ECLI:NL:RBNNE:2020:5215

ECLI:NL:RBNNE:2020:5215

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 24-11-2020
Datum publicatie 03-03-2026
Zaaknummer 18/950012-20
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

Veroordeling voor twee overvallen, vier woninginbraken, een poging tot woninginbraak en een vernieling. Beroep op psychische overmacht verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950012-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 november 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 november 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Wibbelink, advocaat te Borne. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1.

verdachte op of omstreeks 25 februari 2020, te Assen, (althans) in de gemeente Assen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (ongeveer) 350 euro, althans een hoeveelheid of hoeveelheden geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan supermarktketen [supermarkt] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen een kassièrre, werkzaam bij die supermarkt(keten), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte (rechtstreeks) op die kassièrre is toe- of afgelopen en (vervolgens)

meermalen, in elk geval eenmaal tegen die kassièrre heeft gezegd of geroepen: “lade

openen, ik heb geld nodig.”, of woorden van gelijke aard en/of strekking en/of daarbij of daarna (vanaf korte afstand van die kassièrre) een mes op die kassièrre heeft gericht en/of gericht gehouden;

2.

hij op of omstreeks 29 februari 2020 te Assen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag en/of een inzetlade van de kassa, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam cafetaria] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen (eigenaresse) [eigenaresse cafetaria] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een mes toonde en/of hiermee op die [eigenaresse cafetaria] af liep;

3.

hij in op of omstreeks de periode van 03 maart 2020 en 04 maart 2020 te Assen diverse gereedschappen (onder andere een afkortzaag, een Schrobzaag en/of een boormachine), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij op of omstreeks 04 maart 2020 te Assen een televisie, een afstandbediening en/of een gouden horloge, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5.

hij op of omstreeks 29 februari 2020 te Assen opzettelijk en wederrechtelijk een hek, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

6.

hij op of omstreeks 04 maart 2020 te Assen een laptop, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

7.

hij in of omstreeks in de periode van 2 maart 2020 t/m 3 maart 2020 te Assen diverse soorten gereedschap (onder andere een reciprozaag, een klopboormachine en/of een haakse slijper), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [bedrijf 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbrekingen en/of inklimming;

8.

hij in of omstreeks 2 maart 2020 tot en met 3 maart 2020 te Assen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om diverse goederen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, de containers tegen de woning heeft geplaatst en/of de ruit van de (schuur) deur in te slaan, althans kapot te maken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht alle acht ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt, waarbij ieder bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts is gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

d.d. 15 mei 2020, inhoudende de verklaring van [kassière ] namens [supermarkt] (feit 1).

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 maart 2020, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [eigenaresse cafetaria] (feit 2).

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 maart 2020, opgenomen op pagina 270 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] (feit 3).

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 maart 2020, opgenomen op pagina 277 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende verklaring van [slachtoffer 2] (feit 4).

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 maart 2020, opgenomen op pagina 291 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] (feit 5).

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 maart 2020, opgenomen op pagina 321 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] (feit 6).

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 april 2020, opgenomen op pagina 326 van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant (feit 6).

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 mei 2020, opgenomen op pagina 328 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 1] , mede namens [bedrijf 1] (feit 7).

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 maart 2020, opgenomen op pagina 335 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] (feit 8).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht alle acht ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

verdachte op 25 februari 2020, te Assen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 350 euro, toebehorende aan supermarktketen [supermarkt] , welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen een kassière, werkzaam bij die supermarktketen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte op die kassière is toe- of afgelopen en

meermalen tegen die kassière heeft gezegd of geroepen: “lade openen, ik heb geld nodig.”, en daarbij vanaf korte afstand van die kassière een mes op die kassière heeft gericht;

2.

hij op 29 februari 2020 te Assen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en een inzetlade van de kassa, toebehorende aan [naam cafetaria] , welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen eigenaresse [eigenaresse cafetaria] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een mes toonde en hiermee op die [eigenaresse cafetaria] af liep;

3.

hij in de periode van 3 maart 2020 en 4 maart 2020 te Assen diverse gereedschappen (onder andere een afkortzaag, een Schrobzaag en een boormachine), die toebehoorden aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

4.

hij op 4 maart 2020 te Assen een televisie, een afstandbediening en een gouden horloge, die toebehoorden aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5.

hij op 29 februari 2020 te Assen opzettelijk en wederrechtelijk een hek, toebehorende aan [slachtoffer 3] , heeft vernield;

6.

hij op 4 maart 2020 te Assen een laptop, die toebehoorde aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

7.

hij in de periode van 2 maart 2020 t/m 3 maart 2020 te Assen diverse soorten gereedschap (onder andere een reciprozaag, een klopboormachine en een haakse slijper), die toebehoorden aan [bedrijf 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

8.

hij in de periode van 2 maart 2020 tot en met 3 maart 2020 te Assen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om diverse goederen, in elk geval enig goed, die/dat toebehoorde(n) aan [slachtoffer 5] , weg te nemen met het oogmerk om die/dat zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, de containers tegen de woning heeft geplaatst en de ruit van de schuurdeur in te slaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft overeenkomstig een overgelegde pleitnota bepleit dat sprake is van psychische overmacht. Daartoe heeft de raadsvrouw - kort samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte volledig afhankelijk was van [huisgenoot] , door [huisgenoot] meermaals werd mishandeld en onder bedreiging van herhaalde mishandeling, door [huisgenoot] werd gedwongen geld te regelen. Aldus was sprake van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en

ook niet behoefde te bieden. Verdachte kon niet anders handelen dan hij heeft gedaan. Hij had op dat moment redelijkerwijs geen andere keuze.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van psychische overmacht omdat verdachte zichzelf in de betreffende situatie heeft gebracht en die situatie heeft laten voortbestaan. Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat er een uitweg was uit de situatie met minder ingrijpende gevolgen, welke uitweg verdachte niet heeft genomen terwijl verdachte de feiten bewust heeft gepleegd zodat van absolute wilsonbekwaamheid geen sprake is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen wanneer sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarbij geldt dat de reactie op genoemde drang dient te voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend, in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.

Hoewel het dossier aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat [huisgenoot] gewelddadig en dwingend kon zijn en daarmee een zekere mate van dwang en druk op verdachte heeft uitgeoefend, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten telkens in een zodanige toestand verkeerde dat hij niet anders kon of behoefde te handelen dan hij heeft gedaan. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. Daarbij maakt de rechtbank onderscheid tussen de eerste twee overvallen en de daarop volgende diefstallen.

De rechtbank acht in de eerste plaats van belang dat verdachte bij de bewezenverklaarde overvallen tijd heeft gehad om zijn keuzes te overwegen en zich te bezinnen op een andere uitweg uit het door hem ervaren dilemma. Tussen de overval op de [supermarkt] op 25 februari 2020 en de door [huisgenoot] op verdachte toegepaste dwang/druk de dag daarvóór welke dwang/druk volgens de verklaring van verdachte de aanleiding vormde voor de overval - zat dusdanig veel tijd dat er voor verdachte een reële mogelijkheid bestond om anders te handelen dan hij heeft gedaan. Tussen deze eerste overval en de overval op [naam cafetaria] zaten vier dagen. In die dagen verbleef verdachte weliswaar bij [huisgenoot] , maar de rechtbank is er niet van overtuigd dat verdachte zich in die dagen - al dan niet met zijn vriendin [naam

2] - niet aan de invloed van [huisgenoot] had kunnen onttrekken.

Ten aanzien van de woninginbraken en poging daartoe duidt het handelen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank zelfs op weloverwogen en planmatig handelen, nu verdachte zelfstandig op zoek ging naar geschikte huizen en vervolgens handelde vanuit een modus operandi waarbij hij eerst aanbelde om te controleren of de bewoners thuis waren. Verdachte verklaart over de algemene rolverdeling tussen hem en [huisgenoot] , dat hij van tevoren werd aangespoord door [huisgenoot] , maar dat hij de regie had over wat er gebeurde als hij de deur uitliep. Deze keuzevrijheid die verdachte kennelijk had, strookt niet met handelen vanuit psychische overmacht.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte meerdere keren geen gehoor heeft gegeven aan de instructies of opdrachten van [huisgenoot] , zonder dat [huisgenoot] daar consequenties voor verdachte aan verbond, althans geen dusdanig ernstige consequenties dat op basis daarvan gezegd kan

worden dat verdachte zich in het vervolg redelijkerwijze niet zou kunnen verzetten tegen [huisgenoot] . Zo heeft verdachte de opdracht van [huisgenoot] om bij een oude Indische vrouw in te breken en de opdracht om de [bedrijf 2] aan [adres] te overvallen, niet uitgevoerd en zag [huisgenoot] het door de vingers toen verdachte op een avond met lege handen thuiskwam terwijl het de bedoeling was dat hij zou inbreken.

Kennelijk was verdachte in staat en had hij de vrijheid om een zekere mate van weerstand te bieden.

Uit vorenstaande volgt dat verdachte in staat was om zijn wil te bepalen, een afweging te maken over het al dan niet plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten en zich tegen de door [huisgenoot] uitoefende druk te verzetten. Aldus kan niet gezegd worden dat verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden tegen de drang die van [huisgenoot] uitging, zodat het beroep op psychische overmacht dient te worden afgewezen.

Nu de rechtbank van oordeel is dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verdachte door overmacht tot de bewezenverklaarde feiten werd gedrongen, komt de rechtbank in beginsel niet toe aan een oordeel over culpa in causa. Desalniettemin acht de rechtbank van belang op te merken dat verdachte vrijwillig bij [huisgenoot] in huis is gaan wonen en vervolgens, samen met [huisgenoot] , zijn vriendin [naam 2] vanuit Nieuw-Buinen naar Assen heeft laten komen met als doel dat [naam 2] zich in de woning van [huisgenoot] zou prostitueren voor geld en drugs. In ruil voor hun verdiensten kregen verdachte en [naam 2] cocaïne van [huisgenoot] . Aldus heeft verdachte zelf meegewerkt aan het ontstaan van een situatie waarin hij en [naam 2] afhankelijk waren van [huisgenoot] en waarin drugs, de financiering daarvan en alle consequenties van dien, een grote rol speelden. Aldus heeft verdachte zelf een aandeel gehad in het ontstaan van de situatie waarin hij door [huisgenoot] onder druk werd gezet om telkens voor geld te zorgen door middel van het plegen van strafbare feiten . Bovendien heeft hij die situatie voort laten bestaan terwijl hij - zoals hiervoor overwogen - in staat was daar weerstand tegen te bieden en in staat was die situatie (eerder) te beëindigen.

Nu niet van psychische overmacht, noch van enige andere strafuitsluitingsgrond is gebleken, acht de rechtbank verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 tot en met 8 wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, in het geval de rechtbank tot strafoplegging komt, ervoor gepleit dat er meer rekening dient te worden gehouden met de gewelddadige omstandigheden waaronder verdachte de feiten heeft begaan, dan dat de officier van justitie in haar eis heeft gedaan. De raadsvrouw acht gelet op die omstandigheden een gevangenisstraf van 2 jaar meer op zijn plaats dan de gevorderde 4 jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van de reclassering (VNN) d.d. 17 september 2020 en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een zeer korte periode schuldig gemaakt aan twee overvallen, vier woninginbraken, een poging tot woninginbraak en een vernieling. Bijde overvallen is verdachte, met een bedekt gezicht en een mes in zijn handen, een supermarkt en een cafetaria binnengestormd. Vervolgens heeft hij, terwijl hij het mes op de kassière respectievelijk de eigenaresse van de cafetaria richtte, geld meegenomen.

Verdachte heeft met zijn handelen een zeer bedreigende en angstaanjagende situatie gecreëerd voor de betrokkenen bij deze overvallen, met name voor de kassière [kassière ] en de eigenaresse van de cafetaria [eigenaresse cafetaria] . Het is algemeen bekend dat dergelijke feiten een grote impact op slachtoffers hebben en dat slachtoffers nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid kunnen ervaren. Voor [kassière ] is door de [supermarkt] psychologische hulp ingeschakeld en [eigenaresse cafetaria] kampt met slaapproblemen en is nog steeds erg angstig. Verdachte heeft zich hier kennelijk niet om bekommerd. De ervaring bij de overval op [supermarkt] heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om een tweede keer, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen. De rechtbank rekent dat verdachte aan. Daarnaast ontstaan door overvallen als deze, gevoelens van onrust in de samenleving als geheel en worden de betrokken winkeliers financieel geraakt.

Ook (poging tot) woninginbraken brengen in het algemeen gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg en veroorzaken materiële schade en hinder aan de benadeelden. Het zijn kwalijke en voor de benadeelden zeer vervelende feiten en tasten de persoonlijke levenssfeer en het veiligheidsgevoel van de bewoners aan, nu een woning bij uitstek een plaats is waar men zich veilig hoort te kunnen voelen.

Verdachte heeft door zijn handelen aangetoond geen enkel respect te hebben voor andermans eigendom.

Gelet op de aard, de ernst en de hoeveelheid van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van die onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De oriëntatiepunten gaan bij een overval als de onderhavige uit van een gevangenisstraf van 2 jaren en bij een woninginbraak van een gevangenisstraf van 3 maanden. Strafverhogend werkt dat het in dit geval twee overvallen, vier woninginbraken en een poging daartoe betreft. De rechtbank houdt evenwel meer dan de officier van justitie rekening met de omstandigheden waaronder verdachte blijkens het dossier de feiten heeft begaan.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden.

Benadeelde partij

Feit 1

[vertegenwoordiger supermarkt ] heeft zich namens [supermarkt] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.889,25 ter vergoeding van materiële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Feit 2

[eigenaresse cafetaria] heeft zich namens [naam cafetaria] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 5.082,- ter vergoeding van materiële schade en 800,- ter vergoeding van immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

[supermarkt]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in haar geheel kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam cafetaria]

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bediscussieerd kan worden of er een nieuwe camera nodig was, maar dat de vordering kan worden toegewezen voor zover deze niet wordt weersproken. Het immateriële deel van de vordering kan in ieder geval worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

[supermarkt]

De raadsvrouw heeft primair niet-ontvankelijkheid bepleit in verband met het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.

[naam cafetaria]

De raadsvrouw heeft primair niet-ontvankelijkheid bepleit in verband met het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat het materiële deel van de vordering dient te worden afgewezen in verband met het ontbreken van causaal verband en dat het immateriële deel gematigd dient te worden tot een bedrag van 450,-.

Voorts heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om - in het geval van (gedeeltelijke) toewijzing van een of beide vorderingen - de gijzeling op 1 dag te bepalen.

Oordeel van de rechtbank

[supermarkt]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 februari 2020.

Nu vast staat dat verdachte aansprakelijk is voor de hiervoor genoemde schade ter hoogte van 1.889,25 die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal daarbij de duur van de gijzeling die kan worden toegepast bij gebreke van betaling en verhaal vaststellen op 1 dag.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[naam cafetaria]

Met betrekking tot de gevorderde materiële schade is de rechtbank van oordeel dat de door de benadeelde partij getroffen maatregelen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het vervangen van oude camera's kan niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade ten gevolge van de bewezenverklaarde overval. De vordering tot vergoeding van materiële schade zal daarom worden afgewezen.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat [eigenaresse cafetaria] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtsreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op 450,-. Daartoe overweegt de rechtbank dat de gestelde psychische schade voldoende is onderbouwd, maar in ernst en omstandigheden te zeer afwijkt van de overgelegde voorbeeldjurisprudentie om het volledige bedrag toe te wijzen. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade toewijzen tot een bedrag van 450,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2020 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Nu vast staat dat verdachte aansprakelijk is voor de hiervoor genoemde schade ter hoogte van 450,- die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal daarbij de duur van de gijzeling die kan worden toegepast bij gebreke van betaling en verhaal vaststellen op 1 dag.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Beslag

In het dossier bevindt zich een beslaglijst ten name met verdachte met daarop vermeld een contant geldbedrag van 850,-. Nu dit geldbedrag niet onder verdachte in beslag genomen is, maar onder iemand anders, zal de rechtbank geen beslissing nemen over dit inbeslaggenomen geldbedrag.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 311, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Benadeelde partijen

Feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [vertegenwoordiger supermarkt ] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van 1.889,25 (zegge: achttienhonderdnegenentachtig euro en vijfentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2020.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [vertegenwoordiger supermarkt ] (als vertegenwoordiger van de [supermarkt] ) te betalen een bedrag van 1.889,25 (zegge: achttienhonderdnegenentachtig euro en vijfentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2020. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 1 dag worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [vertegenwoordiger supermarkt ] (als vertegenwoordiger van de [supermarkt] ) daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij [eigenaresse cafetaria] met betrekking tot de gevorderde immateriële schade toe tot 450,- (zegge: vierhonderdvijftig euro) en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van voornoemd bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2020.

Verklaart de vordering van deze benadeelde partij, met betrekking tot de overige gevorderde immateriële schade, niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wijst de vordering van deze benadeelde partij af voor zover die vordering ziet op vergoeding van materiële schade.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [eigenaresse cafetaria] te betalen een bedrag van 450,- (zegge: vierhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 februari 2020. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 1 dag worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [eigenaresse cafetaria] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. R. Depping en mr. T.P. Hoekstra, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 november 2020.

Mr. Läkamp is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. Depping
  • mr. T.P. Hoekstra

Griffier

  • mr. L. Lamers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?