[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. Boone).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Bij brief van 15 maart 2023 heeft verzoeker verweerder op grond van artikel 16 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) gevraagd om rectificatie van bepaalde gegevens. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 maart 2023 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bepaalt dat als, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er in deze zaak geen beletsel voor de bevoegdheid van de bestuursrechter. Een besluit op het bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag op grond van de AVG staat open voor beroep bij de bestuursrechter. Anders dan verweerder in het verweerschrift betoogt, is daarbij niet relevant dat verzoeker momenteel gedetineerd is.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb echter alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Het uitblijven van de door verzoeker gevraagde rectificatie heeft geen onomkeerbare gevolgen. Ook voor het overige is niet gebleken dat de gestelde onjuiste registratie van gegevens op dit moment voor verzoeker ernstige nadelige effecten heeft. De conclusie is daarom dat er geen enkel spoedeisend belang is.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: