RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1053
geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en
(gemachtigde: mr. C. Verbaas).
Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met zaaknummer NL23.1054, plaatsgevonden op 10 maart 2023. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was een tolk aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het onderzoek ter zitting is aangehouden, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om het hoger beroepschrift tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 3 februari 2023 in te dienen, waarna eiser daarop kon reageren.
Verweerder heeft het hoger beroepschrift op 10 maart 2023 ingediend, waarna eiser op 13 maart 2023 een nadere reactie heeft ingediend.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 14 maart 2023 en partijen meegedeeld dat een zitting achterwege blijft, nadat partijen reeds tijdens de zitting van 10 maart 2023 ermee hadden ingestemd om de zaak zonder een nadere zitting af te doen.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het navolgende.
Eiser, geboren op 18 januari 2004, en heeft de Syrische nationaliteit. Op 17 augustus 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.
Bestreden besluit
2. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens verweerder zijn de autoriteiten van Roemenië verantwoordelijk voor de behandeling van eisers asielaanvraag, omdat hij al eerder in Roemenië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Op 28 september 2022 hebben de Roemeense autoriteiten dit verzoek geaccepteerd. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken.
Beoordeling van het beroep
3. Niet in geschil is dat Roemenië in beginsel verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. In geschil is of verweerder in wat eiser heeft aangevoerd, aanleiding had moeten zien om die verantwoordelijkheid aan zich te trekken.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling heeft hoeven nemen. Hieronder zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen, aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. De rechtbank stelt voorop dat uitgangspunt is dat verweerder, in zaken die gaan over Dublinclaimanten, ten aanzien van Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Roemenië is net als Nederland aangesloten bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en andere internationale verdragen. Roemenië heeft met de acceptatie van het verzoek om terugname gegarandeerd dat het verzoek van eiser in behandeling wordt genomen, met inachtneming van het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Verweerder mag er dus vanuit gaan dat Roemenië eiser bescherming kan en wil bieden. Dit is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) recentelijk nog bevestigd. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.
Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank, terecht gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat de onder 4. vermelde uitspraken niet langer van toepassing zijn en dat hij bij overdracht aan Roemenië als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Roemeense autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Pushbacks van Dublinclaimanten naar Servië in Roemenië
Dat er pushbacks in Roemenië plaatsvinden is onvoldoende voor de conclusie dat Roemenië zich ten aanzien van Dublinclaimanten niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. Om tot die conclusie te komen zal de vreemdeling met concrete aanknopingspunten aannemelijk moeten maken dat Dublinclaimanten na overdracht een reëel risico lopen om met pushbacks te maken te krijgen dan wel om een andere reden een reëel risico lopen op een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Eiser heeft met zijn verwijzing naar het AIDA-rapport niet aannemelijk gemaakt dat hij, als Dublinclaimant, bij overdracht aan Roemenië een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van pushbacks die aan de Roemeense grens plaatsvinden. Uit het rapport kan namelijk niet worden afgeleid dat Dublinclaimanten na hun overdracht aan Roemenië te maken krijgen met pushbacks of daarmee vergelijkbare uitzettingen, waarbij er geen gelegenheid wordt gegeven om een asielprocedure te doorlopen in Roemenië. Het rapport vermeldt dat de slachtoffers van pushbacks asielzoekers zijn die zich in het grensgebied van Roemenië met Servië bevinden en dat de handelingen erop gericht zijn om te voorkomen dat vluchtelingen Roemenië inreizen. Eiser bevindt zich niet in een dergelijke situatie. Eiser zal in het kader van de Dublinverordening, gelet op de inhoud van het claimakkoord, gereguleerd worden overgedragen aan Roemenië, op het vliegveld Boekarest en zal dus niet illegaal de Roemeense buitengrenzen hoeven over te steken. De beroepsgrond kan niet slagen.
De rechtbank kan dit reële risico ook niet afleiden uit het rapport ‘Formalizing Pushbacks -the use of readmission agreements in pushback operations at the Serbian-Romanian border’ . Daarin is vermeld dat deze organisatie op de hoogte is van vier Dublinclaimanten, die naar Servië zijn uitgezet in een periode van twee jaar, waarvan één persoon, S.A. zijn verhaal met stukken kon ondersteunen. De overige gevallen zijn, zoals verweerder terecht stelt, niet van voldoende concreet bewijs voorzien om te kunnen concluderen dat sprake is van pushbacks van Dublinclaimanten. Ook is onduidelijk of zij al dan niet in de gelegenheid zijn gesteld om in Roemenië een asielwens kenbaar maken. De situatie van de vreemdeling S.A. deed zich voor in 2021. Naar het oordeel van de rechtbank is één gedocumenteerde geval van meer dan twee jaar geleden, in tegenstelling tot eisers betoog op dit punt, onvoldoende om te concluderen dat eiser een reëel risico loopt op een pushback. De verwijzing naar de aanvullende verklaring (statement) van Klikaktiv van 13 februari 2023 maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Eisers betoog dat sprake is van een risico op indirect refoulement kan ook niet slagen, nu hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Roemenië heeft het verzoek tot terugname uitdrukkelijk geaccepteerd. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er dan vanuit worden gegaan dat Roemenië het asielverzoek, de eventuele uitzetting naar Syrië en een verzoek om gezinshereniging zal toetsen aan internationale verdragen en Europese asielrichtlijnen.
Ten aanzien van eisers betoog dat uit het AIDA rapport naar voren komt dat de regelgeving in Roemenië niet zou voldoen aan artikel 18 van de Dublinverordening voor Dublinterugkeerders geldt het volgende. De desbetreffende passage in het AIDA rapport meldt, voorzover van belang, het volgende: “It should be noted that het Asylum Act does not fully comply with Article 18(2) of the Dublin Regulation, which allows applicants whose claims have been withdrawn to have access to the procedure without lodging a subsequent application.” Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de desbetreffende passage in het rapport niet ziet op de situatie van eiser. In eisers geval hebben de Roemeense autoriteiten immers het claimverzoek uitdrukkelijk geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, waarmee de Roemeense autoriteiten zelf te kennen hebben gegeven dat eiser in Roemenië nog een lopende asielprocedure heeft. Zoals reeds hiervoor is overwogen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Dublinclaimanten na overdracht aan Roemenië, ondanks een claimakkoord, geen asielprocedure krijgen dan wel een asielprocedure krijgen die niet voldoet aan de eisen die de verdragen en de diverse richtlijnen daaraan stellen. Eisers ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de toegang tot de Roemeense asielprocedure lang zal gaan duren en onduidelijk is hoe eisers asielaanvraag daar verder behandeld zal worden, is eveneens onvoldoende om niet langer uit te kunnen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, nu dit een mogelijke toekomstige gebeurtenissen betreft waarover nu geen oordeel over kan worden geveld. De beroepsgrond kan niet slagen.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch in de uitspraak van 15 juni 2022 over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft gesteld, af te wachten.
Gezinshereniging
5. Ten aanzien van eisers wens om gezinshereniging met zijn in Nederland verblijvende familie, te weten twee ooms en neven heeft verweerder terecht gesteld dat het in deze procedure uitsluitend gaat over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Eiser kan een aparte aanvraag doen op grond van artikel 8 EVRM. Verweerder heeft ook terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat een aanvraag tot gezinshereniging in Roemenië bij voorbaat kansloos zou zijn. Ook hier heeft verweerder er terecht op gewezen dat indien eiser desondanks toch problemen zal ervaren, hij zich dient te wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) Roemeense autoriteiten, of de daarvoor aangewezen instanties. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat de gestelde familiebanden van eiser ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage-van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.