RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11910600 \ CV EXPL 25-6748
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. S. Geldermans,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. R. van Viersen.
De zaak in het kort In deze zaak vordert eiser van gedaagde (ex-werknemer) schadevergoeding op grond van wanprestatie danwel onrechtmatige daad. Eiser stelt schade te hebben geleden doordat gedaagde - in strijd met het overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding - tijdens dienstverband voor eigen gewin concurrerende nevenwerkzaamheden heeft verricht voor een opdrachtgever van eiser. De kantonrechter wijst de vordering van eiser (grotendeels) toe, omdat voldoende vast is komen te staan dat eiser de schade heeft geleden door de toerekenbare tekortkoming van gedaagde.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 april 2026
- de akte overlegging producties tevens eisvermeerdering van [eiser] van 29 mei 2025 van [eiser]
- de akte overlegging producties van [gedaagde] van 1 juni 2026 - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en ter gelegenheid waarvan de gemachtigden van partijen pleitaantekeningen hebben voorgedragen en overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
[eiser] houdt zich bezig met het ontwerpen, creëren, produceren en wereldwijd realiseren van projecten (zoals stands) voor beurzen, congressen en andere zakelijke evenementen. [betrokkene 1] (hierna [betrokkene 1]) is de bestuurder en directeur van [eiser].
[gedaagde] is vanaf 1 december 2012 bij [eiser] in dienst geweest in de functie van projectleider. In de arbeidsovereenkomst zijn een concurrentie- en een nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen. Op grond van het nevenwerkzaamhedenbeding is het [gedaagde] tijdens dienstverband verboden om werkzaam te zijn voor een andere werkgever of opdrachtgever en om zaken te doen voor eigen rekening.
Als projectleider was [gedaagde] bij [eiser] verantwoordelijk voor het relatiebeheer van een aantal klanten, waaronder het bedrijf EVO Exhibits L.L.C. (hierna: EVO). EVO is een Amerikaans bedrijf dat vergelijkbare werkzaamheden uitvoert als [eiser]. [eiser] heeft in opdracht van EVO projecten in Nederland of Europa voor Amerikaanse klanten van EVO uitgevoerd.
In januari 2019 heeft [gedaagde] aan [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), zijn contactpersoon bij EVO, het volgende geschreven: ‘The past years I’ve been responsible for all business coming from the US (…). If you look at last year EVO brought in 400k of business. All these projects were executed by me (…).
I know [betrokkene 1] [ [betrokkene 1], toevoeging ktr] would like to see what opportunities there can be to strengthen both businesses, (…) but honestly I am not sure if this will work and that’s more or less the reason of this e-mail and the reason I am sending you this through my private mail account. Due to the fact that I am fully responsible for my own clients makes that I am still happy within my position (…) but it’s more the look in the future that’s make me doubting if it’s time for something else. Therefore I would like to have your opinion on this. Do you see other ways to work together in the future and more important are you open for this? We can think of a model in which I can stay in The Netherlands and still do the projects in Europe (…) In this case I will be part of the EVO team so not working as an independent Projectmanager. (…) As mentioned before I would like to keep this under the radar for now, but I’m sure you understand. (…)’
In de periode januari 2019 tot en met juli 2022 hebben [gedaagde] en [betrokkene 2] regelmatig whatsappcontact gehad, waarin – voor zover relevant – het volgende staat:
[07-01-2019, 07:30:01] [gedaagde]: (…) We definitely need to meet up the coming days as I really want to discuss some things with you. Not only from [eiser], but also personal.
[11-01-2019, 17:12:59] [betrokkene 2]: Read your email sounds like a fucking good deal let’s figure it out we’ll talk later (…) [13-01-2019, 16:41:12] [gedaagde]: Hi [betrokkene 2], just sent you a short powerpoint with my thoughts.
(…) [18-01-2019, 16:59:39] [betrokkene 2]: (…) I did read your PowerPoint need to look into legal aspects of all of those (…) How would affect [eiser] design? Do you have a noncompete or a non-disclose that you signed when you join them? (…) [18-01-2019, 17:07:34] [gedaagde]: (…) Noncompete or non-disclosure will not be a problem as we’re your client and not the other way around. (…) (…)
[03-05-2019, 17:36:56] [gedaagde]: FYI [betrokkene 1] is moving our office to Utrecht as of September this year. [04-05-2019, 17:03:29] [betrokkene 2]: Is this a good thing? [04-05-2019, 19:16:10] [gedaagde]: It’s more than 50 kilometers from my home (…) [05-05-2019, 15:16:18] [betrokkene 2]: Yea that sucks [05-05-2019, 15:44:24] [gedaagde]: But positive if I want to do something else in the same industry.
[21-07-2019, 16:48:05] [betrokkene 2]: Can you send me your personal email I don’t have it in my phone. (…) but has now reached out to me for their European shows maybe you should think about trying to take this one on yourself without [eiser] design let me know your thoughts.
[21-07-2019, 17:54:09] [gedaagde]: [e-mailadres] (…)
21-07-2019, 18:10 [betrokkene 2]: (…) If you can’t quote until the 31st is there anyone else that can?
21-07-2019, 18:12 [gedaagde]: Sent it to [betrokkene 1] [ [betrokkene 1], toevoeging ktr]
[12-07-2022, 13:49:14] [betrokkene 2]: Hey [gedaagde] I think you started your holiday but I got a call from (…) for (…) September show they are ready to go
[12-07-2022, 14:19:11] [gedaagde]: My holiday starts end of next week. Sent it to me, but can’t promise anything. September is completely full, so need to discuss what options we have.[15-07-2022, 17:51:18] [betrokkene 2]: Any suggestions on anyone in Germany I should call? Do you have any partners that you worked with I need to take care of them I can’t tell them I can’t take care of them. (…)
In maart 2025 is [eiser] er door één van haar medewerkers op gewezen dat [gedaagde] onder werktijd een beursstand aan het opzetten was voor een klant waar geen opdracht van uitstond bij [eiser]. [gedaagde] had de medewerker gevraagd hem te helpen bij het opbouwen van de beursstand en heeft hem verzocht dit niet verder te vertellen.
Naar aanleiding van deze melding heeft [eiser] een IT-leverancier ingeschakeld om de zakelijke laptop van [gedaagde] uit te lezen. In de laptop zijn berichten tussen [gedaagde] en [betrokkene 2] (zie onder andere 2.4 en 2.5) gevonden, evenals door [gedaagde] opgestelde offertes, kostenbegrotingen en ontwerpen voor projecten van EVO die niet aan [eiser] waren uitbesteed.
Op 28 maart 2025 heeft [eiser] [gedaagde] gehoord over de uit zijn laptop verkregen informatie. [gedaagde] heeft toen erkend dat hij nevenwerkzaamheden voor EVO heeft verricht, dat hij zich ervan bewust was wat voor consequenties dat zou kunnen hebben en dat hij ‘op een dun lijntje liep’.
In het gesprek op 28 maart 2025 heeft [eiser] [gedaagde] op staande voet ontslagen. In de bevestigingsbrief staat, voor zover relevant, het volgende:
“Recent is ons gebleken dat jij op 11 maart 2024 een onderneming gestart bent: CPM Exhibits – International Project Management (CPM Exhibits) . (…) Daarnaast hebben wij sinds gisteren inzicht in het feit dat jij vanuit CPM Exhibits offertes hebt uitgebracht, opdrachten hebt aangenomen en uitgevoerd en daarvoor (…) gefactureerd hebt aan onze klanten. En ook dat deze werkzaamheden voor CPM Exhibits plaatsvinden binnen jouw werktijd voor [eiser] B.V. Voorafgaand aan de oprichting van CPM Exhibits (…) heb je ook opdrachten aangenomen, uitgevoerd en gefactureerd vanuit [gedaagde] in privé.(…)”
Bij brief van 17 april 2025 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor door haar geleden schade als gevolg van het handelen van [gedaagde]. Een deel van de schade, een bedrag van € 6.365,21, is met de eindafrekening van [gedaagde] verrekend.
Op 25 april 2029 heeft [eiser] conservatoir beslag gelegd om haar verhaalsmogelijkheden veilig te stellen.
Op 4 augustus 2025 heeft de kantonrechter in Utrecht geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend. De kantonrechter heeft onder meer overwogen dat een werkgever niet hoeft te accepteren dat zijn werknemer concurrerende nevenwerkzaamheden verricht, zeker niet als daarover een verbod in de arbeidsovereenkomst is opgenomen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat en na eisvermeerdering - om [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 227.942,13 (vermeerderd met wettelijke rente), althans een schadevergoeding nader op te maken bij staat, onder veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. De gevorderde schadevergoeding bestaat – na verrekening van een deel van de schade met de eindafrekening - uit de volgende schadeposten:
Gederfde winst € 208.971,01
Expediapunten € 3.344,82
Gefixeerde schadevergoeding € 5.335,00
Kosten schade vaststellen € 13.335,75
Beslagkosten € 3.320,76
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] schadeplichtig is wegens wanprestatie danwel onrechtmatige daad. Met zijn handelen en gedrag heeft [gedaagde] aanzienlijke schade bij [eiser] veroorzaakt, doordat [gedaagde] zelf (tegen betaling) opdrachten is gaan uitvoeren voor een klant van [eiser]. Indien [gedaagde] dat niet had gedaan, zouden deze opdrachten bij [eiser] zijn ondergebracht en had zij daarover winst gemaakt. [eiser] vordert dan ook vergoeding van de gederfde winst en een aantal andere schade- en kostenposten.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde] betwist dat hij schadeplichtig is jegens [eiser]. Volgens [gedaagde] is hij al gestraft door (de verstrekkende gevolgen van) het ontslag op staande voet. Bovendien betwist [gedaagde] dat [eiser] schade heeft geleden, althans dat er een causaal verband tussen de vermeende schade en het handelen van [gedaagde] bestaat. Tot slot betwist [gedaagde] de omvang van de door [eiser] gestelde schade.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De vraag die voorligt is of [gedaagde] aan [eiser] schadevergoeding moet betalen op grond van een toerekenbare tekortkoming danwel onrechtmatige daad.
Toerekenbare tekortkoming van [gedaagde]
Het staat vast (zoals [gedaagde] heeft erkend) dat [gedaagde] tijdens zijn dienstverband concurrerende nevenwerkzaamheden voor eigen gewin heeft verricht. Daarmee heeft hij het overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding geschonden en gehandeld in strijd met het beginsel van goed werknemerschap. Dit levert een tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst op die [gedaagde] is toe te rekenen.
[gedaagde] heeft over de schending van zijn nevenwerkzaamhedenbeding opgemerkt dat het beding bij hem niet ‘on top of mind’ was, dat het beding door functiegroei zwaarder is gaan drukken en dat de wetgeving per 1 augustus 2022 is gewijzigd. Voor zover [gedaagde] hiermee wil betogen dat het nevenwerkzaamhedenbeding ongeldig is of de overtreding niet aan hem is toe te rekenen, faalt dat betoog. Functiegroei en de wetswijziging staan niet aan de geldigheid van het beding in de weg. Bovendien is het handelen van [gedaagde] ook zonder nevenwerkzaamhedenbeding ontoelaatbaar/onrechtmatig, zodat de tekortkoming ook in dat geval aan hem is toe te rekenen.
[gedaagde] is op grond van artikel 6:74 BW aansprakelijk voor schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde]. Dat [gedaagde] vanwege dezelfde gedragingen al ‘bestraft’ is met een ontslag op staande voet staande voet, laat de mogelijkheid van [eiser] om haar schade op grond van artikel 6:74 BW te verhalen onverlet.
[eiser] heeft schade geleden die [gedaagde] moet vergoeden
Causaal verband tussen gederfde winst en handelen van [gedaagde]
[eiser] stelt dat zij winst is misgelopen doordat [gedaagde] voor eigen rekening opdrachten van EVO is gaan uitvoeren, welke opdracht anders bij [eiser] terecht zouden zijn gekomen.
[gedaagde] betwist dat [eiser] door zijn handelen schade heeft geleden. Volgens [gedaagde] is de schade niet het gevolg is van zijn handelen maar van de autonome beslissing van EVO in 2019 om geen zaken meer met [eiser] te doen. Volgens [gedaagde] heeft EVO deze beslissing destijds genomen omdat zij ontevreden was over [eiser], waarna [eiser] geen opdrachten meer voor EVO heeft gedaan. Pas geruime tijd later, vanaf 2023, heeft [gedaagde] op verzoek van EVO een drietal projecten opgepakt. Wanneer [gedaagde] dat niet had gedaan, dan zou EVO die projecten vanwege haar in 2019 genomen beslissing niet bij [eiser] maar bij een andere partij hebben ondergebracht, aldus nog steeds [gedaagde].
Het betoog van [gedaagde] overtuigt de kantonrechter niet. Daarvoor is allereerst van belang dat uit de correspondentie tussen [gedaagde] en [betrokkene 2] volgt (2.4) dat [gedaagde] in januari 2019 zelf het initiatief heeft genomen om EVO ([betrokkene 2]) te benaderen met een voorstel voor een samenwerking buiten [eiser] om. Uit de whatsappberichten (2.5) blijkt dat [betrokkene 2] enthousiast was over het voorstel en dat partijen hierover met elkaar in gesprek zijn gegaan. Zoals de kantonrechter te Utrecht ook heeft overwogen in de onherroepelijk geworden beschikking (2.11), volgt uit de overgelegde correspondentie dat die samenwerking ook in de jaren daarna tussen [gedaagde] en EVO voortdurend onderwerp van gesprek is geweest. Zo heeft [betrokkene 2] op 21 juli 2019 aan [gedaagde] voorgesteld om een opdracht zonder [eiser] op te pakken, waarna [gedaagde] zijn privé-mailadres gaf voor verder contact daarover. Pas toen EVO vroeg wie de opdracht zou kunnen oppakken als het [gedaagde] niet zou lukken om vóór 31 juli 2019 een quote af te geven, heeft [gedaagde] EVO naar [betrokkene 1] doorverwezen (2.5). [eiser] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagde] dit heeft gedaan omdat hij op dat moment zelf op vakantie was waardoor hij de deadline voor de quote niet zou halen. De contacten hebben er uiteindelijk toe geleid dat [gedaagde] in 2023 rechtstreeks (voor eigen rekening) projecten voor EVO is gaan uitvoeren. Dat [gedaagde] en [betrokkene 2] aanvankelijk, in januari 2019, hebben gesproken over andere vormen van samenwerken zonder tussenkomst van [eiser] (zoals een dienstverband bij EVO of gezamenlijk opzetten van EVO Europe) doet hieraan niet af.
[gedaagde] heeft zijn stelling dat de projecten die [gedaagde] in opdracht voor EVO heeft uitgevoerd nooit bij [eiser] terecht zouden zijn gekomen, naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft stukken overgelegd waarin staat dat EVO in september 2019 heeft besloten de samenwerking met [eiser] te beëindigen. Uit de door [eiser] overgelegde producties blijkt echter dat [eiser] ook daarna nog contact met EVO heeft gehad over werkzaamheden en in 2022 nog een project voor EVO heeft uitgevoerd (producties 60 en 61 van [eiser]). Daaruit kan worden afgeleid dat van een (formele en definitieve) beëindiging van de samenwerking in 2019 geen sprake is geweest. Het feit dat [eiser] sinds 2019 wel minder opdrachten van EVO heeft gekregen, valt te verklaren door de Corona-periode waarin de branche-activiteiten grotendeels stil kwamen te liggen (zoals ook volgt uit whatsappverkeer tussen [gedaagde] en [betrokkene 2] uit die periode).
De stukken waaruit zou volgen dat EVO in september 2019 de samenwerking met [eiser] definitief heeft beëindigd, dateren bovendien van nádat [gedaagde] aan EVO een rechtstreekse samenwerking (zonder [eiser]) had voorgesteld. Uit de overgelegde whatsapp berichten blijkt dat [betrokkene 2] en [gedaagde] zich destijds (al) bewust waren van de juridische risico’s daarvan (2.5). De kantonrechter vindt het gelet op de gehele gang van zaken (zoals opgenomen bij de Feiten) aannemelijker dat de beslissing van EVO om niet meer met [eiser] samen te werken, is ingegeven door het voornemen van [gedaagde] en [betrokkene 2] om in de toekomst rechtstreeks (zonder [eiser]) te gaan samenwerken dan door onvrede over [eiser]. Dat wordt bevestigd door het feit dat EVO ook na de beslissing in 2019 (in 2022) nog een opdracht aan [eiser] heeft verstrekt (productie 60). Indien EVO zo ontevreden was over [eiser] dat zij (in 2019 officieel heeft besloten dat zij) nooit meer wilde samenwerken, dan ligt het niet voor de hand dat daarna toch nog opdrachten aan [eiser] zijn verstrekt. Overigens is ook niet gebleken dat EVO destijds aan [eiser] heeft kenbaar gemaakt dat zij niet meer met haar wilde/zou gaan samenwerken. Uit door [gedaagde] overgelegde whatsapp-berichten tussen hem en [betrokkene 2] uit december 2018, maart en augustus 2019 blijkt weliswaar dat [betrokkene 2] zich bij [eiser] heeft beklaagd dat bepaalde commissies te laat werden uitbetaald, maar niet dat EVO - al voordat [gedaagde] voorstelde om rechtstreeks te gaan samenwerken - naar aanleiding van die onvrede de samenwerking met [eiser] wilde beëindigen. [betrokkene 2] heeft zijn onvrede alleen bij [gedaagde] aangekaart en niet (ook) bij [betrokkene 1], hetgeen wel voor de hand had gelegen als die onvrede aanleiding zou zijn geweest om de samenwerking definitief te beëindigen. Het had vervolgens op de weg van [gedaagde], als relatiebeheerder van [eiser], gelegen om ([betrokkene 1] hierover in te lichten en) eventuele onvrede bij [betrokkene 2] weg te nemen en EVO als relatie voor [eiser] te behouden. Het is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] zich hiervoor heeft ingespannen. Daarentegen is wel gebleken dat [gedaagde] vanaf januari 2019 met [betrokkene 2] contact heeft gehad gericht op een rechtstreekse samenwerking zonder [eiser]. Niet valt in te zien waarom EVO geen opdrachten meer aan [eiser] zou hebben verstrekt, indien [gedaagde] zich in 2018 en 2019 wel zou hebben ingespannen om de relatie tussen EVO en [eiser] te behouden/verbeteren en [gedaagde] toen geen voorstel voor een rechtstreekse samenwerking zou hebben gedaan. Dat geldt te meer nu [eiser] onderbouwd heeft gesteld dat EVO binnen Europa geen andere partijen had waarmee zij samenwerkte, hetgeen ook kan worden afgeleid uit het whatsappverkeer tussen [gedaagde] en [betrokkene 2] op 15 juli 2022 (2.5). Aan het voorgaande doet niet af dat [eiser] en EVO contractueel geen exclusiviteit waren overeengekomen. De door [gedaagde] overgelegde e-mails van [betrokkene 2] uit 2025 over de situatie in 2019 (productie 8 CvA) werpen geen ander licht op de zaak. De waarde van deze achteraf opgestelde verklaringen is gelet op de rol en de belangen van [betrokkene 2] bij de rechtstreekse samenwerking met [gedaagde], nihil.
Ook het verweer van [gedaagde] dat de projecten van Beautylink B.V. nooit bij [eiser] terecht zouden zijn gekomen omdat Beautylink onbekend is in de wereld van de standbouw, het een kleine onderneming is, Beautylink [eiser] niet [betrokkene 2] en Beautylink niet het budget heeft om [eiser] in te schakelen, volgt de kantonrechter niet. Dat projecten voor Beautylink, na verwijzing door [gedaagde] en mogelijk tegen een gereduceerd tarief door ([gedaagde] als projectleider bij) [eiser] zouden zijn uitgevoerd acht de kantonrechter redelijkerwijs te verwachten.
Gederfde winst
[eiser] vordert vergoeding van gederfde winst. [eiser] begroot de geleden schade op de winst die [eiser] op het project gemaakt zou hebben als dat project bij haar in plaats van bij [gedaagde] was ondergebracht. Die winst is volgens [eiser] grotendeels gelijk aan de winst die [gedaagde] op zijn projecten voor EVO heeft gemaakt, omdat [gedaagde] steeds eenzelfde kosten- en winststructuur heeft gehanteerd als die [eiser] hanteerde voor de projecten die zij voor EVO heeft uitgevoerd. [eiser] heeft in de computer van [gedaagde] Whatsappberichten tussen [gedaagde] en [betrokkene 2] aangetroffen waaruit volgt dat zij gezamenlijk projecten hebben uitgevoerd. Verder heeft [eiser] facturen, offertes, kostenbegrotingen en ontwerpen aangetroffen die [gedaagde] ten behoeve van EVO heeft opgesteld. [eiser] heeft berekend dat de gemiddelde winstmarge op projecten die zij tussen 2014-2019 voor EVO heeft gedaan 41,9% is, waarbij al rekening is gehouden met de aan EVO verschuldigde commissie die [eiser] als kosten heeft meegenomen. Dit sluit volgens [eiser] aan bij de door [gedaagde] gehanteerde winstmarges in de kostenoverzichten die hij voor EVO heeft opgesteld voor de projecten die hij voor EVO heeft uitgevoerd. [eiser] heeft de schade per project grotendeels berekend op basis van de op de laptop van [gedaagde] aangetroffen en door [gedaagde] (of EVO op basis van door [gedaagde] verstrekte informatie) opgestelde (en in het geding gebrachte) offertes en kostenoverzichten. Voorzover informatie ontbrak heeft zij deze op basis van de aangetroffen informatie geschat. [eiser] vordert gederfde winst met betrekking tot 17 met namen, plaats en data genoemde projecten voor in totaal € 208.971,01.
[gedaagde] erkent drie projecten (Covariant – Logimat / Balyo Logimat 2024, Balyo Logimat Stuttgart 2025) rechtstreeks (op urenbasis) voor EVO te hebben verricht en daaraan in totaal € 21.017,47 aan winst te hebben overgehouden. [gedaagde] voert ten aanzien van de Beautylink projecten (in Utrecht, Antwerpen en Düsseldorf) aan dat hij gevraagd is om bij wijze van vriendendienst te adviseren en dat hij voor zijn werkzaamheden eenmalig een onkostenvergoeding van € 1.250,- (contant) heeft ontvangen. De andere projecten zijn volgens [gedaagde] niet door hem of EVO uitgevoerd. [gedaagde] voert aan dat de door [eiser] berekende winstmarge van 41% te hoog is omdat de tarieven en marges de laatste jaren veel lager zijn geworden en er momenteel geen marges van 41% meer worden gehaald. Verder wijst [gedaagde] er op dat de werkelijke winstmarges van [eiser] veel lager liggen dan 41 % omdat er in de berekening geen rekening is gehouden met overige (overhead)kosten.
De kantonrechter overweegt dat wat betreft de drie erkende projecten voldoende vaststaat dat sprake is van gederfde winst aan de zijde van [eiser]. Het feit dat [gedaagde] (zonder deugdelijke onderbouwing) aanvoert dat hij een veel lager bedrag voor deze drie projecten heeft ontvangen, weerlegt niet dat bij [eiser] sprake is geweest van gederfde winst. Wat betreft de projecten Kadokawa en Pioneer overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] zijn verweerin het licht van de concrete en onderbouwde stellingen van [eiser] onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwdMaas stelt zonder enige onderbouwing dat het Kadokawa project niet door hem is uitgevoerd en dat Pioneer niet naar EVO maar naar een andere partij is gegaan. [gedaagde] licht echter niet toe waarom meerdere ontwerpen en kostenspecificaties van zijn hand met betrekking tot deze projecten door [eiser] in zijn werklaptop zijn aangetroffen. Het verweer van [gedaagde] dat deze projecten niet zijn doorgegaan wordt daarom als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Ook het verweer van [gedaagde] dat hij voor het project Additec geen werkzaamheden heeft verricht, geen factuur heeft gestuurd en niets betaald heeft gekregen is niet onderbouwd. Dit verweer is niet te volgen in het licht van de onderbouwde stelling van [eiser] dat [gedaagde] een kostenbegroting inclusief offerteprijs heeft opgesteld en dat hij, nadat het project niet tot een opdracht heeft geleid, een rekening voor zijn werkzaamheden heeft opgesteld. Dat het een conceptfactuur zou betreffen, zoals [gedaagde] aanvoert, blijkt niet uit de factuur en dat [gedaagde] geen betaling heeft ontvangen zoals uit bankafschriften zou blijken waarover [eiser] beschikt leidt niet tot de conclusie dat geen sprake is van gederfde winst voor [eiser] ten aanzien van dit project. Nog daargelaten dat [gedaagde] de bankafschriften niet in het geding heeft gebracht, valt niet uit te sluiten dat [gedaagde] is uitbetaald via andere bankrekeningen waarvan geen afschriften aan [eiser] zijn verstrekt. Uit de door [eiser] overgelegde stukken is in voldoende mate af te leiden dat [gedaagde] voor de betreffende projecten werkzaamheden voor EVO heeft verricht waarvan aannemelijk is dat die werkzaamheden anders tegen betaling door [eiser] zouden zijn uitgevoerd. Het voorgaande geldt ook voor het verweer ten aanzien van het project AEVA. Het verweer van [gedaagde] dat hij ten aanzien van de Beautylink projecten (in Utrecht, Antwerpen en Düsseldorf) (bij wijze van vriendendienst) uitsluitend advieswerk heeft verricht wordt eveneens verworpen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat [gedaagde] de drie Beautylink projecten heeft uitgevoerd, dat de offertewaarde van de beurs in Antwerpen en in Utrecht ieder € 10.840,63 bedroeg en dat hij voor de beurs in Düsseldorf een marge van € 4.112,86 (20 % van de offertewaarde) heeft gerekend.
Ook de betwisting van [gedaagde] dat hij de twee beurzen voor [bedrijf] niet heeft uitgevoerd houdt in het licht van de concrete en onderbouwde stellingen van [eiser] hierover geen stand. Weliswaar verwijst [gedaagde] naar de verklaring van [betrokkene 2] van 16 juni 2025 waarin [betrokkene 2] meedeelt dat EVO voor deze projecten ‘een andere partij in Europa heeft ingehuurd’, maar dit weerspreekt onvoldoende de onderbouwde stelling van [eiser] dat [gedaagde] de beide ontwerpen voor de beurzen heeft gemaakt (die zijn in zijn computer aangetroffen) en dat die ontwerpen daadwerkelijk bij beide beurzen zijn gebruikt. Ook de stelling van [eiser] dat het hier om een kopie van een eerder door [eiser] gemaakt ontwerp voor EVO (project Ouster) betrof, is niet door [gedaagde] weersproken. De kantonrechter volgt dan ook de stelling van [eiser] dat ook ten aanzien van deze twee beurzen sprake is van gederfde winst.
Het voorgaande betekent dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat ten aanzien van 17 projecten sprake is geweest van gederfde winst. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen, die – anders dan [eiser] - immers volledige toegang heeft tot zijn eigen administratie en communicatie met EVO, om de onderbouwde stellingen van [eiser] gemotiveerd en onderbouwd te weerleggen. Daarin is hij – zoals uit voorgaande overwegingen volgt - niet geslaagd.
[eiser] rekent voor wat betreft de hoogte van de gederfde winst (met uitzondering van de Beautylink projecten) 40% van de offertewaarde. Het verweer van [gedaagde] dat de door [eiser] berekende winstmarge te hoog is omdat de tarieven en marges de laatste jaren veel lager zijn geworden en er momenteel geen marges van 41% meer gehaald worden, is door [eiser] gemotiveerd weersproken en daarna door [gedaagde] niet verder onderbouwd. Bovendien blijkt dat [gedaagde] in de betreffende periode zelf ook een marge van 40% rekende. [eiser] rekent (evenals [gedaagde]) voor de projecten van Beautylink een gereduceerde marge van 20%, wat de kantonrechter redelijk voorkomt.
[gedaagde] voert tenslotte aan dat de daadwerkelijke gederfde winst lager is omdat [eiser] in haar berekeningen geen rekening heeft gehouden met overige (overhead)kosten. [eiser] heeft hiertegen in gebracht dat zij rekening heeft gehouden met de integrale kostprijs inclusief de personeelskosten die bij het project horen. [eiser] betwist dat ook de algemene overheadkosten (voor bijvoorbeeld het gebouw) in mindering moeten worden gebracht. Zij stelt dat die kosten sowieso, ongeacht het aantal projecten, worden gemaakt en daarom niet relevant zijn voor de schadeberekening van een project. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de gederfde winst en daarmee de door [eiser] daadwerkelijk geleden schade minder is dan de gestelde 40%. Zoals blijkt uit de door [eiser] overgelegde winst- en verliesrekeningen betreft dit de bruto winst van [eiser]. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat met een hogere bruto winst overige bedrijfskosten (zoals verkoop- en administratiekosten) eveneens iets zouden zijn gestegen. De kantonrechter brengt daarvoor 10% in mindering en begroot de door [eiser] gederfde winst daarom op € 188.000,-.
Misbruik Expedia kortingspunten
[eiser] vordert betaling van schade die zij heeft geleden doordat [gedaagde] zonder toestemming van [eiser] Expedia kortingspunten van [eiser] heeft gebruikt voor zijn nevenactiviteiten. Het gevorderde bedrag is gelijk aan de waarde van de kortingspunten die [eiser] voor haar eigen boekingen had kunnen gebruiken indien [gedaagde] ze niet voor zichzelf had gebruikt.
De kantonrechter wijst de vordering toe. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij Expediapunten die hij heeft opgebouwd in het kader van zijn werkzaamheden voor [eiser] heeft gebruikt voor boekingen voor zijn nevenactiviteiten. Daarmee heeft [gedaagde] zichzelf ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [eiser] en is hij gehouden de hierdoor geleden schade (gelijk aan het bedrag van de verrijking) te vergoeden.
Het verweer van [gedaagde] dat hij de punten zelf mocht gebruiken omdat partijen nooit afspraken over die punten hebben gemaakt, wordt verworpen. Ook zonder afspraken had het [gedaagde] zonder meer duidelijk moeten zijn dat het niet is toegestaan om de loyalty punten die [gedaagde] in zijn werkzaamheden voor [eiser] heeft opgebouwd te gebruiken voor korting op reizen voor zijn concurrerende nevenwerkzaamheden. Het verweer van [gedaagde] dat het binnen [eiser] gebruikelijk was om loyalty punten voor privé-boekingen te gebruiken, wordt gelet op het voorgaande ook verworpen. [eiser] heeft bovendien (onder overlegging van verklaringen van drie van haar werknemers) succesvol weerlegd dat dit gebruikelijk is.
[gedaagde] heeft de hoogte van het door [eiser] gevorderde bedrag van € 3.344,82 niet betwist. Hij wordt daarom veroordeeld tot betaling van dit bedrag.
Gefixeerde schadevergoeding
[eiser] heeft betaling gevorderd van de gefixeerde schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 7:677 lid 2 en 3 BW. [gedaagde] heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd anders dan dat de vergoeding moet worden gematigd tot nihil wegens privacy schendingen door [eiser].
De kantonrechter zal de vordering van € 5.335,- toewijzen, omdat [gedaagde] door opzet of schuld aan [eiser] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Voor matiging bestaat geen grond. In artikel 7:677 lid 5 BW is namelijk bepaald dat de vergoeding niet verder mag worden gematigd dan het loon over de wettelijke opzegtermijn, en dat is wat [eiser] heeft gevorderd.
Kosten voor vaststelling en begroting van de schade
[eiser] vordert vergoeding van kosten die zijn gemaakt om de aansprakelijkheid van [gedaagde] vast te stellen en de geleden schade te begroten.
De kantonrechter is van oordeel dat de kosten van € 544,50 voor de IT-leverancier die is ingeschakeld om de laptop van [gedaagde] uit te lezen, op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW toewijsbaar zijn. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, waren de werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk en zijn de kosten naar hun omvang redelijk. De kantonrechter verwerpt het verweer van [gedaagde] dat [eiser] de werkzaamheden eenvoudig zelf had kunnen uitvoeren. Het is uit het oogpunt van zorgvuldigheid alleszins begrijpelijk dat [eiser] hiervoor een externe partij heeft ingeschakeld. Het is bovendien niet juist, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, dat deze kosten (uitsluitend) voor het ontslag op staande voet zijn gemaakt. De uit de laptop verkregen informatie is ook gebruikt ter onderbouwing van de schadevergoedingsvordering in deze procedure.
Verder heeft [eiser] vergoeding gevorderd van de tijd die twee van haar medewerkers hebben besteed aan het vaststellen van de omvang van de nevenactiviteiten en de daardoor geleden schade. Volgens het overgelegde overzicht gaat het om in totaal 133,85 uren tegen een tarief van € 125,- respectievelijk € 75,- per uur.
Dergelijke, intern gemaakte bedrijfskosten, in de vorm van door eigen medewerkers aan de zaak bestede tijd, komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Ook hiervoor geldt het vereiste dat de verrichte werkzaamheden noodzakelijk waren en de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat in het overzicht tijd is meegenomen die niet is besteed aan het vaststellen van de aansprakelijkheid en de omvang van de schade, maar aan het voeren van het ontslaggesprek met [gedaagde], de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst (opstellen verlofoverzicht en eindafrekening) en het contact met en beoordelen van concept-correspondentie en – processtukken van de advocaat. Die kosten komen naar het oordeel van de kantonrechter niet voor vergoeding op de voet van artikel 6:96 BW in aanmerking. Verder heeft [gedaagde] er terecht op gewezen dat [eiser] niet heeft toegelicht of onderbouwd waarom de door haar gehanteerde uurtarieven gelet op de aard van de werkzaamheden passend zijn. Tot slot is de kantonrechter met [gedaagde] eens dat de omvang van de tijd besteed aan het lezen, ordenen, opslaan en beoordelen van de whatsappgesprekken en aan het controleren van de Expedia boekingen vrij fors is. Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding het toe te wijzen bedrag te begroten op € 8.000,-.
Totale bedrag aan schadevergoeding door [gedaagde] te vergoeden
Gelet op het voorgaande komt de door [gedaagde] aan [eiser] te vergoeden schade neer op: gederfde winst € 188.000,00
Expedia punten € 3.344,82
Gefixeerde schadevergoeding € 5.335,00
Kosten vaststellen schade € 8.554,50 (€ 544,50 + € 8.000,-).
Dit komt uit op een totaalbedrag van € 205,224,32. Rekening houdend met het al verrekende bedrag van € 6.365,21 (2.10), zal [gedaagde] worden veroordeeld aan [eiser] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 198,859,11, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals gevorderd.
Beslagkosten
[eiser] vordert betaling van de beslagkosten. De vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. Dat is alleen anders wanneer het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was, maar daarvan is in dit geval geen sprake. De beslagkosten, worden vastgesteld op € 677,76 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,00 voor griffierecht en € 950,-- voor salaris gemachtigde (1,0 punt), totaal € 2.341,76. Omdat de hoofdzaak een kantonzaak is, wordt voor wat betreft het salaris gemachtigde aangehaakt bij het liquidatietarief van kanton en niet het liquidatietarief van handel, zoals door [eiser] was gevorderd.
Omdat de beslagkosten tot de proceskosten worden gerekend, wordt de gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten niet vanaf de dag van de dagvaarding toegewezen, maar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na de datum van dit vonnis.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
747,00
- salaris gemachtigde
€
2.525,00
(2,5 punten × € 1.010,00)
Totaal
€
3.392,21
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 198,859,11, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 23 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.341,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.392,21 te betalen binnen veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW en de nakosten, voor zover die worden gemaakt, over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.