RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
beslissing van de meervoudige kamer van 27 juni 2022
[naam verzoeker] , verzoeker,
mr. S. Dijkstra, rechter.
Zittingsplaats Groningen
zaaknummer: C/18/213608/ KG RK 22/103
op het verzoek van
tot wraking van
Procesverloop
Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling van 18 mei 2022 in de zaak LEE 21/734 (aanhangig bij deze rechtbank, cluster Bestuursrecht, zittingsplaats Groningen) een verzoek tot wraking ingediend tegen de behandelend rechter, mr. S. Dijkstra (de rechter).
Bij e-mailbericht van 31 mei 2022 heeft de rechter medegedeeld niet in de wraking te berusten en bij e-mailbericht van 7 juni 2022 heeft de rechter inhoudelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.
Bij e-mailberichten van 10 en 15 juni 2022 heeft verzoeker een nadere reactie aan de wrakingskamer toegestuurd.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.
Overwegingen
1. Ingevolge art. 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan op verzoek
van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoeker betoogt – onder meer en samengevat – dat hij vanaf het begin heeft
verzocht om een fysieke zitting. De zitting stond geagendeerd voor 18 mei 2022. Op 17 mei 2022 waren de twee zelftesten van verzoeker positief. Gelet hierop heeft verzoeker de griffie van de rechtbank gemaild om door te geven dat hij gelet op zijn positieve zelftesten niet aanwezig kon zijn bij de zitting van 18 mei 2022. Op de ochtend van 18 mei 2022 heeft verzoeker te horen gekregen dat – ondanks zijn verzoek om een fysieke zitting – de zitting op diezelfde dag doorgang zou vinden via Microsoft Teams. Hierbij is de rechter, aldus verzoeker, ten onrechte voorbijgaan aan overheidsaanbevelingen inzake voorzorgen tegen Covid 19. Van een medewerker van de griffie heeft verzoeker te horen gekregen dat de rechter had aangegeven “het is nu een keer klaar, ook voor de gemeente”. Gelet hierop ontbreekt het de rechter, aldus verzoeker, aan de vereiste onpartijdigheid. Ook betoogt verzoeker dat zijn vrees voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is. Hiertoe geeft verzoeker aan dat er kennelijk een overleg is geweest tussen de rechter en de gemeente. Hieruit blijkt, aldus verzoeker, dat de rechter de gemeente een voorkeurspositie verleent.
3. De rechter heeft in de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aangegeven dat
zij is gewraakt vanwege een procedurele beslissing die zij heeft genomen en dat dit geen grond voor wraking kan opleveren, mede nu er geen sprake is van bijkomende feiten waaruit kan worden afgeleid dat de procedurele beslissing niet anders kan worden begrepen dan als een blijk van vooringenomenheid. Vervolgens geeft de rechter aan dat verzoeker op een eerder moment twee aanhoudingsverzoeken heeft gedaan die zijn ingewilligd. Bij dit derde aanhoudingsverzoek is er een belangenafweging gemaakt waarbij de rechter de belangen die zijn gediend bij een voortvarende afwikkeling van de zaak zwaarder heeft laten wegen dan het belang van verzoeker bij een derde opeenvolgende aanhouding. De behandeling ter zitting zou wel in digitale vorm plaatsvinden. Ten slotte geeft de rechter aan dat de door verzoeker gestelde mededelingen van de griffiemedewerkster niet door, namens of in samenspraak met haar zijn gedaan. Hierbij geeft de rechter aan dat als de gestelde mededelingen zijn gedaan deze vanzelfsprekend hoogst ongelukkig zijn.
4. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State van 11 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:480) stelt de rechtbank voorop dat als maatstaf heeft te gelden dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen.
5. De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter die de zaak behandelt de regie voert.
De rechter bepaalt het verloop en de voortgang van de procedure en de zitting en de wijze van behandeling. In deze regierol heeft de rechter een aanzienlijke vrijheid. De beslissing om de zitting via Microsoft Teams te laten plaatsvinden is naar het oordeel van de wrakingskamer een procedurele beslissing, namelijk een beslissing over de wijze van behandeling respectievelijk het verloop van de procedure en de zitting. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel.
Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Verder moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat de motivering van een (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Dit laatste is naar het oordeel van de wrakingskamer in het onderhavige geval niet aannemelijk geworden.
Voor zover verzoeker heeft gewezen op uitlatingen van een medewerkster van de
griffie overweegt de wrakingskamer dat de rechter heeft weersproken dat door, namens of in overleg met haar deze uitlatingen zijn gedaan. De wrakingskamer ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de rechter hierover heeft aangegeven. Het verzoek van verzoeker om de medewerkster van de griffie als getuige te horen wijst de wrakingskamer af. Hiertoe overweegt de wrakingskamer dat de artikelen 8:15 tot en met 8:18 van de Awb en het Wrakingsprotocol van de Rechtbank Noord-Nederland niet in de mogelijkheid voorzien om getuigen te (laten) horen.
6. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid in de zaak LEE 21/734 schade zou kunnen lijden en derhalve een grond voor wraking vormen. Het verzoek tot wraking dient daarom afgewezen te worden.
Beslissing
De wrakingskamer:
aan mr. S. Dijkstra en aan de andere partij in de hoofdprocedure.
Aldus gegeven door mr. Th. A. Wiersma, voorzitter, mr. L.T. de Jonge en mr. S. Zwarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Havinga als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2022.
griffier voorzitter
(de griffier is verhinderd deze beslissing
mede te ondertekenen)
Afschrift verzonden aan partijen op: