[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. Achterveld),
en
Ministerie van Financiën, Programma DG Herstel, verweerder
(gemachtigde: mr. W.G.G. de Bakker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar, waardoor dat bezwaar niet inhoudelijk is behandeld.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van
7 november 2022. Het bezwaar is bij verweerder ingekomen op 26 januari 2023. Met het bestreden besluit van 22 september 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser te laat bezwaar heeft gemaakt en daar geen goede reden voor is.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze procedure alleen of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft geacht.
Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet geval. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard?
Eiser voert aan dat hij het bezwaar wel op tijd heeft ingediend. Hij heeft het besluit namelijk pas kort voor het indienen van het bezwaarschrift op 26 januari 2023, ontvangen. Eiser weet niet meer de exacte datum en hij heeft de bijbehorende envelop niet bewaard.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het besluit op 7 november 2022 aan eiser is verzonden. Dat blijkt volgens verweerder uit een schermafdruk van het zaakvolgsysteem. In dat systeem is geregistreerd dat er op 7 november 2022 een besluit is genomen. En ook dat de zaak is afgeboekt op 7 november 2022. Verweerder licht toe dat dit betekent dat de zaaksbehandelaar op dat moment het besluit ter verzending bij de uitgaande post heeft gelegd. Volgens verweerder verstreek daardoor de termijn om bezwaar te kunnen maken op 20 december 2022. Verweerder voegt hier aan toe, dat het besluit niet per onbestelbare post is geretourneerd. Verweerder betoogt dat wanneer er met een verzendadministratie kan worden aangetoond dat het besluit is verzonden, eiser dan met feiten dient te onderbouwen dat het stuk later is ontvangen. Volgens verweerder heeft eiser dit onvoldoende gedaan.
Eiser en verweerder verschillen van mening over het moment waarop het besluit is bekendgemaakt en de termijn voor het indienen van bezwaar is begonnen. Een besluit wordt in veel gevallen bekendgemaakt door het verzenden van het besluit naar het adres van degene voor wie het besluit is bedoeld. Als het besluit niet aangetekend is verzonden en de geadresseerde stelt dat deze het besluit pas later heeft ontvangen, dan moet het bestuursorgaan aannemelijk maken wanneer het besluit op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Dat kan het bestuursorgaan doen door een goede verzendadministratie te laten zien. Als een besluit is verzonden (naar het juiste adres) wordt er namelijk vanuit gegaan dat het ook is ontvangen.
In dit geval is de rechtbank van oordeel dat verweerder die verzending op
7 november 2022 niet aannemelijk heeft gemaakt. Een schermafdruk uit het zaakvolgsysteem is daarvoor onvoldoende. Daarbij is van belang dat een zaakvolgsysteem niet hetzelfde is als een verzendadministratie. Het bevat registraties door de behandelaar, maar niet een administratie van de handelingen bij verzending. Uit de registratie van de behandelaar dat de zaak op een bepaalde datum is afgeboekt kan dan ook niet worden afgeleid dat het besluit ook daadwerkelijk (individueel) op die dag ter post is aangeboden en verzonden. Hieruit volgt dat er niet vanuit kan worden gegaan dat het besluit kort na
7 november 2022 op het adres van eiser is ontvangen. En dat betekent dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat het besluit op dat moment bekend is gemaakt, de termijn om bezwaar te maken toen is begonnen en het bezwaar van 26 januari 2023 te laat is ingediend.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van eiser alsnog inhoudelijk moet beoordelen.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
22 november 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.