[naam 1 uit woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [naam 2] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden (verweerder)
(gemachtigde: mr. C. Slingerland).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een personenauto en een vergoeding voor de bijkomende kosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 22 december 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 mei 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser en verweerder hebben aanvullende stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 december 2022 op zitting behandeld via een digitale verbinding. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Senior Wmo-consulente [naam 3] , werkzaam bij verweerder, was ook aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder eiser terecht geen voorziening voor een personenauto heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zorgvuldig onderzoek verricht en heeft hij eiser terecht geen personenauto toegekend op grond van de Wmo en heeft hij dit op grond van zijn beleid ook niet hoeven doen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en omstandigheden
3. Bij eiser is sprake van meervoudige psychiatrische problematiek bij een verstandelijke beperking en van een SOLK-aandoening (Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten). Hij woont bij zijn ouders en gaat een paar dagdelen per week naar dagbesteding. Hij ontvangt een Wajong-uitkering.
Eiser heeft in aansluiting op de ondersteuning vanuit de Jeugdwet en in afwachting van een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) van verweerder een Wmo-indicatie voor dagbesteding inclusief vervoer gekregen. Hij werd door zijn begeleiders bij de dagbesteding van huis gehaald en thuisgebracht. Sinds hij zijn rijbewijs heeft, rijdt hij zelf naar de dagbesteding.
Eiser heeft zich op 25 augustus 2021 bij verweerder gemeld voor een vergoeding voor een personenauto en bijbehorende kosten. Zijn ouders hebben geen geschikte auto meer waar hij in kan rijden. Hij stelt dat hij een personenauto nodig heeft om naar de dagbesteding te gaan en om zich buiten het huis te verplaatsen en hierdoor mee te kunnen doen aan de samenleving.
Bij beslissing op bezwaar van 16 september 2021 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) bepaald dat eiser recht heeft op Wlz-zorg, namelijk GGZ Wonen: Wonen met intensieve begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Deze Wlz-indicatie is inclusief vervoer naar en van de dagbesteding.
Verweerder heeft een medisch advies en een aanvullend medisch advies gevraagd. Voordat verweerder een besluit heeft genomen over het al dan niet toekennen van een personenauto hebben eisers ouders een personenauto voor eiser gekocht.
Bij besluit van 22 december 2021 heeft verweerder de aanvraag voor een personenauto afgewezen, omdat een personenauto een algemeen gebruikelijke voorziening op grond van de Wmo is. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat het vervoer naar en van de dagbesteding wordt geregeld op grond van de Wlz-indicatie van eiser en verweerder daar dus niet meer verantwoordelijk voor is. Verweerder heeft zijn besluit tot afwijzing van de aanvraag na bezwaar met het bestreden besluit van 10 mei 2022 gehandhaafd.
Toetsingskader
4. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015, volgt dat verweerder voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn rechtspraak (zie de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819) uiteengezet op welke manier een dergelijk onderzoek naar maatschappelijke ondersteuning moet plaatsvinden. Uit deze rechtspraak blijkt onder meer dat:
* het college moet vaststellen wat de hulpvraag is;
* het college moet vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel bij het zich kunnen handhaven in de samenleving;
* wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is;
* het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, moet het college een maatwerkvoorziening verlenen;
* voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, een specifiek deskundig oordeel en advies niet zal kunnen ontbreken.
In de uitspraak van 20 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3535) heeft de CRvB overwogen dat aan de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015 kan worden ontleend dat het college niet gehouden is tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening wanneer het gebruik van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn een uitkomst bieden. Verder heeft de CRvB in deze uitspraak overwogen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt als deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
Gronden van beroep
5. Eiser vindt dat verweerder bij het medisch onderzoek en bij het daarop volgende besluit om hem geen personenauto toe te kennen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoon. Het medisch onderzoek was voor hem, gelet op zijn beperkingen, belastend. Bovendien was dit onderzoek in strijd met zijn privacy en onnodig, omdat de gegevens al bekend waren bij verweerder. Voorts heeft verweerder bij zijn standpunt dat een personenauto een algemeen gebruikelijke voorziening is ten onrechte niet onderkend dat de personenauto voor hem een hulpmiddel is. Begeleiding bij het vervoer leidt tot veel stress bij eiser. Een auto is het enige geschikte vervoersmiddel voor hem en door ritjes met de auto te maken komt hij uit huis. Gelet op eisers beperkingen vergelijkt verweerder eisers situatie ten onrechte met anderen die een inkomen op minimumniveau hebben en moeten sparen voor een auto. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Ten slotte wil eiser een vergoeding voor de kosten van het gebruik van bad en voor de kosten van extra was, een schadevergoeding en een proceskostenvergoeding.
Overwegingen rechtbank
Zorgvuldigheid onderzoek
6. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het toetsingskader zoals beschreven onder 4 en 4.1 dat verweerder terecht een medisch onderzoek heeft laten verrichten. Uit eisers melding blijkt dat hij ondersteuning voor vervoer wil. Om zijn hulpvraag en de problemen die hij ervaart met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie in kaart te kunnen brengen en om de behoefte aan ondersteuning te kunnen vaststellen was een recent en op deze vragen toegespitst medisch onderzoek noodzakelijk. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting toegelicht dat de gegevens die er al waren verouderd waren, niet van een onafhankelijke deskundige afkomstig waren en niet gericht waren op het vaststellen van eisers vervoersbehoefte. Verweerder heeft met het medische advies de voor het besluit benodigde informatie over de persoon van eiser verkregen. De rechtbank is van oordeel dat het medische advies voldoende zorgvuldig is. Zo heeft er een telefonisch consult en een oriënterend psychisch onderzoek plaatsgevonden en zijn de aangeleverde stukken bij het advies betrokken. Door het besluit te nemen naar aanleiding van dit medische advies heeft verweerder zorgvuldig gehandeld.
Wlz-indicatie
Voor zover eiser heeft gesteld dat het voor zijn welbevinden van belang is dat hij zelf in een eigen personenauto naar en van de dagbesteding rijdt, kan dit in deze procedure niet aan de orde komen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat, gelet op de Wlz-indicatie die eiser inmiddels heeft, het CIZ verantwoordelijk is voor het vervoer naar en van de dagbesteding en dat eiser hiervoor geen aanspraak meer kan maken op een voorziening op grond van de Wmo.
Algemeen gebruikelijke voorziening
Voor zover eiser heeft gesteld dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser voor zijn overige vervoersbehoefte niet in aanmerking komt voor een personenauto, omdat een personenauto als een algemeen gebruikelijke voorziening wordt beschouwd, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in zijn beleid, paragraaf 3.5 van de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2019, een personenauto als een algemeen gebruikelijke voorziening opgenomen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat een personenauto volgens voormelde jurisprudentie van de CRvB als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Tussen partijen is niet in geschil dat een personenauto een voorziening is die niet alleen bedoeld is voor personen met een beperking. De personenauto is bovendien daadwerkelijk beschikbaar en er bestaat geen verschil van mening over de vraag of de personenauto een passende bijdrage levert. Voorts kan een personenauto financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
Verweerder heeft willen onderzoeken of eiser voldoet aan de voorwaarde in zijn begunstigende beleid in paragraaf 3.5 op grond waarvan een voorziening onder omstandigheden niet als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. De voorwaarde is dat eisers inkomen minder dan 110% van het bijstandsniveau is. Verweerder heeft eiser voor dit onderzoek op 22 februari 2022 om gegevens gevraagd. Uit het dossier blijkt dat eiser deze gegevens niet heeft willen verstrekken. De rechtbank overweegt dat het wel aan eiser is om deze gegevens te verstrekken, nu het een mogelijk begunstigend besluit betreft. Verweerder heeft vanwege het ontbreken van de benodigde gegevens een fictieve berekening van eisers inkomen gemaakt en heeft daarbij betrokken dat zijn ouders onderhoudsplichtig zijn. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser niet aan de voorwaarde van het begunstigende beleid voldoet. In beroep heeft eiser alsnog stukken ingediend. Uit deze stukken kan echter niet worden opgemaakt dat eiser voldoet aan de voorwaarde van het begunstigende beleid. Eiser heeft niet bestreden dat er een inkomen op het niveau van 110% van de bijstandsnorm is.
Discriminatie als gehandicapte
Dat eiser zijn personenauto gebruikt als hulpmiddel om uit huis te komen en het voor hem gelet op zijn leeftijd en beperkingen moeilijk is om geld voor een personenauto bij elkaar te sparen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er met het besluit sprake is van discriminatie van eiser als gehandicapte, zoals door eiser is gesteld. In eisers vervoer naar en van de dagbesteding is voorzien met de Wlz-indicatie. Er is geen medische onderbouwing voor de noodzaak van een personenauto voor het overige gebruik van de personenauto door eiser. Dat voorts voor iedereen die een inkomen van 110% van de bijstandsnorm heeft geldt dat een personenauto als algemeen gebruikelijk wordt gezien, leidt niet tot een achterstelling van een gehandicapte.
Kosten bad en was
7. Eiser heeft eerst in beroep aangevoerd dat hij een vergoeding wil voor de kosten van het in bad gaan en van extra was. Dit is te laat, verweerder heeft in de besluitvormingsfase niet op dit verzoek kunnen ingaan. Dit verzoek ligt nu dan ook niet ter beoordeling in beroep voor.
Schadevergoeding
8. Voor zover eiser heeft verzocht om schadevergoeding overweegt de rechtbank dat uit voorgaande overwegingen volgt dat niet is gebleken van een onrechtmatig besluit van verweerder. Eiser komt daarom niet voor schadevergoeding in aanmerking.
Conclusie en gevolgen
9. Eiser kan op grond van de Wmo en op grond van verweerders begunstigende beleid geen aanspraak maken op een personenauto. Het verzoek om vergoeding van kosten ligt niet in beroep ter beoordeling voor. Eiser komt niet in aanmerking voor schadevergoeding.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.C. ten Hoopen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2023. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.