RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11803172 \ CV EXPL 25-2644 (SJ)
Vonnis van 21 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] interim & advocaat,
te Alkmaar,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. K. Dirlik,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In het kader van de ambtshalve toetsing heeft de kantonrechter geoordeeld dat het kostenbeding in de overeenkomst van opdracht niet transparant maar niet oneerlijk is. Daarom heeft de kantonrechter ten aanzien van het gevorderde restbedrag een sanctie van 20% toegepast.
In deze zaak wordt betaling gevorderd van werkzaamheden die een advocaat voor een cliënt heeft verricht. De cliënt vindt dat zij het gevorderde restbedrag niet hoeft te betalen omdat de advocaat teveel uren heeft gedeclareerd en zijn werk niet goed heeft verricht. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de cliënt onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit de juistheid van het standpunt blijkt. De vordering van de advocaat wordt grotendeels toegewezen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 september 2025
- de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden.
2. De feiten
[eiser] is een advocatenpraktijk. [gedaagde] is een consument die contact met [eiser] heeft opgenomen met het verzoek haar rechtsbijstand te verlenen. Voor zover hier van belang zou [eiser] namens [gedaagde] informatieverzoeken naar de politie sturen en indien noodzakelijk namens [gedaagde] een klacht indienen.
Op 4 januari 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde] een opdrachtbevestiging toegezonden. Deze heeft [gedaagde] op 5 januari 2023 getekend.
[eiser] heeft vervolgens voor [gedaagde] juridische werkzaamheden verricht en hiervoor aan [gedaagde] facturen gestuurd met daarbij een (uren)specificatie.
[gedaagde] heeft, ondanks daartoe te zijn aangemaand, de factuur van 22 mei 2023 voor een bedrag van € 1.842,29 onbetaald gelaten.
3. Het geschil
[eiser] vordert om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.842,29, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2023 en tot betaling van € 276,34 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. [eiser] vordert ook dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – samengevat – dat zij op grond van de opdrachtovereenkomst werkzaamheden voor [gedaagde] heeft uitgevoerd. Daarvoor heeft [eiser] diverse facturen naar [gedaagde] gestuurd, waarvan een factuur, ondanks aanmaning daartoe, niet volledig is betaald.
[gedaagde] voert – samengevat – aan dat voor het opstellen van één conceptbrief bijna twaalf arbeidsuren zijn toegeschreven. Dat vindt zij veel te veel. Volgens [gedaagde] komt dat doordat [advocaat 2] , de kantoorgenoot van [advocaat 1] , niet bij de besprekingen op kantoor aanwezig was en de achtergrond van de zaak niet heeft meegekregen. Hierdoor heeft [advocaat 2] zelf de ‘gaten’ moeten invullen, waardoor er fouten zijn gemaakt, die [gedaagde] steeds heeft moeten aanpassen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Kostenbeding
De kantonrechter is gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in een met een consument gesloten overeenkomst en in algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
In de tussen partijen overeengekomen overeenkomst van opdracht is onder meer opgenomen dat de werkzaamheden in rekening worden gebracht tegen een uurtarief van € 200,00 exclusief btw voor [advocaat 1] en € 185,00 exclusief btw voor [advocaat 2] . De kantonrechter is van oordeel dat dit kostenbeding een kernbeding is. Kernbedingen worden in beginsel niet getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn, behalve als ze niet transparant zijn.
[gedaagde] voert aan dat haar op voorhand alleen het uurtarief is verteld en dat er geen inschatting is gegeven over wat het ongeveer gaat kosten. In lijn met het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 november 2024 is de kantonrechter van oordeel dat het kostenbeding niet transparant is (omdat daarin uitsluitend een uurtarief wordt genoemd). Aan de stelling van [eiser] op de zitting dat aan [gedaagde] wel is gezegd dat hoeveel tijd de werkzaamheden naar verwachting in beslag zouden nemen, gaat de kantonrechter voorbij. Deze stelling is niet onderbouwd, terwijl dat gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , wel op de weg van [eiser] had gelegen. De kantonrechter houdt het er daarom voor dat uitsluitend een uurtarief is genoemd, terwijl van een advocaat mag verwacht worden dat voor het sluiten van de overeenkomst een realistische inschatting wordt gegeven van de tijd die vermoedelijk nodig is voor de behandeling van de zaak, zodat de consument in staat wordt gesteld de financiële gevolgen van de overeenkomst te overzien.
