RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] Gn, eiser
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 19/521
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H. Kerver).
Procesverloop
Bij brief van 14 september 2018 heeft verweerder aangegeven dat niet aannemelijk is dat eiser een aanvraagformulier heeft ingediend “overgangsregeling beperkte onttrekkingsvergunning kamerverhuur”.
Eiser heeft daartegen op 1 oktober 2018 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 2 november 2018 heeft verweerder de gevraagde onttrekkingsvergunning geweigerd.
Daartegen heeft eiser bij brief van 8 november 2018 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 31 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van 1 oktober 2018 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van 8 november 2018 ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 21 juni 2019 heeft eiser aanvullende stukken ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft op 3 oktober 2019 een aanvullend verweerschrift aan de rechtbank doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In december 2015 heeft verweerder aan de eiser(s zakenpartner) een brief doen toekomen in verband met de wijziging van het beleid voor kamerverhuur. Deze wijziging heeft mogelijk consequenties voor het adres [adres 1] te Groningen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om voor 1 juli 2017 door middel van een aanvraagformulier een onttrekkingsvergunning aan te vragen. Voor het adres [adres 2] in Groningen heeft eiser geen brief ontvangen.
Eiser heeft een klacht ingediend en heeft zich erover beklaagd dat hij geen onttrekkingsvergunning heeft gekregen voor zijn pand [adres 2] . De gemeentelijke ombudsman heeft op 4 juli 2018 een rapport uitgebracht. De ombudsman acht het aannemelijk dat eiser een aanvraagformulier voor [adres 2] heeft verzonden en doet de gemeente de aanbeveling eiser alsnog een onttrekkingsvergunning te verlenen.
Bij brief van 14 september 2018 heeft verweerder aangegeven, anders dan de gemeentelijke ombudsman heeft aangegeven, dat niet aannemelijk is dat eiser een aanvraagformulier heeft ingediend voor het adres [adres 2] .
Eiser heeft tegen die brief op 1 oktober 2018 bezwaar gemaakt. Als bijlage bij het bezwaarschrift heeft eiser een brief van 26 februari 2016 van eiser en zijn zakenpartner aan verweerder doen toekomen. In die brief staat: “Zoals telefonisch besproken (…) hebben wij geen schrijven mogen ontvangen inzake de beperkte onttrekkingsvergunning (…) voor de [adres 2] te Groningen. Conform uw verzoek stuur ik u hierbij nogmaals het ingestuurde formulier (mail 4-2-2016) voor de [adres 1] Groningen inclusief het aangepaste formulier [adres 1] voor [adres 2] te Groningen.”. Volgens eiser heeft hij deze brief per post naar verweerder gezonden.
Bij brief van 2 november 2018 heeft verweerder aangegeven dat met het bezwaarschrift van 2 oktober 2018 (lees: 1 oktober 2018, ontvangen 2 oktober 2019) tevens een aanvraagformulier is ontvangen. Verweerder heeft die aanvraag getoetst aan de Huisvestingsverordening 2015 van de gemeente Groningen en de nieuwe beleidsregels Onttrekkingsvergunningen welke zijn vastgesteld in de collegevergadering van 31 oktober 2017. Verweerder heeft op grond van artikel 23, eerste lid, van de Huisvestingsverordening de gevraagde onttrekkingsvergunning voor [adres 2] geweigerd.
Daartegen heeft eiser bij brief van 8 november 2018 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 31 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van 1 oktober 2018 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar van 8 november 2018 ongegrond. Verweerder heeft het eerste bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 14 september 2018 een mededeling is en geen besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Verweerder wijst in dit verband op het bepaalde in artikel 9:36, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat luidt;” Indien de ombudsman aan het bestuursorgaan een aanbeveling doet als bedoeld in artikel 9:27, derde lid, deelt het bestuursorgaan binnen een redelijke termijn aan de ombudsman mee op welke wijze aan de aanbeveling gevolg zal worden gegeven. Indien het bestuursorgaan overweegt de aanbeveling niet op te volgen, deelt het dat met redenen omkleed aan de ombudsman mee.” Evenals verweerder ziet de rechtbank een dergelijke mededeling niet als een besluit waartegen bezwaar of beroep mogelijk is.
Verweerder heeft het tweede bezwaarschrift ongegrond verklaard, omdat verweerder niet voor 1 juli 2017 een aanvraag voor een beperkte onttrekkingsvergunning heeft ontvangen en eiser daarom geen beroep kan doen op het overgangsrecht. Verweerder wijst in dit verband op jurisprudentie waaruit volgt dat het aan de belanghebbende is om aannemelijk te maken dat hij het geschrift ter post heeft bezorgd dan wel heeft afgegeven. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op 2 oktober 2018 ontvangen en getoetst aan het op dat moment geldende beleid. Eiser komt op grond van dat beleid niet in aanmerking voor een onttrekkingsvergunning.
