RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2021 in de zaak tussen
[verzoekers 1] , te [woonplaats] , verzoekers(gemachtigde: mr. W.M. de Boer),
de burgemeester van De Wolden, verweerder(gemachtigde: H. Arends).
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 21/186
en
Procesverloop
Op 14 januari 2021 heeft verweerder twee herdershonden (hierna: de herdershonden) in beslag genomen. Het besluit daartoe is op 15 januari 2021 op schrift gesteld.
Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021. Verzoekster [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Verzoekers zijn woonachtig op het adres [adres] . In de loop der jaren hebben zij op dat adres meerdere honden gehouden. Momenteel houden zij zeven honden van verschillende rassen, waaronder de herdershonden.
Vanaf 2014 hebben zich incidenten voorgedaan met honden van verzoekers. In 2017 zijn hierover gesprekken gevoerd tussen partijen. Voor enkele honden is een aanlijn- en muilkorfgebod opgelegd, later gevolgd door een last onder dwangsom tot handhaving van de geboden. Na een bijtincident op 4 januari 2019 zijn dwangsommen verbeurd.
Wat betreft de maanden juni, juli en augustus 2020 heeft verweerder meerdere (onderbouwde) meldingen ontvangen dat de herdershonden buiten het perceel van verzoekers rondzwierven, ook ’s nachts.
Op 31 december 2020 hebben de herdershonden vijf schapen verwond. Twee van de schapen hebben dit niet overleefd.
In januari 2021 hebben 95 omwonenden een petitie ondertekend, gericht aan verzoekers, met de oproep een einde te maken aan de uitbraken van de honden.
Op 14 januari 2021 hebben beambten van de gemeente, met een machtiging tot binnentreden, in naam van verweerder de herdershonden op het adres van verzoekers in beslag genomen. De herdershonden zijn overgebracht naar een opvanglocatie.
Op 15 januari 2021 zijn de herdershonden onderzocht door een dierenarts, die heeft geconcludeerd dat aan de dieren zorg is onthouden.
Ter zitting hebben partijen toegezegd nader overleg te gaan voeren. Bij brieven van 1 en 2 februari 2021 hebben partijen bericht dat zij niet tot overeenstemming zijn gekomen.
3. In geschil is of verweerder bevoegd is tot inbeslagname van de herdershonden. In het bestreden besluit verwijst verweerder naar artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet (Gmw).
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft in de uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1266, uitgesproken dat artikel 172, derde lid, van de Gmw kan worden toegepast in situaties waarin geen actuele overtreding van wettelijke voorschriften plaatsvindt, maar er toch sprake is van een onaanvaardbare inbreuk op orde en rust. Toepassing kan alleen plaatsvinden bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor, met bevelen die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Deze maatregelen dienen proportioneel en subsidiair te zijn. Op grond van genoemd artikel is een burgemeester in beginsel onder meer bevoegd tot de tijdelijke inbeslagname van een hond.
De voorzieningenrechter overweegt dat ten tijde van de inbeslagname geen sprake was van een actuele overtreding van een wettelijk voorschrift. Wel had zich een onaanvaardbare inbreuk op de orde en rust voorgedaan, te weten het opjagen door de herdershonden van schapen en het ernstig verwonden van deze dieren door de herdershonden (zie 2.4). Veel omwonenden hebben dit ook als een ernstige inbreuk ervaren (zie 2.5).
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op goede gronden aangenomen dat de vrees bestond voor een nieuwe verstoring van de openbare orde. Verzoekers hebben de herdershonden immers veelvuldig buiten het eigen erf los laten lopen (zie 2.3) terwijl gesprekken over incidenten met honden van verzoekers en maatregelen daartegen er niet toe hebben geleid dat dergelijke incidenten zich niet meer hebben voorgedaan (zie 2.2, 2.3 en 2.4). Dit laatste betekent voorts dat een lichtere maatregel, zoals een aanlijn- een muilkorfgebod, naar verwachting niet doeltreffend zou zijn. De voorzieningenrechter merkt de inbeslagname daarom aan als subsidiair en proportioneel.
Het voorgaande betekent dat verweerder bevoegd was tot inbeslagname over te gaan. Hetgeen verzoekers verder hebben aangevoerd, vormt evenmin grondslag voor het treffen van een voorlopige voorziening.
4. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de AbRS in bovengenoemde uitspraak van 20 mei 2020 ook heeft uitgesproken dat blijvende inbeslagname van een hond niet gebaseerd kan worden op de lichte bevelsbevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gmw. Dit betekent dat verweerder voortvarend op zoek moet gaan naar een definitieve oplossing voor het probleem met de twee herdershonden. De uitkomsten van het gedragsonderzoek dat verweerder wil laten uitvoeren, kunnen hiervoor een goede basis vormen. Vervolgens dienen partijen in overleg te treden, waarbij verzoekers, anders dan voorheen, de daadwerkelijke bereidheid dienen te tonen om nu wel een einde te maken aan incidenten met hun honden en de benodigde maatregelen te treffen.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanmr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2021.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: