebben zich namelijk blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) op [datum] en [datum] in Nederland gevestigd. Omdat partijen vanaf 2 september 2013 beiden langer dan tien jaar in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben, is vanaf dat moment het Nederlands recht van toepassing geworden. Dit heeft alleen gevolgen voor het vermogen dat partijen vanaf dat moment hebben verkregen. Op het al aanwezige vermogen blijft het Roemeense recht van toepassing.
De rechtbank stelt met partijen vast dat op de bestanddelen van de gemeenschap waarover in deze beschikking wordt geoordeeld Nederlands recht van toepassing is. De inhoud van het Roemeens recht wordt daarom verder niet besproken.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 1 mei 2023 ontbonden.Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap
behoorden op de peildatum:
de woning aan [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;
de inboedel van de hiervoor genoemde woning;
de saldi op de bankrekeningen;
e auto van het merk [merk] type [type] ;
de activa en passiva van de eenmanszaak van de man met de handelsnaam [eenmanszaak] ;
de aandelen op naam van de man in de besloten vennootschap [BV] ;
de activa en passiva van de eenmanszaak van de vrouw met de handelsnaam [eenmanszaak] .
Voorts hebben partijen een geschil over het al dan niet bestaan van diverse (gemeenschaps)schulden, de draagplicht van die schulden en regres.
De vrouw heeft voorts een (primair) verzoek gedaan aan de rechtbank om te verklaren voor recht dat indien de vrouw de erfenis van haar vader aanvaardt dat deze erfenis, althans de niet-opeisbare vordering- niet tot de gemeenschap van goederen van partijen behoort en subsidiair te bepalen dat de erfenis aan de vrouw wordt toegedeeld zonder nadere verrekening van waarde.
De echtelijke woning
De rechtbank overweegt dat bij vonnis in kort geding van 8 juli 2024 de voorzieningenrechter de vrouw heeft gemachtigd om de echtelijke woning van partijen te gelde te maken en de man bevolen zijn medewerking te verlenen aan de verdeling bij helfte van de netto verkoopopbrengst. Daarvoor was redengevend dat er een betalingsachterstand is ontstaan bij de voldoening van de hypothecaire schuld. De echtelijke woning is nadien verkocht en geleverd aan een derde, waarna de netto opbrengst van de woning in januari 2025 bij helfte is verdeeld tussen partijen. De man stelt zich, naar de rechtbank begrijpt, op het standpunt dat de rechtbank in deze bodemprocedure niet is gehouden aan het oordeel van de voorzieningenrechter in kort geding. Hij heeft, voor het eerst ter zitting, verzocht om de toedeling van de woning aan hem. De vrouw verweert zich daartegen.
De rechtbank overweegt dat zij weliswaar niet gebonden is aan het oordeel van de voorzieningenrechter, maar de woning niet aan de man zal toedelen. In september 2023 heeft de man in zijn verweerschrift namelijk reeds verklaard dat het geen van partijen lukt om de woning over te nemen, zodat deze moet worden verkocht. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft de man, in het kader van de alimentatieverzoeken verklaard dat hij feitelijk moet rondkomen van € 800 per maand, dat hij daarmee maandelijks € 500 te kort komt en dat hij niet in staat is om meer te werken. Ook is niet gesteld of gebleken dat de man de woning op andere wijze zou kunnen financieren. Uitgaande van de eigen stellingen van de man, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat de man financieel niet in staat zou zijn om de woning over te nemen. Een en ander staat nog los van het gegeven dat de na het kort geding ontstane situatie feitelijk gezien onomkeerbaar is. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de man tot toedeling van de woning zal worden afgewezen.
Inboedel
De vrouw heeft aangegeven dat de inboedel van partijen reeds is verdeeld. De man heeft dit tijdens de mondelinge behandeling betwist. De rechtbank stelt vast dat haar geen verzoeken zijn voorgelegd tot het verdelen van de inboedel, zodat zij daarover geen beslissing kan nemen.
De saldi van de bankrekeningen
Uit het dossier blijkt dat partijen op de peildatum in ieder geval beschikten over de volgende bankrekeningen:
[nummer] en/of rekening met een saldo van - 455,79 (negatief) op 1 mei 2023;
[nummer] op naam van de man;
[nummer] op naam van de vrouw;
[nummer] ING Oranje spaarrekening;
[nummer] ING Oranje spaarrekening.
De man stelt dat de en/of rekening met rekeningnummer [nummer] en de daaraan gekoppelde spaarrekening zijn opgeheven vóór de peildatum. De vrouw erkent dat de gezamenlijke ING rekeningen (op enig moment) zijn opgeheven, maar meent dat het saldo bij de man terecht is gekomen. De vrouw sluit niet uit dat er meer saldo aanwezig was op de betaalrekening met het rekeningnummer eindigend op … [nummer] en de daaraan gekoppelde spaarrekening dan de man stelt (€ 12,59 en € 40,55). Nu de man dit niet inzichtelijk heeft gemaakt, verzoekt de vrouw in ieder geval de helft van dit bedrag aan haar toe te delen, te weten € 26,57. De rechtbank overweegt ten aanzien van de saldi op deze rekeningen dat de man de vrouw moet aantonen of deze rekeningen nog bestonden op de peildatum, en zo ja welk saldo daarop stond. Doet de man dit niet, dan is hij gehouden aan de vrouw te betalen een bedrag van € 26,57. Indien de man kan aantonen dat de rekeningen zijn opgeheven vóór de peildatum, dan gaat de rechtbank ervan uit dat een eventueel positief saldo terecht is gekomen op een van de andere rekeningen die wordt betrokken in de verdeling.
De rechtbank overweegt dat het voorgaande geen compleet beeld schept van de te verdelen saldi. Partijen hebben niet de informatie in het geding gebracht die nodig is om hier een concrete beslissing over te nemen. Dit terwijl zij hier ruim drie jaar de tijd voor hebben gehad. De rechtbank zal daarom volstaan te bepalen dat partijen elkaar over en weer inzicht te verschaffen in de saldi van de genoemde rekeningen op de peildatum van 1 mei 2023, waarna zij die saldi dienen te verdelen bij helfte, dan wel een eventuele schuld bij helfte dienen te dragen. Als partijen elkaar geen inzicht kunnen geven in het saldo op de peildatum van de op zijn of haar naam staande rekeningen omdat de desbetreffende rekening reeds is opgeheven, dienen partijen elkaar een bevestiging van die onmogelijkheid afkomstig van de desbetreffende bank te sturen.
Uit de stukken blijkt ten slotte dat er diverse rekeningnummers op naam van [de minderjarige] en de andere kinderen zijn, en dat er gelabeld geld voor de kinderen staat op de rekening met rekeningnummer [nummer] op naam van de vrouw. Die saldi worden, zoals gebruikelijk is, niet verdeeld omdat deze saldi partijen niet toebehoren. Het saldo op de zakelijke bankrekening van de vrouw, behoort ook niet tot de te verdelen saldi, omdat dit een onderdeel is van de activa en passiva van de door haar gedreven onderneming die hierna aan de orde komt.
De auto van het merk [merk] type [type]
Gebleken is dat de man de auto na de peildatum heeft verkocht voor een bedrag van € 250. De vrouw verzoekt te bepalen dat de helft van dit bedrag de vrouw toekomt. De rechtbank zal bepalen dat de verkoopopbrengst wordt toegedeeld aan de man, nu dit hem reeds feitelijk is toegekomen, onder de verplichting de helft daarvan (€ 125) te betalen aan de vrouw.
De activa en passiva van de eenmanszaak van de man met de handelsnaam [eenmanszaak] en de aandelen op naam van de man in de besloten vennootschap [BV]
De man heeft in zijn verzoekschrift verzocht de aandelen van de B.V. en de activa van zijn eenmanszaak aan hem toe te delen tegen een totale waarde van € 11.504. De vrouw is in een daaropvolgend processtuk akkoord gegaan met de toedeling aan de man tegen de genoemde waarde. Later in de procedure, bij het verweer op zelfstandig verzoek is de man daarop teruggekomen en heeft hij de totale waarde van de ondernemingen op 30 juni 2023 aangepast naar € 3.054, onder verwijzing naar een summier bericht daarover van zijn boekhouder. De rechtbank heeft de man ter zitting bevraagd over het verschil in waardes, nu in het bericht van de boekhouder daarover geen uitleg wordt gegeven en de vrouw eerder akkoord was gegaan met de waardering van beide ondernemingen van de man. De rechtbank heeft daarop geen antwoord gekregen. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank de totale waarde van de ondernemingen vaststellen op € 11.504, te weten het bedrag waarover eerder overeenstemming bestond. De rechtbank zal bepalen dat de activa van de eenmanszaak en de aandelen van de B.V. worden toegedeeld aan de man, dat hij volledig draagplichtig is voor de schulden van de eenmanszaak en hij uit hoofde van overbedeling verplicht is aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 5.752.
De activa en passiva van de eenmanszaak van de vrouw [eenmanszaak]
De rechtbank constateert dat haar geen verzoek is voorgelegd over de verdeling van de activa en passiva van de eenmanszaak van de vrouw, zodat zij daarover geen beslissing kan nemen. De vrouw heeft wel verzocht om voor recht te verklaren dat de waarde van haar eenmanszaak op de peildatum nihil is. De vrouw heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij geen werkzaamheden meer heeft verricht vanuit haar eenmanszaak, nadat de gemeente heeft aangegeven dat zij daarmee moest stoppen. Deze onderneming heeft één jaar en acht maanden bestaan. Volgens de vrouw is de waarde nihil. De man heeft geen standpunt ingenomen over de verdeling en de waardering van de eenmanszaak van de vrouw. Hij heeft in het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken enkel gesteld dat de privé-danslessen en de paalfitness niet zijn meegenomen maar daar geen conclusie aan verbonden. De rechtbank stelt vast dat uit de aangifte IB 2022 van de vrouw blijkt dat haar ondernemingsvermogen zowel begin 2022 als eind 2022 nihil was en dat de winst uit onderneming in dat jaar € 1.275,- was. Gelet hierop zal de rechtbank voor recht verklaren dat de waarde van de eenmanszaak van de vrouw op de peildatum nihil was.
De erfenis van de vader van de vrouw
De man heeft in zijn verzoekschrift opgemerkt dat de vrouw een erfenis heeft ontvangen van haar vader bestaande uit een woning, dan wel dat zij een erfenis zal ontvangen. De man heeft van de vrouw begrepen dat zij van mening is dat de woning aan haar moeder toebehoort. De man heeft de vrouw daarop gevraagd dit standpunt op te helderen en nadere informatie over deze erfenis te verschaffen.
De vrouw heeft er allereerst op gewezen dat de man geen verzoek heeft ingediend over de erfenis van haar vader. Zij heeft verder gesteld dat een erfenis naar Roemeens recht niet tot een huwelijksgemeenschap behoort en dat de vader van de vrouw niet heeft geweten dat dit volgens Nederlands recht anders is. Als haar vader dit had geweten, had hij volgens de vrouw gekozen voor een uitsluitingsclausule. De vrouw verzoekt daarom primair te verklaren voor recht dat indien de vrouw de erfenis aanvaardt, deze erfenis – althans de niet-opeisbare vordering – niet tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort en subsidiair te bepalen dat de erfenis aan de vrouw wordt toegedeeld zonder nadere verrekening van waarde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij aangegeven dat zij zeer waarschijnlijk de erfenis niet zal aanvaarden.