Omdat echter het tussen partijen overeengekomen uurtarief van [advocaat 1] en [advocaat 2] marktconform is, verstoort het kostenbeding naar het oordeel van de kantonrechter niet in strijd – met de goede trouw – het evenwicht ten nadele van [gedaagde] . De stelling van [gedaagde] dat het uurtarief van [advocaat 2] te hoog is, volgt de kantonrechter dus niet. Het beding is daardoor niet oneerlijk en [gedaagde] is in beginsel gehouden tot betaling van de openstaande factuur.
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
De kantonrechter dient vervolgens te beoordelen of bij het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
[eiser] heeft in de dagvaarding niet gesteld hoe de overeenkomst tot stand is gekomen, maar uit de stukken en het verhandelde op de zitting maakt de kantonrechter op dat de overeenkomst is gesloten tijdens een bespreking op het kantoor van [eiser] . De kantonrechter houdt het er daarom voor dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Verder is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst niet volledig aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft voldaan. Uit dat artikel 6:230l lid 1 onder c BW vloeit namelijk voort dat ten aanzien van de totale prijs van diensten ook het transparantievereiste geldt. Omdat de kantonrechter van oordeel is dat het in de overeenkomst opgenomen kostenbeding niet transparant is, levert dat ook een schending van dit artikel op. Hiervoor zal een sanctie worden toegepast.
Welke sanctie hoort hierbij?
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk te vernietigen, te weten voor 20% van de door [gedaagde] verschuldigde hoofdsom. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 lid 2 en 3:41 BW, en aan de artikelen 6:193b, 6:193d, 6:193f en 6:193j BW, omdat de schending van de informatieplichten ook een oneerlijke handelspraktijk is.
Geen sprake van een tekortkoming
Het standpunt van [gedaagde] dat zij het resterende bedrag niet hoeft te betalen omdat [eiser] teveel uren in rekening heeft gebracht voor het opstellen van één conceptbrief, volgt de kantonrechter niet. Uit de stukken en het verhandelende ter zitting leidt de kantonrechter af dat de hoeveelheid gedeclareerde uren voornamelijk te wijten is aan de voortdurende behoefte van [gedaagde] om een volledig en gedetailleerd verhaal op papier te zetten. Het neerleggen van alle data en alle informatie, zoals [gedaagde] graag wilde, is niet nodig voor een informatieverzoek aan de politie. Tekenend is dat [gedaagde] op de zitting heeft verklaard dat zij (enigszins) chaotisch is en op details is gefixeerd. Verder heeft [advocaat 1] op de zitting onweersproken verklaard dat [gedaagde] ook telkens haar eerder aan het concept toegevoegde opmerkingen wilde aanpassen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de gedeclareerde uren voor rekening van [gedaagde] komen.
[gedaagde] stelt verder dat [eiser] haar werk niet goed heeft verricht. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit de juistheid van dit standpunt blijkt. Het standpunt van [gedaagde] dat [advocaat 1] onvoldoende daadkrachtig heeft opgetreden omdat hij met een mondelinge toelichting van de wijkagent genoegen heeft genomen en deze toelichting niet heeft weerlegd, onderschrijft de kantonrechter evenmin. [advocaat 1] heeft correct gehandeld door niet - zonder overleg met zijn cliënte [gedaagde] - in discussie met de wijkagent te gaan. Dit is dan ook geen reden om het resterende bedrag niet te betalen. Hetgeen [gedaagde] overigens naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
Bovendien geldt dat als een partij van mening is dat de wederpartij haar verplichtingen onvolledig of ondeugdelijk nakomt, dat op zichzelf niet betekent dat die partij van de eigen betalingsverplichting is bevrijd. Deze partij zal óf ontbinding van de overeenkomst moeten roepen óf nakoming moeten vorderen óf een beroep moeten doen op verrekening van een eigen (schade)vordering. [gedaagde] heeft echter geen juridische gevolgen verbonden aan haar stelling dat [eiser] haar werkzaamheden niet juist heeft uitgevoerd. Haar betalingsverplichting is dan ook niet komen te vervallen.
Conclusie 4.11. Op grond van het voorgaande is de conclusie dat € 368,46 (€ 1.842,29 x 20%) van de hoofdsom moet worden afgetrokken. Dit betekent dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen tot een bedrag van € 1.473,83 (€ 1.842,29 - € 368,46). Omdat [gedaagde] in verzuim is met de betaling daarvan, is zij de wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente is toewijsbaar zoals gevorderd.
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, omdat niet gebleken is dat in de aanmaning aan [gedaagde] een betalingstermijn van veertien dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.
[gedaagde] is in het overwegend ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
340,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
970,21
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.473,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, vanaf 21 oktober 2023;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 970,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid, kantonrechter, in samenwerking met mr. S.C. Jacobs, juridisch adviseur/griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
De griffier De kantonrechter