ECLI:NL:RBNHO:2026:988

ECLI:NL:RBNHO:2026:988

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 15/324093-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling voor het seksueel binnendringen van het lichaam, gepleegd met de kleindochters van de verdachte. Schakelbewijs. Vrijspraak voor het plegen van ontuchtige handelingen, wegens onvoldoende steunbewijs. Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, toewijzing vorderingen BP.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/324093-24 (P)

Uitspraakdatum: 3 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1963 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. W.M. van der Most en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. G.W. van Wurpel, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair: hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2022 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2012), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten:- het één of meermaals met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, en/of in de anus van die [slachtoffer 1] te gaan en/of- het één of meermaals (boven en/of onder de kleding) aan de billen en/of vagina van die [slachtoffer 1] te zitten;

Feit 1 subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2022 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2012), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:- het één of meermaals met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, en/of in de anus van die [slachtoffer 1] te gaan en/of- het één of meermaals (boven en/of onder de kleding) aan de billen en/of vagina van die [slachtoffer 1] te zitten;

Feit 2 primair: hij in of omstreeks de periode van [geboortedatum 3] 2006 tot en met 3 november 2014 te Alkmaar, in elk geval in Nederland met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2002), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten:- het één of meermaals met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 2] te gaan en/of- het één of meermaals (boven en/of onder de kleding) aan de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 2] te zitten;

Feit 2 subsidiair: hij in of omstreeks de periode van [geboortedatum 3] 2006 tot en met 3 november 2014 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2002), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, TE WETEN:- het één of meermaals met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 2] te gaan en/of- het één of meermaals (boven en/of onder de kleding) aan de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 2] te zitten;

Feit 3 primair: hij in of omstreeks de periode van [geboortedatum 3] 2014 tot en met [geboortedatum 3] 2016 te Alkmaar, in elk geval in Nederland met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2002, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten:- het één of meermaals met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 2] te gaan en/of- het één of meermaals (boven en/of onder de kleding) aan de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 2] te zitten;

Feit 3 subsidiair: hij in of omstreeks de periode van [geboortedatum 3] 2014 tot en met [geboortedatum 3] 2016 te Alkmaar, in elk geval in Nederland met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2002, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:- het één of meermaals met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 2] te gaan en/of- het één of meermaals (boven en/of onder de kleding) aan de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 2] te zitten;

Feit 4: hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2019 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland met [slachtoffer 3] , geboren op 26 november 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:- het één of meermaals (boven en/of onder de kleding) in de billen van die [slachtoffer 3] te knijpen en/of over de billen van die [slachtoffer 3] te wrijven;

De rechtbank zal [slachtoffer 1] in dit vonnis aanduiden als [voornaam 1] .

De rechtbank zal [slachtoffer 2] in dit vonnis aanduiden als [voornaam 2] .

De rechtbank zal [slachtoffer 3] in dit vonnis aanduiden als [voornaam 3] .

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De standpunten

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot de bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair en feit 4.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De raadsman voert daartoe aan dat het dossier geen steunbewijs bevat voor de verklaringen van [voornaam 1] , [voornaam 2] en [voornaam 3] . De verklaringen van de ouders zijn zogenaamde de auditu verklaringen en zij hebben geen emoties waargenomen bij [voornaam 1] , [voornaam 2] en [voornaam 3] kort na de vermeende feiten. Ook kunnen de verklaringen van [voornaam 1] , [voornaam 2] en [voornaam 3] niet over en weer als schakelbewijs worden gebruikt, omdat in hun verklaringen geen sprake is van overeenkomsten op essentiële punten of handelingen met kenmerkende gelijkenissen. Verder heeft de raadsman nog opgemerkt dat de familiaire band tussen [voornaam 1] , [voornaam 2] en [voornaam 3] de betrouwbaarheid van hun verklaringen mogelijk aantast omdat er rekening mee moet worden gehouden dat zij met elkaar gesproken hebben over de feiten die de verdachte worden verweten.

4. Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 7 augustus 2023, 7 september 2023 en 2 juli 2024 is aangifte gedaan tegen de verdachte. Hij wordt beschuldigd van seksueel misbruik en/of ontucht met drie kleindochters van zijn (destijds) vrouw. Deze kleindochters zijn de zusjes [voornaam 1] en [voornaam 2] en hun nichtje [voornaam 3] .

[voornaam 1] (geboren in 2012) heeft (samengevat) verklaard dat de verdachte haar overal op haar lichaam aanraakte en dat hij met zijn vingers in haar vagina en anus ging. Dit gebeurde bij oma thuis en [voornaam 1] zou toen vijf, zes of zeven jaar oud zijn geweest.

[voornaam 2] (geboren in 2002) heeft (samengevat) verklaard dat de verdachte met zijn hand over haar vagina heeft gewreven, aan haar borsten heeft gezeten en met zijn vinger in haar vagina ging. Dit gebeurde bij oma thuis en [voornaam 2] zou toen zes jaar oud zijn geweest. Het misbruik is gestopt toen zij veertien jaar oud was.

[voornaam 3] (geboren in 2010) heeft (samengevat) verklaard dat de verdachte met zijn hand aan haar billen heeft gezeten, dit gebeurde boven en onder haar kleding. De verdachte zou dit hebben gedaan toen hij met [voornaam 3] naar de supermarkt liep en bij oma in de keuken. [voornaam 3] was toen acht of negen jaar oud.

De verdachte ontkent de verweten handelingen.

Juridisch kader

Bij het beantwoorden van de vraag of de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen stelt de rechtbank het volgende voorop.

Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte, zoals in deze zaak, kan dat ertoe leiden dat slechts de verklaringen van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel beschikbaar zijn.

Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de rechtbank het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend baseren op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring moet dus naast de belastende verklaring van het vermeende slachtoffer sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron. Zo kunnen bijvoorbeeld door een getuige bij het slachtoffer waargenomen emoties steunbewijs opleveren. In zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaring(en) van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren. De rechtbank zal daarom eerst moeten beoordelen of sprake is van een betrouwbare verklaring van het vermeende slachtoffer en vervolgens moeten beoordelen of het dossier steunbewijs biedt aan de verklaringen van het vermeende slachtoffer. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, maar voldoende is dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer zelf. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.

Als er geen direct steunbewijs is voor de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten dan kunnen de feiten met zogenoemd schakelbewijs toch bewezen worden. Het gaat dan om het gebruik van bewijs van een ander, soortgelijk feit dat als steunbewijs kan dienen. Schakelbewijs kan alleen worden gebruikt als de manier waarop de verschillende feiten (in dit geval het misbruik waarover [voornaam 1] , [voornaam 2] en [voornaam 3] hebben verklaard) zijn begaan, op essentiële punten overeenkomt of kenmerkende gelijkenissen vertoont. De manier waarop de feiten zijn gepleegd (modus operandi) moet dan zodanig overeenkomen in de zaken dat (bijvoorbeeld) de aangifte van het ene feit als steunbewijs voor het andere feit kan dienen.

De verklaringen

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verklaringen van [voornaam 1] , [voornaam 2] en [voornaam 3] betrouwbaar zijn en daarmee bruikbaar zijn voor het bewijs.

De betrouwbaarheid van de verklaring van [voornaam 1]

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [voornaam 1] – ondanks het tussenliggende tijdsverloop - in grote lijnen gelijkluidend zijn geweest. Haar verklaringen zijn dan ook consistent ten opzichte van elkaar en komen ook overeen met de verklaring van haar moeder. [voornaam 1] heeft aan haar moeder verteld wat haar zou zijn overkomen en dit komt in grote lijnen overeen met wat [voornaam 1] bij de politie heeft verklaard. Daarnaast komt de verklaring van [voornaam 1] op de rechtbank authentiek over, omdat [voornaam 1] ook aangeeft bepaalde dingen niet meer te weten (zoals dat zij niet meer exact weet hoe de verdachte met zijn vinger in haar anus ging) en aangeeft dat bepaalde dingen niet zijn gebeurd ( [voornaam 2] heeft gevraagd of de verdachte ook met zijn geslachtsdeel in haar vagina is geweest, [voornaam 1] geeft aan dat dit niet is gebeurd). Verder heeft [voornaam 1] gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen, waaronder het binnendringen met de vingers, die de verdachte bij haar zou hebben verricht en de omstandigheden waaronder deze handelingen hebben plaatsgevonden. [voornaam 1] benoemt concrete gebeurtenissen waarbij details worden vermeld met betrekking tot waar en hoe de seksuele handelingen plaatsvonden. De rechtbank weegt ook mee dat [voornaam 1] spontaan (na het zien van een televisieserie) over het misbruik is begonnen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [voornaam 1] . De rechtbank zal deze verklaringen dan ook als uitgangspunt nemen ten aanzien van feit 1.

De betrouwbaarheid van de verklaring van [voornaam 2]

De rechtbank stelt vast dat ook de verklaringen van [voornaam 2] – ondanks het tussenliggende tijdsverloop - in grote lijnen gelijkluidend zijn geweest. Ook haar verklaringen zijn consistent ten opzichte van elkaar en komen overeen met de verklaring van haar moeder. [voornaam 2] heeft aan haar moeder verteld wat haar zou zijn overkomen en dit komt in grote lijnen overeen met wat [voornaam 2] bij de politie heeft verklaard. Daarnaast is de verklaring van [voornaam 2] op de rechtbank authentiek overgekomen, omdat [voornaam 2] ook aangeeft dat bepaalde dingen niet zijn gebeurd (zoals dat zij niet met haar handen de penis van de verdachte heeft aangeraakt). Verder heeft [voornaam 2] gedetailleerd verklaard over de seksuele handelingen, waaronder het binnendringen met de vingers, die de verdachte bij haar zou hebben verricht en de omstandigheden waaronder deze handelingen hebben plaatsgevonden. [voornaam 2] benoemt concrete gebeurtenissen waarbij details worden vermeld met betrekking tot waar en hoe de seksuele handelingen plaatsvonden. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [voornaam 2] . De rechtbank zal deze verklaringen dan ook als uitgangspunt nemen ten aanzien van de feiten 2 en 3.

De betrouwbaarheid van de verklaring van [voornaam 3]

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [voornaam 3] – ondanks het tussenliggende tijdsverloop - in grote lijnen gelijkluidend zijn geweest. Ook voor haar verklaringen geldt dat deze consistent zijn ten opzichte van elkaar en dat zij overeenkomen met de verklaring van haar vader en moeder. [voornaam 3] heeft aan haar ouders verteld wat haar zou zijn overkomen en dit komt overeen met wat [voornaam 3] bij de politie heeft verklaard. Daarnaast is de verklaring van [voornaam 3] op de rechtbank authentiek overgekomen, omdat [voornaam 3] ook aangeeft dat bepaalde dingen niet zijn gebeurd, zoals dat de verdachte niet met zijn hand in haar billen is geweest, zoals [voornaam 1] wel heeft verklaard. Verder heeft [voornaam 3] gedetailleerd verklaard over de ontuchtige handelingen die de verdachte bij haar zou hebben verricht en de omstandigheden waaronder deze handelingen hebben plaatsgevonden. [voornaam 3] benoemt concrete gebeurtenissen waarbij details worden vermeld met betrekking tot waar en hoe de seksuele handelingen plaatsvonden. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [voornaam 3] . De rechtbank zal deze verklaringen dan ook als uitgangspunt nemen ten aanzien van feit 4.

De rechtbank overweegt verder dat het dossier geen concrete aanwijzingen bevat dat de verklaringen die [voornaam 1] , [voornaam 2] en [voornaam 3] ieder afzonderlijk hebben afgelegd, zijn beïnvloed door informatie waarvan zij in de tussenliggende periode (over en weer) kennis hebben genomen en dat de verklaringen daarom niet betrouwbaar zouden zijn. Het feit dat [voornaam 1] en [voornaam 2] met elkaar hebben gesproken over wat hen is overkomen, en dat de aangeefsters familie zijn van elkaar, maakt dit oordeel niet anders.

Het steunbewijs

Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat de verklaringen van [voornaam 1] , [voornaam 2] en [voornaam 3] betrouwbaar zijn, moet de rechtbank vervolgens beoordelen of de verklaringen voldoende worden ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen. De rechtbank zal dat hieronder bespreken.

De zaken van [voornaam 1] en [voornaam 2]

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [voornaam 1] en [voornaam 2] niet voldoende worden ondersteund door ander (direct) bewijsmateriaal om op grond daarvan tot een bewezenverklaring te komen. Daarom heeft de rechtbank gekeken of de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten met zogenoemd schakelbewijs bewezen kunnen worden.

De rechtbank stelt vast dat [voornaam 1] en [voornaam 2] afzonderlijk van elkaar verklaringen hebben afgelegd die op essentiële punten relevante overeenkomsten vertonen, en waarin een herkenbare en gelijksoortige modus operandi besloten ligt. Zo hebben [voornaam 1] en [voornaam 2] beiden verklaard dat zij met de verdachte onder een dekentje op de bank zaten, dat hij vervolgens met zijn hand aan de vagina voelde en met zijn vinger in hun vagina ging. [voornaam 1] en [voornaam 2] hebben beiden verklaard dat zij hierbij altijd een pyjama of nachtjapon droegen. Ook hebben [voornaam 1] en [voornaam 2] verklaard dat de verdachte deze seksuele handelingen verrichtte terwijl oma in de woonkamer aan tafel zat.

De meisjes hebben aldus gelijkluidend verklaard over de wijze waarop, de context waarbinnen en de omstandigheden waaronder de verdachte bepaalde ontuchtige handelingen bij hen heeft gepleegd. Het voorgaande maakt dan ook dat de rechtbank van oordeel is dat de verklaringen van [voornaam 1] en [voornaam 2] kunnen dienen als steunbewijs in de vorm van schakelbewijs voor elkaars verklaringen.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat niet is vereist dat elk bestanddeel van het ten laste gelegde feit bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen afkomstig van een andere bron die in een niet te ver verwijderd verband staan tot de verweten gedraging(en). Hiervan is gelet op wat hiervoor is overwogen sprake. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de feiten 1 primair, 2 primair en 3 primair wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De zaak van [voornaam 3]

Net als bij [voornaam 1] en [voornaam 2] , ontkent de verdachte seksuele of ontuchtige handelingen te hebben verricht bij [voornaam 3] . De vraag is vervolgens of de verklaring van [voornaam 3] voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank heeft hiervoor gekeken naar de getuigenverklaringen van de ouders van [voornaam 3] en naar de mogelijkheid van schakelbewijs. De rechtbank komt tot de conclusie dat het dossier ten aanzien van de verklaring van [voornaam 3] geen steunbewijs bevat en dat de verdachte daarom moet worden vrijgesproken van wat hem onder feit 4 wordt verweten. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen.

Ten aanzien van de verklaringen van de ouders van [voornaam 3] overweegt de rechtbank als volgt. De verklaringen van de ouders van [voornaam 3] over wat [voornaam 3] zou zijn overkomen kunnen op zichzelf genomen geen steun bieden aan de verklaring van [voornaam 3] . De ouders hebben de feiten namelijk niet zelf waargenomen en verklaren wat zij van [voornaam 3] hebben gehoord over het feit. Daarmee is de informatie waarover de ouders verklaren afkomstig uit dezelfde bron: [voornaam 3] . Dit kan anders zijn in het geval dat de getuigen (de ouders) ook emoties of een gemoedstoestand hebben waargenomen bij [voornaam 3] . Deze waarnemingen kunnen in beginsel als steunbewijs dienen. Er moet alleen wel kunnen worden vastgesteld dat er een verband is tussen de waargenomen emoties en het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd en hierbij is het tijdsverloop relevant. In veel zaken gaat het om waargenomen emoties direct na het incident, waarbij het verband vaak duidelijk is (bijvoorbeeld dat een slachtoffer vlak na een zeden feit hevig geëmotioneerd en huilend wordt aangetroffen). In deze zaak is dat anders, omdat het hier niet gaat om waargenomen emoties vlak na de ontuchtige handelingen, maar over emoties die vijf tot zes jaar later worden gezien. Van deze waargenomen emoties kan dus niet zonder meer worden vastgesteld dat deze een verband hebben met de beschuldiging en daarom moet hier behoedzaam mee worden omgaan. De rechtbank vindt hierbij ook relevant dat de ouders hebben verklaard geen gedragsverandering bij [voornaam 3] te hebben gezien tijdens of kort na de ontuchtige handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd. Hoewel de moeder van [voornaam 3] heeft verklaard dat [voornaam 3] die avond niet kon slapen vanwege wat er die dag met opa was gebeurd, is de rechtbank van oordeel dat die waarneming onvoldoende is om als steunbewijs te dienen. Ook is de rechtbank van oordeel dat de door de ouders tijdens het latere gesprek van 8 mei 2024 waargenomen emoties bij [voornaam 3] in een te ver verwijderd verband staan tot het ten laste gelegde feit. Ditzelfde geldt voor de waargenomen emoties van [voornaam 3] door de rechter-commissaris tijdens het verhoor op 10 juni 2025, omdat ook deze emoties worden waargenomen jaren na het feit.

De verklaringen van de ouders over de emoties van [voornaam 3] en de waargenomen emoties door de rechter-commissaris ten tijde van het afleggen van de verklaring door [voornaam 3] bij de rechter-commissaris, kunnen daarom niet worden gebruikt als steunbewijs.

Ten aanzien van het schakelbewijs overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor overwogen bieden de verklaringen van [voornaam 1] en [voornaam 2] over en weer steun aan elkaar. De rechtbank is echter van oordeel dat de verklaringen van [voornaam 1] en [voornaam 2] geen steun kunnen bieden aan de verklaring van [voornaam 3] . De verklaringen van [voornaam 1] en [voornaam 2] komen op concrete en essentiële punten overeen, maar deze punten komen niet terug in de verklaring van [voornaam 3] . De feiten en omstandigheden waarover [voornaam 3] over verklaart zijn in die zin anders dan de feiten en omstandigheden waarover haar nichtjes over verklaren. Dit maakt dat de rechtbank de verklaringen van [voornaam 1] en [voornaam 2] niet zal gebruiken als steunbewijs voor de verklaring van [voornaam 3] .

Omdat het dossier geen (andere) bewijsmiddelen bevat die steun kunnen bieden aan de verklaring van [voornaam 3] , zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van wat hem onder feit 4 wordt verweten.

De conclusie van de rechtbank

Gelet op wat hiervoor is overwogen en op grond van de bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis, komt de rechtbank tot de bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van wat hem onder feit 4 wordt verweten, omdat er (kort gezegd) geen steunbewijs is voor de verklaring van [voornaam 3] .

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 primair: hij in de periode van [geboortedatum 2] 2017 tot en met 30 juni 2022 in Nederland met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2012), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten:- het meermaals met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en in de anus van die [slachtoffer 1] te gaan en- het meermaals onder de kleding aan de billen en vagina van die [slachtoffer 1] te zitten.

Feit 2 primair: hij in de periode van [geboortedatum 3] 2008 tot en met 3 november 2014 in Nederland met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2002), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten:- het meermaals met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] te gaan en- het meermaals (boven en/of onder de kleding) aan de borsten en vagina van die [slachtoffer 2] te zitten.

Feit 3 primair: hij in de periode van [geboortedatum 3] 2014 tot en met [geboortedatum 3] 2016 in Nederland met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2002, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten:- het meermaals met zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] te gaan en- het meermaals (boven en/of onder de kleding) aan de borsten en vagina van die [slachtoffer 2] te zitten.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. De kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Feit 2 primair: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Feit 3 primair: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De sanctie

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden en om daarnaast aan de verdachte de maatregel als bedoelt in artikel 38v Sr op te leggen, in de vorm van een contact verbod met de slachtoffers en/of hun familie voor de duur van drie jaar. De officier van justitie heeft gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat per overtreding één maand hechtenis wordt opgelegd, met een maximum van zes maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over de strafmaat, gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft gedurende een lange periode seksuele handelingen gepleegd met zijn (stief)kleindochters. De verdachte heeft handelingen verricht die onder meer bestonden uit het met zijn vinger(s) binnendringen van de vagina en/of anus. Dit zijn buitengewoon ernstige feiten, waarmee de verdachte een grote inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [voornaam 1] en [voornaam 2] . De verdachte heeft met zijn handelen de seksuele ontwikkeling van beide meisjes al op zeer jonge leeftijd verstoord. De verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van jonge kinderen en van het vertrouwen wat door de familie als (stief)opa in hem werd gesteld. In het huis van oma mochten [voornaam 1] en [voornaam 2] veiligheid en geborgenheid verwachten. Daaraan heeft het hen door toedoen van de verdachte ernstig ontbroken. Uit de slachtofferverklaring van [voornaam 2] spreekt ook veel verdriet. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige feiten en heeft daarvoor geen enkele verantwoordelijkheid genomen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 11 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Verder heeft de rechtbank gelet op wat in het dossier staat vermeld en wat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om de duur van de op te leggen sanctie te matigen.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de impact die dergelijke feiten hebben op de slachtoffers, zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. De rechtbank erkent dat detentie hoogstwaarschijnlijk een grote impact zal hebben op het leven van de verdachte, maar die omstandigheid doet niet af aan de op de rechtbank rustende taak om een straf op te leggen die passend is bij de ernst van de gepleegde strafbare feiten en het leed dat in concrete zin de slachtoffers en hun familie is aangedaan. Gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, zal de rechtbank echter een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Daarbij weegt de rechtbank mee dat zij de verdachte van één van de tenlastegelegde feiten vrijspreekt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden moet worden opgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om aan de verdachte de maatregel als bedoelt in artikel 38v Sr op te leggen, omdat uit het dossier geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de verdachte contact zoekt of recent heeft gezocht met de slachtoffers of hun familie.

De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

8. De vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering ingediend namens [voornaam 1]

De vordering

De raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. P.W.M. Soekhai, advocaat te Eindhoven, heeft namens de benadeelde partij, [naam 1] , de wettelijk vertegenwoordiger van [voornaam 1] , een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 21.000,00 ingediend, die zij als gevolg van het onder één ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,00 voor vergoeding van materiële (toekomstige) schade en uit € 20.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade geheel kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering ten aanzien van de toekomstige schade.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de gevorderde immateriële kosten overweegt de rechtbank als volgt. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de ernst van het feit en de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar de paragrafen 15.2. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie a: de meest ernstige gevallen van seksueel binnendringen, omdat sprake is van verregaande seksuele handelingen, een kwetsbaar (jong) slachtoffer, een vertrouwensband tussen het slachtoffer en de verdachte en het misbruik een zeer lange periode heeft geduurd. Op grond van op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van € 20.000,00 redelijk en billijk is.

Ten aanzien van de post toekomstige materiele schade dient, in overeenstemming met het door de benadeelde partij ook zelf ingenomen standpunt, niet-ontvankelijkheid te volgen, omdat de wet geen ruimte biedt om toekomstige schade op voorhand te vergoeden.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de vordering toewijsbaar is tot een totaalbedrag van € 20.000,00 en dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hiervoor genoemde bedrag dat de verdachte aan de benadeelde partij moet vergoeden wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 30 juni 2022.

Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in het dictum weergegeven.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

De vordering ingediend namens [voornaam 2]

De vordering

De raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. P.W.M. Soekhai, advocaat te Eindhoven, heeft namens de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 21.000,00 ingediend, die zij als gevolg van het onder één ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,00 voor vergoeding van materiële (toekomstige) schade en uit € 20.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade geheel kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering ten aanzien van de toekomstige schade.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, gelet op de door hem bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de gevorderde immateriële kosten overweegt de rechtbank als volgt. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de ernst van het feit en de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar de paragrafen 15.2. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie a: de meest ernstige gevallen van seksueel binnendringen, omdat sprake is van verregaande seksuele handelingen, een kwetsbaar (jong) slachtoffer, een vertrouwensband tussen het slachtoffer en de verdachte en het misbruik een zeer lange periode heeft geduurd. Op grond van op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van € 20.000,00 redelijk en billijk is.

Ten aanzien van de post toekomstige materiele schade dient niet-ontvankelijkheid te volgen, nu de wet geen ruimte biedt om toekomstige schade op voorhand te vergoeden.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de vordering toewijsbaar is tot een totaalbedrag van € 20.000,00 en dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hiervoor genoemde bedrag wat de verdachte aan de benadeelde partij moet vergoeden wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 4 november 2016.

Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in het dictum weergegeven.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

De vordering ingediend namens [voornaam 3]

De raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. M. Öz, advocaat te Noord-Scharwoude, heeft namens de benadeelde partij [naam 2] , de wettelijk vertegenwoordiger van [voornaam 3] , een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 6.000,00 ingediend wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder vier ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit onder vier. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, die ziet op het onder vier ten laste gelegde feit.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 57, 244 (oud) en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam 1], als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 1] , geleden schade tot een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [naam 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [naam 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 125 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [naam 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 20.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 125 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [naam 2], als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 3] , niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.A. Groenendijk, voorzitter,

mr. M.C.J. Lommen en mr. S. Mac Donald, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 februari 2026.

Bijlage: de bewijsmiddelen

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. I.A. Groenendijk
  • mr. M.C.J. Lommen
  • mr. S. Mac Donald

Griffier

  • mr. S. Mac Donald

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?