De rechtbank overweegt dat zij niet kan vaststellen of de erfenis van de vader van de vrouw, dan wel een niet-opeisbare vordering op de moeder van de vrouw, dan wel een uit die nalatenschap voortkomend ander vermogensrecht, in de huwelijksgemeenschap van partijen valt. Daarvoor ontbreekt de nodige feitelijke en juridische informatie. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk of sprake is (geweest) van een opeisbare vordering, waar de erfenis van de vader van de vrouw uit bestaat, of het klopt dat de vrouw de erfenis nog niet heeft aanvaard, en zo ja of zij dit vandaag de dag nog steeds zou kunnen doen. Indien het klopt dat de vrouw thans nog geen keuze heeft gemaakt en zij dit alsnog zou kunnen doen, is voorts de vraag of het zo is dat dit een bestanddeel oplevert voor de huwelijksgemeenschap. De rechtbank overweegt dat voor zover zij al tot de conclusie zou kunnen komen dat de erfenis tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort, de rechtbank geen verzoek voorligt tot verdeling van de erfenis. Sterker nog, er ligt een verzoek voor om te verklaren voor recht dat die erfenis buiten de huwelijksgemeenschap valt. Bij deze stand van zaken beschouwt de rechtbank dit niet als een geschil dat valt onder de nevenvoorziening verdeling van een gemeenschap, maar als een geschil dat past onder de restcategorie genoemd in sub g van artikel 827 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dergelijke verzoeken kunnen binnen een echtscheidingsprocedure worden beoordeeld, maar enkel voor zover dit niet leidt tot een onnodige vertraging. De rechtbank is van oordeel dat vanwege alle feitelijke onduidelijkheden en de vraag hoe daar juridisch naar moet worden gekeken, het afwachten van aanvullende informatie daarover zou betekenen dat deze procedure onnodige vertraging oploopt. De rechtbank zal de vrouw daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
De schulden
Beide partijen hebben verzoeken ingediend over schulden. De rechtbank zal deze verzoeken gezamenlijk bespreken.
De man stelt dat er diverse schulden zijn die als gemeenschappelijk moeten worden beschouwd. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij naar productie 19, zijnde een door de man gemaakt overzicht waaruit een totale schuldenlast blijkt van € 7.579,89. De man verzoekt te bepalen dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden en dat de vrouw de helft van die schulden aan hem moet vergoeden.
De vrouw heeft onder verwijzing naar productie 28 aangegeven dat zij diverse huwelijkse schulden grotendeels heeft voldaan, zodat de man gehouden is de helft van die bedragen aan haar te betalen. De vrouw stelt dat zij het totaal van het op de peildatum openstaande bedrag van € 10.396,70 heeft voldaan, waardoor zij een regresvordering heeft op de man voor de helft van dit bedrag.
De rechtbank zal beide verzoeken afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Voor beide verzoeken geldt dat op basis van de overgelegde stukken niet duidelijk is welke schulden er waren op de peildatum en wat de hoogte van die schulden was op de peildatum. Ook hebben partijen onvoldoende aangetoond dat zij de gestelde schulden voor een groter gedeelte hebben voldaan dan hen in de onderlinge verhouding aanging. De rechtbank kan dus het bestaan van de gestelde schulden en de regresvorderingen niet vaststellen.
Notarieel honorarium
De vrouw stelt dat de notaris extra kosten in rekening heeft gebracht aangezien hij bij de verkoop van de woning het kort geding vonnis moest laten executeren omdat de man niet meewerkte. Deze kosten blijken uit de nota van afrekening en bedragen € 3.150. Deze kosten zijn eerst van de netto verkoopopbrengst gehaald, voordat dit bedrag bij helfte is gedeeld. De vrouw heeft daardoor deze kosten voor de helft gedragen. Nu deze kosten door de man zijn veroorzaakt (hij had immers kunnen meewerken aan de verkoop en levering), acht de vrouw het redelijk en billijk dat de man deze kosten volledig draagt. De man heeft zich daartegen verweerd en betwist dat de notaris deze kosten zomaar in rekening zou mogen brengen.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de nota van afrekening blijkt dat de notaris een bedrag in rekening heeft gebracht van € 4.000 met als omschrijving “notarieel honorarium wegens het voeren van correspondentie en telefonische besprekingen met verkoper, koper en makelaar, hypotheekadviseur en hypotheekbanken i.v.m. levering krachtens kort geding vonnis”. Daaruit leidt de rechtbank af dat dit bedrag in rekening is gebracht door de weigerachtige houding van de man bij de verkoop van de woning. Nu deze kosten enkel voortkomen uit het (niet) handelen van de man, dienen deze kosten naar het oordeel van de rechtbank tot het bedrag dat de vrouw verzoekt op grond van de redelijkheid en billijkheid volledig voor zijn rekening te komen. Dit betekent dat de rechtbank de man zal veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 1.575, nu de andere helft reeds voor zijn rekening is gekomen.
Uitvoerbaar bij voorraad
Partijen verzoeken de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek toe, behalve voor de echtscheiding en de beslissing over het gezag. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het gezag zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat deze beslissing pas ingaat op het moment dat deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4. De beslissing
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] in [plaats] ( [land] );
bepaalt dat de vrouw alleen het gezag uitoefent over [de minderjarige] vanaf de dag dat de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
verzoekt partijen een bewijs van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand toe te sturen aan de griffie van de rechtbank, waarna aantekening wordt gemaakt van de wijziging van het gezag in het gezagsregister;
stelt vast dat, in afwachting van het raadsonderzoek zoals is gelast bij proces-verbaal van 3 juni 2026, de volgende voorlopige omgangsregeling geldt:
[de minderjarige] verblijft bij de man elke woensdag, waarbij de man [de minderjarige] om 14.00 uur van
school haalt en haar vervolgens om 16.00 uur weer terugbrengt bij de ingang van de basisschool, waar de moeder [de minderjarige] ophaalt.
bepaalt dat het raadsrapport met het advies over de omgang uiterlijk 1 september 2026 door de rechtbank ontvangen moet zijn;
verzoekt partijen uiterlijk op 15 september 2026 te reageren op het raadsrapport;
houdt de beslissing over de definitieve omgangsregeling PRO FORMA aan voor de duur van drie maanden, te weten tot 1 oktober 2026. Wijst erop dat de rechtbank daarna zal beslissen over de verdere voortgang van de procedure;
verleent aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, toestemming om met [de minderjarige] in de periode van 11 juli tot en met 31 juli 2026 naar [plaats] , [land] , te reizen en bepaalt dat er in die periode éénmaal per week een telefonisch contact zal plaatsvinden tussen [de minderjarige] en de man, waarbij als uitgangspunt geldt dat dit plaatsvindt op woensdagmiddag op een tijdstip tussen 14:00 en 16:00;
verleent aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, toestemming om [de minderjarige] in te schrijven op buitenschoolse opvang (BSO) [BSO] in [plaats] ;
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van de achterstallige kinderalimentatie over de periode 22 december 2023 tot en met 3 juni 2026 begroot op € 816,78, te betalen binnen twee weken na de datum van deze beschikking;
bepaalt dat de man vanaf de datum van deze beschikking een bedrag van € 115 per maand kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw, vanaf nu steeds vóór de eerste van de maand te voldoen;
stelt de (wijze van) verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:
a. ten aanzien van de verkoopopbrengst van de auto van het merk [merk] type [type] van € 250:
deelt de opbrengst toe aan de man, onder de verplichting de helft daarvan, te weten € 125, te betalen aan de vrouw;
ten aanzien van de activa en de schulden van de eenmanszaak van de man met de handelsnaam [eenmanszaak] en de aandelen op naam van de man in de besloten vennootschap [BV] ;
deelt de activa van de eenmanszaak en de aandelen van de B.V. toe aan de man;
bepaalt dat de man volledig draagplichtig is voor de schulden van de eenmanszaak;
bepaalt dat de man de vrouw uit hoofde van overbedeling de helft van de totale waarde van beide ondernemingen dient te voldoen, te weten een bedrag van (€ 11.504 / 2 =) € 5.752;
verklaart voor recht dat de waarde van de eenmanszaak [eenmanszaak] van de vrouw op de peildatum nihil was;
gelast de wijze van verdeling van de saldi op de bankrekeningen als overwogen onder 3.47 tot 3.49 van deze beschikking;
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek over de erfenis van haar vader;
veroordeelt de man om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.575 wegens door haar betaalde notariskosten die ingevolge overweging 3.59 volledig voor rekening van de man komen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve over de echtscheiding en de beslissing over het gezag;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. van Diepen, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S.E. Kamer, griffier op 1 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.