ECLI:NL:RBNNE:2013:8367

ECLI:NL:RBNNE:2013:8367, Rechtbank Noord-Nederland, 22-07-2013, 12/482

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 22-07-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12/482
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2017:399
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

In beginsel ligt een veroordeling tot betaling van de proceskosten van een derde partij, zoals een vergunninghouder, niet in de rede. Indien de derde-partij een vergunninghouder is, dan is de situatie immers zo dat deze beschikt over een door het bevoegde bestuursorgaan verleende vergunning. In die situatie dient het procesrisico voor rekening van het bestuursorgaan te komen. Anders kan dit echter liggen voor een vermeende overtreder die als derde partij deelneemt aan een geding. Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb stelt uitdrukkelijk dat ‘een partij’, dus ook een derde-partij, in de proceskosten kan worden veroordeeld. Dit is naar het oordeel van de rechtbank derhalve in uitzonderlijke gevallen mogelijk. In dit geding doet zich zo’n uitzonderlijk geval voor.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2013 in de zaak tussen

[eisers], te [plaats], eisers

Afdeling bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: AWB 12/482

(gemachtigde: drs. M.S. J. Hoorntje),

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.H. Rozenbrand).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder een door eisers tegen TUI Airlines Nederland B.V. (hierna: Arkefly) ingediende klacht ongegrond verklaard en het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen Arkefly afgewezen.

Tegen dit besluit is zowel door eisers als door Arkefly bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van Arkefly ongegrond verklaard en het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit op 8 mei 2012 beroep ingesteld.

Arkefly heeft bij brief van 14 juni 2012 aan de rechtbank bericht als derde belanghebbende aan het geding te willen deelnemen.

Verweerder heeft gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2013. Eisers zijn verschenen, vertegenwoordigd door hun gemachtigde drs. M.S.J. Hoorntje. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. R.P.H. Rozenbrand.Arkefly heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. E.C. de Jonge.

Bij brief van 2 mei 2013 heeft Arkefly de rechtbank bericht dat partijen een schikking hebben getroffen en dat eisers om die reden niet langer een procesbelang hebben bij een uitspraak van de rechtbank in dit geding.De rechtbank heeft daarop bij brief van 8 mei 2013 het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en partijen verzocht te reageren op de brief van Arkefly.

Eisers hebben bij brieven van 15 mei 2013, 26 mei 2013, 30 mei 2013 en 13 juli 2013 gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 28 mei 2013 en 3 juli 2013 gereageerd.

De rechtbank heeft alle nadere stukken in afschrift aan partijen verzonden.

De rechtbank heeft partijen verzocht om toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb. Partijen hebben deze toestemming gegeven.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Eisers hebben op 20 januari 2011 verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen Arkefly ter zake van een vermeende overtreding van Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 259/91 (PbEU L 46) (de Verordening). Aan dit verzoek lag ten grondslag dat Arkefly weigert om schadevergoeding toe te kennen in verband met de vertraagde vlucht van 3 november 2010 met nummer OR224 (Cuba - Amsterdam).

2. Eisers hebben hun handhavingsverzoek als volgt verwoord:“(…) Wat verzocht wordt is dit: een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb te nemen, strekkende tot handhaving van Vo 261/2004, in zoverre dat de benodigde maatregelen worden genomen om er voor te zorgen dat de rechten van cliënten worden geëerbiedigd en dat de vliegmaatschappij haar verplichtingen naleeft (art 16, eerste lid, Vo261/2004).(…)”

Bij besluit van 19 juli 2011 heeft verweerder eisers meegedeeld dat zij zich in beginsel bevoegd acht om handhavend op te treden tegen Arkefly, als vaststaat dat deze de Verordening heeft overtreden. Gebleken is dat de betreffende vlucht met meer dan 24 uur is vertraagd als gevolg van een defect aan de startmotor, waardoor het toestel in verband met vliegveiligheid moest terugkeren naar de gate. Volgens verweerder is er dan ook weliswaar een vertraging geweest die op grond van de Verordening en de uitleg die daaraan in het Sturgeon arrest (HvJEG 19 november 2009, C-402/07, C-432/07, LJN BK4714, NJ 2010/137) is gegeven, voor compensatie in aanmerking zou moeten komen, ware het niet dat er sprake is van buitengewone omstandigheden.

Eisers hebben in beroep gemotiveerd betoogd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat het onderhavige defect als een buitengewone omstandigheid moet worden aangemerkt. Verweerder heeft daarom ten onrechte een beletsel voor financiële compensatie aangenomen. Verweerder had handhavend moeten optreden, aldus eisers.

3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Verordening wijst elke lidstaat een instantie aan die verantwoordelijk is voor de handhaving van de verordening met betrekking tot de vluchten vanuit de zich op het grondgebied van de lidstaat bevindende luchthavens en met betrekking tot de vluchten vanuit een derde land naar deze luchthavens. In voorkomend geval neemt deze instantie de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de rechten van de passagiers worden geëerbiedigd. De lidstaten delen de commissie mee welke instantie overeenkomstig dit lid is aangewezen.Ingevolge het tweede lid kan een passagier een klacht indienen bij elke overeenkomstig het eerste lid aangewezen instantie of iedere andere door een lidstaat aangewezen bevoegde instantie over een vermeende overtreding van deze verordening op een op het grondgebied van een lidstaat gelegen luchthaven of betreffende een vlucht vanuit een derde land naar een op dat grondgebied gelegen luchthaven. Ingevolge het derde lid moeten de door de lidstaten vastgestelde sancties voor overtreding van deze verordening doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Ingevolge artikel 5, derde lid, van de Verordening is een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 van de Verordening indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

Ingevolge artikel 11.15, tweede lid, van de Wet luchtvaart (Wl), voor zover thans van belang, is de minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van: (…) het bepaalde bij of krachtens de volgende EG verordeningen: Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 259/91 (PbEU L 46)’.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, sub d, van het Instellingsbesluit Inspectie Verkeer en Waterstaat is de Inspectie Verkeer en Waterstaat (Instellingsbesluit), voor zover dit niet bij of krachtens de wet aan anderen is opgedragen of gemandateerd, belast met uitvoering en handhaving van wetgeving op het terrein van: (d) de luchtvaart.’

De rechtbank stelt vast dat verweerders bevoegdheid om tot handhaving over te gaan is gebaseerd op artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 11.15, tweede lid, van de Wl en artikel 2, eerste lid, sub d, van het Instellingsbesluit. Verweerder heeft op grond van artikel 5, derde lid, van de Verordening geweigerd om handhavend op te treden jegens Arkefly.

5. De rechtbank stelt voorts vast dat Arkefly, na de behandeling ter zitting op 11 april 2013, aan eisers een bedrag van € 1200,00 heeft betaald als compensatie als bedoeld in de Verordening. Dit bedrag is op 2 mei 2013 overgemaakt naar de bankrekening van de gemachtigde van eisers.

In verband hiermee dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of eisers nog een actueel en reëel procesbelang hebben bij de beoordeling van hun beroep.De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Nu door Arkefly de betwiste compensatie voor de geleden vertraging is betaald, is niet langer sprake van een overtreding van de Verordening en is derhalve ook geen sprake meer van een overtreding als bedoeld in artikel 5:21 van de Awb. Eisers kunnen in zoverre door een uitspraak van de rechtbank niet in een betere positie komen. Voor zover het betoog van eisers aldus moet worden begrepen dat zij om principiële redenen de vraag beantwoord wensen te zien of verweerder gehouden was handhavend op te treden tegen Arkefly, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2008 in zaak nr. 200800487/1) dat de bestuursrechter niet is geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. Nu niet is gebleken dat eisers nog een rechtens te beschermen belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, dient dit niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de overige punten die partijen verdeeld houden.

Inzake de proceskosten overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om Arkefly te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.In beginsel ligt een veroordeling tot betaling van de proceskosten van een derde‑partij, zoals een vergunninghouder, niet in de rede. Indien de derde-partij een vergunninghouder is, dan is de situatie immers zo dat deze beschikt over een door het bevoegde bestuursorgaan verleende vergunning. In die situatie dient het procesrisico voor rekening van het bestuursorgaan te komen. Anders kan dit echter liggen voor een vermeende overtreder die als derde‑partij deelneemt aan een geding. Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb stelt uitdrukkelijk dat ‘een partij’, dus ook een derde-partij, in de proceskosten kan worden veroordeeld. Dit is naar het oordeel van de rechtbank derhalve in uitzonderlijke gevallen mogelijk. In dit geding doet zich zo’n uitzonderlijk geval voor. Door alsnog compensatie te betalen voor de geleden vertraging, erkent Arkefly impliciet de gestelde overtreding. Arkefly heeft aldus het risico van het voor die impliciete erkenning kennelijk noodzakelijke beroep en de zitting bij de rechtbank aanvaard door niet meteen te betalen. Bovendien heeft Arkefly zich volledig en zonder voorbehoud in de rechtsstrijd gemengd ter verdediging van het standpunt van verweerder. Dit heeft Arkefly gedaan door zelf in bezwaar te gaan en door in de beroepsprocedure bij de rechtbank zeer uitvoerig zowel schriftelijk als mondeling haar standpunt naar voren te brengen. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk om Arkefly in de proceskosten van eisers te veroordelen.

De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 944,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting).

Voor vergoeding van griffierecht door het bestuursorgaan op grond van artikel 8:74 van de Awb bestaat geen aanleiding nu het bestreden besluit in stand wordt gelaten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.B. Smit-Colenbrander, voorzitter en mr. M.W. de Jonge en mr. L.J.A. Damen, leden, in aanwezigheid van mr. H.W. Wind, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2013.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.B. Smit-Colenbrander

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?