RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht Locatie Groningen
parketnummer 18.008028.24 ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18.298620.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 mei 2024 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 april 2024.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
in de zaak met parketnummer 18.008028.24:
en in de zaak met 18.298620.23:
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 6 april 2023 te Groningen met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 431 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 6 april 2023 te Groningen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.
Geldigheid van de dagvaarding
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18.008028.24
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit de dagvaarding partieel nietig te verklaren voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde luxe merkkleding en/of -schoenen, aangezien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Het is onvoldoende duidelijk op welke goederen dit deel ziet, nu op diverse plekken een veelvoud aan kleding is aangetroffen die ook gedeeltelijk door andere personen is geclaimd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een deels nietige dagvaarding niet aan de orde is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en is van oordeel dat de dagvaarding geldig is en voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging voldoende duidelijk, omdat dit onderdeel de luxe merkkleding en/of -schoenen in samenhang met het overige deel van het onder 2 ten laste gelegde en de beslaglijsten in het procesdossier moet worden bezien.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18.008028.24
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor de feiten 1 en 2. Ten opzichte van het onder 2 ten laste gelegde is er sprake van witwassen in de zin dat verdachte de voorwerpen voorhanden heeft gehad.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18.298620.23
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor het feit.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18.008028.24
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Voor wat betreft feit 2 heeft de raadsman betoogd dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het witwassen van het Rolex-horloge en de Louis Vuitton-zonnebril, aangezien niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de voorwerpen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het horloge is niet onderzocht door een juwelier en betreft een nep-exemplaar dat een relatief lage dagwaarde vertegenwoordigt. Verdachte stelt de zonnebril cadeau te hebben gekregen van een ex-vriendin.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18.298620.23
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18.008028.24
Feit 1
De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
Partiële vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de onder 2 ten laste gelegde luxe merkkleding dan wel -schoenen heeft witgewassen. Uit het procesdossier is niet gebleken dat de inbeslaggenomen kleding en schoenen luxe goederen betreffen; naar de waarde van deze voorwerpen is geen onderzoek verricht. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Bewezenverklaring
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 2
redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 19 april 2024 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
In de periode van 1 januari 2021 tot en met 8 januari 2024 heb ik gedeald in cocaïne en MDMA. Mijn klanten stuurde ik een tikkie en zij maakten het geld over op mijn bankrekening. Het klopt dat een bedrag tot 14.038,53 afkomstig is uit drugshandel.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 9 januari2024, opgenomen op pagina 31 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R023119 d.d. 20 februari 2024, inhoudend als relaas van verbalisanten [naam] en [naam] :
Op 8 januari 2024 werd waargenomen dat verdachte [verdachte] als bestuurder in zijn personenauto zat, de Lynk & Co. Gezien werd dat er op de [adres] te Groningen een andere man bij hem in zijn auto stapte en dat men vervolgens aan de rit ging. Op de kruising van de [adres] met de [adres] verliet de passagier het voertuig van verdachte. Verdachte kon worden aangehouden op de [adres] . Hierna is door ons een vervoersfouillering uitgevoerd en zijn in de linker zak van de trui en in de linker broekzak van de verdachte meerdere bankbiljetten van vijftig en twintig euro aangetroffen. Dit voor een totaal bedrag van 910 euro. Nadien bleek dat de passagier, die eveneens werd aangehouden, twee wikkels met daarin waarschijnlijk cocaïne had gekocht van verdachte.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2023,opgenomen op pagina 116 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam] :
Over de periode 1 januari 2021 tot en met 25 april 2022 zijn de historische financiële gegevens van verdachte [verdachte] gevorderd. In het onderzoek naar de bij- en afschrijvingen valt op dat verdachte geen loon uit werk ontvangt.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2023,opgenomen op pagina 124 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam] :
De historische financiële gegevens van verdachte [verdachte] zijn gevorderd over de periode 1 januari 2021 tot en met 23 oktober 2023. In dit proces-verbaal wordt de periode 25 april 2022 tot en met 23 oktober 2023 besproken. In deze periode is geen sprake van inkomsten uit werk of uitkering.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 november 2023,opgenomen op pagina 127 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam] :
Over de periode van 1 januari 2021 tot 23 oktober 2023 zijn de historische financiële gegevens gevorderd bij meerdere banken. Aan de hand van de verstrekking van deze gegevens van verdachte [verdachte] is onderzoek gedaan hiernaar. Hierbij is opgevallen dat er overboekingen worden gedaan naar de rekening van verdachte. Tevens is opgevallen dat de tegenrekeningen op naam staan van personen. Om onderzoek te kunnen doen naar de verkoop van drugs is er een selectie gemaakt van deze tegenrekeninghouders. Hierbij is gekeken naar het aantal overboekingen en is ervoor gekozen om deze personen te benaderen voor een getuigenverklaring. Hieruit is naar voren gekomen dat de getuigen overboekingen hebben gedaan voor het aankopen van drugs.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2024,opgenomen op pagina 200 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [naam] en [naam] :
Op 8 januari 2024 is een voertuig van het merk Lynk & Co op naam van verdachte [verdachte] in beslag genomen. Ik, verbalisant [naam] , heb samen met collegas [naam] en [naam] onderzoek gedaan in het voertuig. Bij het openen van de deur zag ik bij de dorpel van het portier en de bestuurdersstoel een 50biljet. Ook zag ik in de middenconsole, alwaar een armsteun gemonteerd is, een horloge van het merk Rolex liggen. Hierop zag ik in de middenconsole een hoeveelheid muntgeld liggen. Hierna heb ik het dashboardkastje geopend en zag ik een brillenkoker liggen. Deze heb ik geopend en trof een zonnebril van het merk Louis Vuitton.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 februari 2024,opgenomen op pagina 227 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam] :
De verdachte heeft volgens de RDW in de periode tussen 30 mei 2022 en 11 oktober 2023 een Audi A3 op naam gehad. Uit de eerder verstrekte banktransacties is niets gebleken van een girale betaling van dit voertuig.
Volgens het politiesysteem stond het voertuig van het merk Lynk & Co op 13 oktober 2023 op naam van autobedrijf [bedrijf] , waarna deze op naam werd gezet van de verdachte. Na vordering bij autobedrijf
[bedrijf] is gebleken dat er een bedrag van 20.500,- gefinancierd is door [bedrijf] Volgens de verkoopadviseur van [bedrijf] is per pin een betaling van 8.950,- gedaan door de verdachte.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af. Uit de onderzoeken naar de historische financiële gegevens volgt dat verdachte in de ten laste gelegde periode geen legale inkomsten had. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij toentertijd wel geld op zijn bankrekening(en) heeft ontvangen verkregen uit de handel in harddrugs. Daarnaast zijn ten tijde van de aanhouding van verdachte bij betrapping op heterdaad van het dealen van cocaïne in zijn kledingstukken meerdere bankbiljetten aangetroffen. Nadien heeft de politie in de door hem bestuurde personenauto (van het merk Lync & Co) verschillende geldbedragen gevonden bij de dorpel van het portier en de bestuurdersstoel en in de middenconsole alwaar een armsteun gemonteerd is. De politie heeft bovendien een horloge van het merk Rolex en een zonnebril van het merk Louis Vuitton inbeslaggenomen, die beide in het voertuig lagen. Verder is gebleken dat de personenauto van het merk Lync & Co door verdachte is geleased, waarbij een bedrag van 8.950,- door verdachte is aanbetaald.
Op grond daarvan, en het door de rechtbank wettig en overtuigend bewezen geachte feit 1, acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat geldbedragen, de Lync & Co-personenauto, het Rolexhorloge en de Louis Vuitton-zonnebril uit enig eigen misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen en de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn.
Ter zitting heeft verdachte gesteld dat het horloge geen echte Rolex betreft en een waarde vertegenwoordigt van 150,- en dat hij de zonnebril cadeau heeft gekregen (van zijn voormalige partner). Verder heeft verdachte aangegeven dat hij, voordat hij de Lynk & Co heeft geleased, een vorige auto heeft verkocht. Overigens heeft verdachte zich ten aanzien van de geldbedragen niet verweerd. De rechtbank stelt vast dat verdachte in een eerder stadium niets heeft verklaard over het voorgaande en dat hij geen inzicht heeft gegeven in aankoop- dan wel garantiebewijzen, of op andere wijze concrete en verifieerbare gegevens heeft overgelegd.
Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat ten laste gelegde geldbedragen onmiddellijk en de vorenbedoelde voorwerpen middellijk uit enig eigen misdrijf afkomstig zijn.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde ten aanzien van geldbedragen, een personenauto van het merk Lync & Co, een horloge van het merk Rolex en een zonnebril van het merk Louis Vuitton.
De rechtbank stelt voorop dat noch de tekst van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in dit eerste artikellid is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.
Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
De rechtbank is van oordeel dat de geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en dat verdachte die geldbedragen heeft witgewassen door die voorhanden te hebben gehad.
De rechtbank heeft echter niet kunnen vaststellen dat verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen, nu uit de feiten en omstandigheden enkel kan worden afgeleid dat de verdachte die voorhanden heeft gehad.
Dit betekent dat het onder 2 bewezenverklaarde voorhanden hebben van geldbedragen afkomstig uit eigen misdrijf niet kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient derhalve hiervan te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De rechtbank acht de onder parketnummers 18.008028.24 en 18.298620.23 ten laste gelegde feiten
wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
een of meer onbekend gebleven personen op 6 april 2023 te Groningen opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van in totaal 431 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 6 april 2023 te Groningen opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het in de zaak met parketnummer 18.008028.24 onder 2 bewezen verklaarde voorhanden hebben van geldbedragen afkomstig uit eigen misdrijf kan niet als strafbaar feit worden gekwalificeerd, zodat verdachte hiervan zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het bewezen verklaarde levert op: in de zaak met 18.008028.24:
1. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; 2. witwassen;
en in de zaak met parketnummer 18.298620.23:
medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18.008028.24 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 18.298620.23 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de zaken met parketnummers 18.008028.24 en 18.298620.23 gepleit
voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal 24 maanden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dealen van gebruikershoeveelheden cocaïne en MDMA over een periode van drie jaren en het witwassen van een Lync & Co-personenauto, een Rolex-horloge en een Louis Vuitton-zonnebril. Daarnaast is verdachte medeplichtig geweest aan hennepteelt. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van drugsgebruik, drugshandel en de vele daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit. Drugsgebruik levert een gevaar op voor de volksgezondheid, omdat regelmatig drugsgebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich kan brengen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging voor het legale handelsverkeer en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het in omloop brengen van witgewassen voorwerpen heeft een sterk corrumperende werking en faciliteert veelal ander strafbaar handelen. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat uit de justitiële documentatie van 8 april 2024 volgt dat verdachte in 2017 onherroepelijk is veroordeeld voor het begaan van een Opiumwetdelict.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 5 april 2024. De reclassering heeft geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Er worden geen mogelijkheden gezien om met interventies of toezicht de risicos te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is aangewezen. De rechtbank zal voor het bepalen van de hoogte van de straf de oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt nemen. Het oriëntatiepunt in geval van het verkopen/afleveren/verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende zes tot twaalf maanden met enige regelmaat is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank ziet reden om hiervan af te wijken in strafvermeerderende zin, nu de periode waarin in harddrugs is gedeald ruim drie jaren bedraagt. De rechtbank ziet geen ruimte om aan de op te leggen gevangenisstraf een voorwaardelijk gedeelte, als stok achter de deur, te verbinden.
Alles afwegende acht rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 48, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18.008028.24 onder 2 ten laste gelegde ten aanzien van de geldbedragen niet strafbaar en ontslaat verdachte ten aanzien van de geldbedragen van alle rechtsvervolging.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18.008028.24 onder 1 en 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18.298620.23 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. R. Tesfai, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 mei 2024.
Mr. O.J. Bosker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.