ECLI:NL:RBNHO:2026:985

ECLI:NL:RBNHO:2026:985

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 15/373125-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling voor poging doodslag, bestaande uit het tweemaal schieten in een restaurant. Verwerping beroep op noodweer. Vrijspraak voor verboden wapen bezit. Gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/373125-24, 15/182788-22 (tul), 13/103474-21 (tul) en 13/142995-21 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 3 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B. Koenders en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.S.E. Bruinen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:

Feit 1:

hij op of omstreeks 23 november 2024 te Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] en/of een of meerdere andere (onbekend gebleven) personen opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen (gericht) een of meerdere projectielen heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] en/of een of meer andere (onbekend gebleven) personen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:

hij op of omstreeks 23 november 2024 te Den Helder een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, in ieder geval een verboden wapen, voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

hij op of omstreeks 23 november 2024 te Den Helder een of meerdere personeelsleden en/of een of meerdere op dat tijdstip aanwezige klanten van restaurant [bedrijfsnaam] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen te trekken en dit vuurwapen in de richting van die personeelsleden en/of aanwezige klanten heeft gericht.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De standpunten

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van alle drie de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde feit, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van de in de tenlastelegging genoemde personen. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw geen opmerkingen gemaakt.

4. Het oordeel van de rechtbank

De inleiding

Op 23 november 2024 was de verdachte in het restaurant [bedrijfsnaam] in Den Helder (hierna: het restaurant) om een handelsvoorraad cocaïne te kopen. Naast de verdachte waren vijf of zes andere personen aanwezig waaronder de verkoper (ook wel: de man met de Gucci pet). Verder waren er drie personeelsleden aan het werk. Op enig moment heeft in het restaurant een schietincident plaatsgevonden. De verdachte erkent dat hij op twee verschillende momenten heeft geschoten.

Hoewel het schieten door de verdachte als één enkel moment ten laste is gelegd, zal de rechtbank de twee momenten waarop door hem is geschoten afzonderlijk bespreken en beoordelen hoe zij de handelingen van de verdachte op die twee afzonderlijke momenten juridisch duidt en tot welke conclusies dit moet leiden.

De bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Moment van schieten 1

Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte stelt de rechtbank het volgende vast. Na binnenkomst in het restaurant namen de verdachte en de al aanwezig zijnde verkoper plaats aan een tafel voor de toiletruimte. De overige leden van de groep namen eveneens plaats aan die tafel of stonden eromheen. Kort daarna begaven de verdachte en de verkoper zich naar de toiletruimte, klaarblijkelijk om de cocaïnedeal te sluiten. Wat zich vervolgens in de toiletruimte heeft afgespeeld kan de rechtbank op basis van het voorliggende dossier niet vaststellen. Wel staat op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op enig moment de toiletruimte uitkwam, een vuurwapen in zijn handen had en daarmee schoot, waarna hij het restaurant via de voorkant heeft verlaten. Onderweg naar de uitgang heeft de verdachte een (rug)tas meegenomen waarin zich vermoedelijk cocaïne bevond.

De juridische duiding van moment 1

De vraag die aan de rechtbank voorligt is of het schieten met een vuurwapen bij de toiletruimte aangemerkt kan worden als een poging tot doodslag. Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag, is van belang of de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van (een van de) aanwezige personen. De rechtbank is van oordeel dat vol opzet – willens en wetens handelen dat gericht is op de dood – niet bewezen kan worden. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer zou komen te overlijden en dat hij deze kans ook bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

De rechtbank stelt op basis van het schotbanenonderzoek vast dat de verdachte het eerste schot heeft afgevuurd op het moment dat hij in de omgeving van het tafeltje bij de toiletruimte stond (rechts voor in het restaurant, gezien vanaf de voorgevel, met de toiletruimte rechts van hem en met zijn rug naar de voorgevel). De betreffende kogel is ingeslagen in de rugleuning van het eerste bankje tegen de linker muur van het restaurant (gezien vanaf de voorgevel) en is door de linker muur van het restaurant gegaan. De verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij de toiletruimte verliet met het wapen in zijn hand, de mannen waar de verkoper bij hoorde zag staan en dat hij toen heeft geschoten om hen af te schrikken. Gelet op het schotbaan en de verklaring van de verdachte, stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de richting van meerdere personen heeft geschoten, op een hoogte van ten minste één meter, waarbij die groep van meerdere personen zich op korte afstand van de verdachte bevond in een kleine en nauwe ruimte (het deel van het restaurant in de buurt van de toiletruimte). De verdachte heeft op zitting verklaard dat de kans groot was dat hij iemand fataal had kunnen raken en dat hij zich hier ook bewust van was.

Door onder deze omstandigheden en op deze wijze in de richting van een groep van meerdere personen te schieten was er een aanmerkelijke kans dat één of meerdere personen dodelijk geraakt zouden worden. Het schieten door de verdachte op de wijze en onder de omstandigheden zoals hiervoor beschreven is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het dodelijk verwonden van één of meer van de tot die groep behorende personen, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het dodelijk verwonden van die personen bewust moet hebben aanvaard. Contra-indicaties die tot een andere conclusie zouden moeten leiden zijn niet gebleken.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een poging tot doodslag op moment 1.

Moment van schieten 2

Op basis van het dossier en de verklaring van de verdachte stelt de rechtbank het volgende vast ten aanzien van moment 2. Nadat de verdachte het restaurant had verlaten met de tas en het vuurwapen, heeft de verdachte zich bedacht en is hij terug het restaurant in gegaan. Bij de deuropening heeft de verdachte een tweede keer geschoten. Op dat moment bevonden de overige personen zich nog in het restaurant.

De rechtbank zal ook ten aanzien van dit moment beoordelen of sprake is van een poging tot doodslag. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Op basis van het schotbanenonderzoek staat vast dat de verdachte het schot heeft afgevuurd vanaf de deuropening op een hoogte van ten minste één meter, het restaurant in. De verdachte heeft over het tweede moment van schieten verklaard dat hij, op het moment van het openen van de toegangsdeur, meerdere mensen op hem af zag komen en dat hij toen opnieuw heeft geschoten.

Door onder deze omstandigheden en op deze wijze in de richting van een groep van meerdere personen te schieten was er een aanmerkelijke kans dat één of meerdere personen dodelijk geraakt zouden worden. Het schieten door de verdachte op moment 2 op de wijze en onder de omstandigheden zoals hiervoor beschreven is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het dodelijk verwonden van één of meer van de tot die groep behorende personen, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ook op moment 2 de aanmerkelijke kans op het dodelijk verwonden van die personen bewust moet hebben aanvaard. Contra-indicaties die tot een andere conclusie zouden moeten leiden zijn ook ten aanzien van moment 2 niet gebleken.

Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat ook sprake is van een poging tot doodslag op moment 2.

Voor beide momenten geldt dat de rechtbank geen waarde hecht aan de verklaring van de verdachte, dat hij niet gericht op de personen heeft geschoten. De rechtbank acht hierbij van belang dat uit het schotbanenonderzoek blijkt dat de verdachte op een hoogte van ten minste één meter heeft geschoten, dat hij zelf heeft verklaard in paniek te hebben gehandeld en dat hij geen geoefend schutter is. Zijn verklaring dat hij niet gericht op de personen heeft geschoten komt daarom geen betekenis toe bij de beantwoording van de vraag of hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de personen in het restaurant dodelijk zou raken.

Conclusie van de rechtbank ten aanzien van feit 1

De rechtbank komt tot de conclusie dat de verdachte zich op moment 1 en op moment 2 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op de (onbekend gebleven) personen die in het restaurant aanwezig waren. De rechtbank zal de verdachte echter partieel vrijspreken van de poging doodslag op [slachtoffer]. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

De verklaring van [slachtoffer] staat op bepaalde (essentiële) punten haaks op de verklaringen van andere getuigen in het dossier. Dit maakt dat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] niet zal gebruiken voor het bewijs. Evenmin blijkt uit het dossier dat de verwonding aan de vinger van [slachtoffer] een schotwond betreft. Dit alles maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer], omdat zij niet kan bepalen waar [slachtoffer] zich bevond op de momenten 1 en 2.

De bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

De verdachte erkent dat hij het vuurwapen heeft gericht op de aanwezige groep mannen. De rechtbank gaat ervan uit dat met de in de tenlastelegging genoemde klanten deze, verder onbekende gebleven, groep mannen wordt bedoeld. Door het richten van een vuurwapen op personen door de verdachte onder de omstandigheid dat hij er al mee geschoten had richting deze personen, kan het niet anders zijn dan dat bij deze groep de redelijke vrees is ontstaan dat zij gedood zouden kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat dit niet geldt voor de personeelsleden en zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van bedreiging van de personeelsleden. Van belang is in daarbij dat alleen de getuige (tevens personeelslid) [naam getuige] heeft verklaard over de bedreiging, maar haar verklaring wordt niet ondersteund, en op sommige punten zelfs weersproken, door andere personeelsleden. Voor het bedreigen van de personeelsleden ontbreekt daarom het bewijs.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Hoewel op grond van voorgaande overwegingen vaststaat dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad, zal de rechtbank de verdachte desondanks vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Voor een bewezenverklaring is vereist dat de rechtbank kan vaststellen dat de verdachte een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad. Het vuurwapen is na het schietincident niet aangetroffen door de politie en kon om die reden niet worden gedetermineerd. Hoewel de afgevuurde kogelhuls is gevonden en onderzocht, kan de rechtbank uit het rapport niet afleiden dat vaststaat dat de huls verschoten is met een vuurwapen van categorie III, zoals ten laste is gelegd. Daarmee blijft de mogelijkheid bestaan dat de verdachte op de bewuste dag een vuurwapen van een andere dan de ten laste gelegde categorie voorhanden heeft gehad. Dat brengt mee dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 2.

De bewezenverklaring

Op grond van voorgaande bewijsoverwegingen en de bewijsmiddelen in bijlage 1 bij dit vonnis acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1: hij op 23 november 2024 te Den Helder ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om meerdere (onbekend gebleven) personen opzettelijk van het leven te beroven, door met een vuurwapen meerdere projectielen af te vuren in de richting van die (onbekend gebleven) personen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 3: hij op 23 november 2024 te Den Helder meerdere aanwezige klanten van restaurant [bedrijfsnaam] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een vuurwapen in de richting van die aanwezige klanten te richten.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. De kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

De kwalificatie

Eendaadse samenloop van:

Feit 1: poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

en

Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de feiten

De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bewezenverklaarde feiten strafbaar zijn en dat de verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt omdat de feitelijke grondslag van het scenario van verdachte niet aannemelijk is geworden.

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zowel ten aanzien van het eerste als van het tweede schietmoment een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt.

Het juridisch kader

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (een noodweersituatie) of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding (een dreigend gevaar). Hierin ligt besloten dat de gedraging ter verdediging moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van moment 1

De verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen heeft afgepakt van de man met de Gucci-pet en dat hij vervolgens met dit vuurwapen in zijn hand bij de toiletten stond. Hij zag meerdere personen op hem afkomen en hierop heeft hij gedreigd met het vuurwapen. De personen bleven zich in zijn richting bewegen en daarop heeft de verdachte geschoten, omdat hij zich bedreigd voelde. Hierbij speelde voor de verdachte ook mee dat hij een van de mannen naar een tasje zag grijpen. De verdachte dacht dat deze persoon misschien een vuurwapen had. Na het schieten is de verdachte naar buiten gerend.

Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de verklaring van de verdachte niet af te leiden dat hij zich heeft moeten verdedigen tegen een daadwerkelijke aanval van een of meerdere in het restaurant aanwezige personen. De gestelde gedragingen van de groep personen (het naar de verdachte toe bewegen en door één van hen naar een tasje grijpen) maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake was van een ogenblikkelijke aanranding (aanval) van de zijde van die personen. In dit verband is relevant dat de enkele vrees voor een aanranding nog geen verdedigende geweldshandeling rechtvaardigt. Hiervoor moet sprake zijn van een (min of meer) objectiveerbare dreiging. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank onder de door de verdachte geschetste omstandigheden geen sprake geweest. De omstandigheid dat sprake was van een (mislukte) cocaïne-deal en dat de verdachte in de minderheid was, is onvoldoende om te concluderen dat sprake is geweest van een (min of meer) objectiveerbare dreiging waartegen de verdachte zich met gebruikmaking van geweld moest verdedigen.

Omdat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijk aanranding, zal de rechtbank het beroep op noodweer ten aanzien van moment 1 verwerpen. Hoewel hiermee bewezen is dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en dit ook strafbaar is, zal de rechtbank ook het beroep op noodweer ten aanzien van moment 2 bespreken.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van moment 2

De verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij in het restaurant had geschoten, naar buiten is gegaan. Hij stond buiten met het vuurwapen en de tas met (vermoedelijk) cocaïne. De verdachte heeft toen besloten om terug het restaurant in te gaan, naar eigen zeggen om de tas en het vuurwapen binnen te droppen. Toen de verdachte het restaurant binnenkwam, kwamen er volgens hem meerdere personen op hem af en heeft hij in de deuropening van het restaurant opnieuw geschoten.

Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte op enig moment met een tas in zijn hand het restaurant uit rent, zich vervolgens omdraait en weer terug rent naar het restaurant en dat hij opnieuw naar binnen gaat. De camerabeelden ondersteunen in zoverre de verklaring van de verdachte. Dit maakt dat de rechtbank dit scenario van de verdachte dan ook als uitgangspunt zal nemen bij de beoordeling van het beroep op noodweer.

De rechtbank overweegt dat gedragingen van de verdachte die aan een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg kunnen staan aan het slagen van een beroep op noodweer , maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte willens en wetens de confrontatie heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de verdachte met een vuurwapen in zijn hand terug het restaurant is ingegaan, daarbij wetende dat de groep mannen nog binnen was, en dat hij vervolgens heeft geschoten.

De verdachte heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank dan ook bewust opnieuw de confrontatie gezocht en daarmee een reactie uitgelokt van de nog in het restaurant aanwezige personen, daarin bestaande dat die personen op hem afkwamen toen hij het restaurant opnieuw binnenkwam na het eerste schot). Alleen al om deze reden kan de verdachte zich niet succesvol beroepen op noodweer. Of de omstandigheid dat een groep personen op hem af kwam toen hij het restaurant opnieuw binnenkwam als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding moet worden beschouwd, kan daarom in het midden blijven. De omstandigheid dat de verdachte vervolgens, nadat hij opnieuw het restaurant is ingegaan en voor de tweede maal heeft geschoten, is overmeesterd en daarbij is mishandeld, doet hieraan niets af.

Het beroep op noodweer kan dus ten aanzien van de beide momenten waarop de verdachte heeft geschoten niet slagen.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. De feiten 1 en 3 zijn dan ook strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Omdat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit en de verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf niet te hoog is. De raadsvrouw vindt dit passend gelet op de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de reclassering om aan de verdachte onder andere de bijzondere voorwaarde op te leggen die inhoudt dat de verdachte zich laat behandelen in een kliniek.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op en de bedreiging van meerdere personen die aanwezig waren in restaurant [bedrijfsnaam] in Den Helder. Dat het niet erger is afgelopen, is niet aan de verdachte te danken. Dergelijk gewelddadig handelen in een openbare eetgelegenheid is niet alleen levensbedreigend en angstaanjagend voor de aanwezigen in het restaurant, maar ook schokkend voor omwonenden en voorbijgangers. Het veroorzaakt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving en versterkt het gevoel van onveiligheid in de samenleving.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 26 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte meermaals is veroordeeld voor strafbare feiten en dat hem daarbij ook meerdere voorwaardelijke straffen zijn opgelegd. Toen de verdachte onderhavige feiten pleegde, liep de verdachte in het kader van drie voorwaardelijke veroordelingen in een proeftijd. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd gedurende de proeftijden van eerder opgelegde voorwaardelijke straffen.

De rechtbank heeft ook gekeken naar wat de verdachte heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden en naar de rapporten van de reclassering van 10 april 2025 en 18 december 2025 die over de verdachte zijn uitgebracht. Uit deze rapporten blijkt dat er sprake is van veel instabiliteit in het leven van de verdachte. Zo heeft de verdachte geen woning, geen baan, geen vast inkomen en kampt hij met hoge schulden. De reclassering maakt zich zorgen over het sociale netwerk van de verdachte, zijn middelengebruik en zijn psychosociaal functioneren. Hij lijkt te worden beïnvloed door een negatief, dan wel crimineel, netwerk. De reclassering vermoedt dat de verdachte kampt met een licht verstandelijke beperking, waardoor hij onvoldoende weerbaar is ten aanzien van die beïnvloeding. Ondanks dat de verdachte in het verleden zich onvoldoende hield aan de afspraken met de reclassering, adviseert de reclassering om aan de verdachte (opnieuw) een voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft aangegeven zich te willen houden aan de bijzondere voorwaarden.

De conclusie van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de impact die dergelijke feiten hebben op de direct betrokkenen en de maatschappij, zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gecombineerd met een (fors) voorwaardelijk strafdeel, zoals voorgesteld door de raadsvrouw, vindt de rechtbank dan ook niet passend. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat in het geval van een voorwaardelijk strafdeel, de rechtbank gebonden is aan een gevangenisstraf voor de maximale duur van vier jaar. Dat zou echter geen recht doen aan de ernst van het feit. Daarnaast heeft de verdachte in het verleden vele kansen gehad, maar deze kansen niet aangegrepen. Ook om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel. De omstandigheid dat de verdachte bij een fors voorwaardelijke straf op korte termijn zou kunnen beginnen met een behandeling in de kliniek leidt niet tot een andere conclusie.

Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals geëist door de officier van justitie te hoog is in vergelijking met wat in soortgelijke zaken als straf wordt opgelegd. Ook weegt de rechtbank mee dat zij de verdachte van één van de ten laste gelegde feiten vrijspreekt. Daarom zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar passend is.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. De door de verdachte gewenste behandeling, kan de verdachte volgen in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

8. De vordering van de benadeelde partij

De vordering

De raadsman van de benadeelde partij, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, heeft namens de benadeelde partij, [slachtoffer], een vordering tot schadevergoeding (met aanvulling) van in totaal € 6.398,24 ingediend, die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten:

€ 2.500,00 (immateriële schade)

€ 787,98 (netto winstderving)

€ 2.119,60 (netto inkomstenderving)

€ 258,68 (loonkosten gedurende sluiting restaurant)

€ 600,50 (schade aan meubilair)

€ 63,72 (medische informatie)

€ 67,76 (medicatie).

De benadeelde partij vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen en heeft daarnaast gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat niet vastgesteld kan worden dat het letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door het handelen van de verdachte en alle gevorderde posten verband houden met het letsel.

Subsidiair heeft de raadsvrouw posten loonkosten, schade aan het meubilair en de netto inkomstenderving betwist. De raadsvrouw heeft gevraagd de benadeelde partij voor die delen van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Verder heeft zij gevraagd de gevorderde immateriële schade te matigen, omdat de Rotterdamse Schaal wijst op een bedrag van € 1.100,00.

De raadsvrouw heeft de posten netto winstderving, medische informatie en medicatie niet betwist.

Het oordeel van de rechtbank

De immateriële schade

De vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hoewel de rechtbank eerder in dit vonnis heeft overwogen dat zij niet kan vaststellen dat bij de benadeelde partij sprake is van een schotwond, is de rechtbank wel van oordeel dat vast staat dat de benadeelde partij lichamelijk letsel (een verwonding aan zijn vinger) heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Er is immers letsel geconstateerd bij de benadeelde partij onmiddellijk na het schietincident en hoewel niet kan worden vastgesteld hoe dat letsel precies is ontstaan (direct door een schot, of bijvoorbeeld door het afketsen van een kogel of anderszins), kan er in redelijkheid geen twijfel over bestaan dat het letsel niet zou zijn ontstaan, indien de verdachte niet het strafbare feit had begaan. Daarmee is sprake van een rechtstreeks (oorzakelijk) verband tussen de bewezenverklaarde onrechtmatige gedraging en het lichamelijk letsel van de benadeelde partij. Dat brengt mee dat er een wettelijk grondslag is voor vergoeding van immateriële schade krachtens artikel 6:106 BW.

Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 5.11, onder g. De rechtbank is van oordeel dat uit de onderbouwing van de vordering niet blijkt dat sprake is van gevoelsverlies in de ringvinger. Dit maakt dat de rechtbank aanleiding ziet om een lager bedrag toe te wijzen dan aangewezen in de Rotterdamse schaal.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een bedrag ter grootte van € 1.000,00 billijk is als vergoeding van de geleden immateriële schade. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van diens vordering tot vergoeding van de immateriële schade niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor geleden materiële schade overweegt de rechtbank het volgende.

Netto inkomstenderving

Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat sprake is van inkomstenderving. Door het letsel aan zijn vinger heeft hij zijn werkzaamheden in het restaurant niet kunnen uitvoeren. Daardoor moest hij vervangend personeel inhuren, wat heeft geleid tot inkomstenverlies.

Uit het medisch verslag, dat deel uitmaakt van de vordering, kan worden afgeleid dat de benadeelde partij kennelijk heeft doorgewerkt nadat hij gewond is geraakt. De rechtbank kan daardoor niet beoordelen of het noodzakelijk was voor de benadeelde partij om als gevolg van zijn letsel vervangend personeel in te huren. Daarnaast biedt de onderbouwing geen inzicht in de uren die de personeelsleden gebruikelijk werken en welke uren zij nu extra hebben gewerkt. In het licht van de betwisting van deze schade door de raadsvrouw van de verdachte, is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing dan ook onvoldoende. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Loonkosten gedurende sluiting restaurant

Namens de benadeelde partij wordt om vergoeding van de loonkosten gevraagd gedurende de dag dat de benadeelde zijn zaak moest sluiten. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende duidelijk is gemaakt waarom deze kosten als gevolg van het handelen van de verdachte zijn gemaakt. De benadeelde partij zou deze kosten immers ook hebben gemaakt indien hij zijn zaak niet had hoeven sluiten. Mede gelet op de betwisting van deze schade door de verdediging is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing van deze schade daarom onvoldoende. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat zou leiden tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Schade aan het meubilair

De vordering tot vergoeding van deze schadepost is voldoende onderbouwd en door (de raadsvrouw van) de verdachte is onvoldoende gemotiveerd onderbouwd waarom het toe te wijzen bedrag moet worden beperkt tot € 500,00. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder één bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot deze post daarom geheel toe.

De netto winstderving, de medische informatie en medicatie

De vordering tot vergoeding van deze schadeposten is voldoende onderbouwd en door (de raadsvrouw van) de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schadeposten tot de gevorderde bedragen rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot deze posten daarom geheel toe.

Conclusie

De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 2.519,96, bestaande uit € 1.519,96 als vergoeding voor materiële schade en € 1.000,00 als vergoeding voor immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.519,96 aan de Staat moet betalen.

9. De vorderingen tot tenuitvoerlegging

De vorderingen

De vordering onder parketnummer 13/103474-21

Bij vonnis van 13 april 2022 in de zaak met parketnummer 13/103474-21 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam de verdachte ter zake van diefstal in vereniging met braak, medeplegen van opzetheling, poging tot diefstal in vereniging met braak en handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 254 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is op 10 mei 2022 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 29 april 2022 en was ten tijde van het bewezenverklaarde niet geëindigd.

De vordering onder parketnummer 15/182788-22

Bij vonnis van 29 december 2022 in de zaak met parketnummer 15/182788-22 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van diefstal in vereniging, vergezeld van bedreiging met geweld en afpersing in vereniging veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 1 februari 2023 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 27 januari 2023 en was ten tijde van het bewezenverklaarde niet geëindigd.

De vordering onder parketnummer 13/142995-21

Bij vonnis van 16 oktober 2023 in de zaak met parketnummer 13/142995-21 heeft de politierechter van de rechtbank Amsterdam de verdachte ter zake van een opiumdelict veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 75,00. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op één jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 8 november 2023 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 31 oktober 2023 en was ten tijde van het bewezenverklaarde niet geëindigd.

De standpunten

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de voorwaardelijke straffen alsnog ten uitvoer zullen worden gelegd. Ten aanzien van de voorwaardelijke gevangenisstraf die bij vonnis van 29 december 2022 in de zaak met parketnummer 15/182788-22 is opgelegd, merkt de officier van justitie op dat het gerechtshof Amsterdam op 16 april 2024 de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke gevangenisstraf heeft gelast. Hierdoor resteert een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

De raadsvrouw heeft gevraagd de vorderingen (gedeeltelijk) af te wijzen, zodat de verdachte op korte termijn kan beginnen met een behandeling in de kliniek.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd over de vorderingen te oordelen en de officier van justitie is daarin ontvankelijk.

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen moeten worden toegewezen, omdat uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd. De omstandigheid dat de verdachte op korte termijn zou kunnen beginnen met een behandeling in een kliniek leidt niet tot een andere conclusie, ook al niet omdat uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de rechtbank de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen van langere duur en alleen al om die reden behandeling in een kliniek op korte termijn niet mogelijk zal zijn.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 45, 55, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5.1 vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 [vijf] jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 2.519,96 [vijfentwintighonderdnegentien euro en zesennegentig eurocent], bestaande uit € 1.519,96 als vergoeding voor de materiële en € 1.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.519,96, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/103474-21 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 254 [tweehonderdvierenvijftig dagen] dagen, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 april 2022.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/182788-22 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 [drie] maanden, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 december 2022.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/142995-21 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde geldboete ten bedrage van € 75 [vijfenzeventig] euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 [een] dag hechtenis, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2023.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.C.J. Lommen, voorzitter,

mr. S. Mac Donald en mr. I.A. Groenendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 februari 2026.

Bijlage 1: de bewijsmiddelen

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.C.J. Lommen
  • mr. S. Mac Donald
  • mr. I.A. Groenendijk

Griffier

  • mr. I.A. Groenendijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?