Verweerder heeft in het aanvullende verweerschrift gewezen op rechtsoverweging 6.5 in de uitspraak van deze rechtbank van 24 september 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:4053). In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen: ”Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat er op grond van de Huisvestingsverordening een vergunningsplicht bestaat voor het omgezet houden van woningen ten behoeve van bewoning als onzelfstandige woonruimte waarin minimaal drie bewoners in minimaal drie onzelfstandige woonruimten verblijven. Dit betekent dat eiser dus ook niet gehouden was om na de inwerkingtreding van de Huisvestingsverordening op 1 juli 2015 alsnog een huisvestingsvergunning aan te vragen om de woning omgezet te mogen houden.”.
Verder heeft verweerder in het verweerschrift aangegeven dat de Huisvestingsverordening per 26 juni 2019 met terugwerkende kracht is gewijzigd. In de gewijzigde verordening is (ook) het omzetten of het omgezet houden ten behoeve van bewoning als onzelfstandige woonruimte waarin minimaal drie bewoners in minimaal drie onzelfstandige woonruimten verblijven, vergunningplichtig.
Eerst zal de rechtbank beoordelen of verweerder het bezwaar van 1 oktober 2018 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet op het bepaalde in artikel 9:36, vierde lid, van de Awb is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de brief van 14 september 2018 een mededeling is waartegen geen bezwaar kan worden gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre ongegrond.
De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder het bezwaar van 8 oktober 2018 terecht en op juiste gronden ongegrond heeft verklaard. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend en de rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Zoals de rechtbank in voornoemde uitspraak heeft overwogen bestond er op grond van de Huisvestingsverordening 2015, zoals die gold met ingang van 1 juli 2015, geen vergunningsplicht voor het omgezet houden van woningen ten behoeve van bewoning als onzelfstandige woonruimte waarin minimaal drie bewoners in minimaal drie onzelfstandige woonruimten verblijven. Ter zitting van de rechtbank is vastgesteld dat eiser al voor 1 juli 2015 eigenaar was van de woning [adres 2] en dat eiser die woning verhuurde aan drie bewoners. Dit betekent, gelet op voornoemde uitspraak van de rechtbank, dat eiser niet gehouden was om na de inwerkingtreding van de Huisvestingsverordening op 1 juli 2015 alsnog een huisvestingsvergunning aan te vragen om de woning omgezet te mogen houden. Gelet hierop heeft verweerder bij besluit van 2 november 2018 op grond van artikel 23, eerste lid, van de Huisvestingsverordening de gevraagde onttrekkingsvergunning ten onrechte geweigerd. Verweerder had de aanvraag moeten afwijzen omdat er voor eiser geen vergunningsplicht geldt.
De omstandigheid dat de Huisvestingsverordening per 26 juni 2019 met terugwerkende kracht is gewijzigd en in de gewijzigde verordening (ook) het omzetten of het omgezet houden vergunningplichtig is (geworden), maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Daartoe overweegt de rechtbank dat de gewijzigde Huisvestingsverordening dateert van na het bestreden besluit. Deze wijziging van de Huisvestingsverordening ligt dan ook niet aan het bestreden besluit ten grondslag. Dat betekent dat de rechtbank deze wijziging niet bij haar beoordeling van het onderhavige beroep kan betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank is het in strijd met het beginsel van rechtszekerheid om deze wijziging in dit stadium van de procedure aan eiser tegen te werpen. Het standpunt van verweerder dat de wijziging van de verordening voorzienbaar was en er slechts sprake is van een juridisch technische reparatie, doet daar niet aan af.
Aan de beoordeling van de vraag of al dan niet aannemelijk is dat eiser voor 1 juli 2017 een aanvraagformulier heeft ingediend komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet toe.
De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is voor zover gericht tegen besluit van 31 januari 2019, waarbij verweerder het bezwaar van 8 november 2018 ongegrond heeft verklaard. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en herroept het besluit van 2 november 2018 in zoverre dat de aanvraag van 1 oktober 2018 wordt afgewezen, omdat voor eiser geen vergunningsplicht bestaat voor het omgezet houden van woningen ten behoeve van bewoning als onzelfstandige woonruimte waarin minimaal drie bewoners in minimaal drie onzelfstandige woonruimten verblijven.
De rechtbank verklaart het beroep deels gegrond en om die reden bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten, omdat niet gebleken is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten. Eiser heeft gesteld, maar niet onderbouwd dat sprake is geweest van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.