RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verzoeker] ,
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 96-019386-24
raadkamernummer : 24-011894 en 24-011895
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en ex artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 van:
geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. P. Koops, advocaat te Groningen.
Procesverloop
Het Openbaar Ministerie heeft op 1 maart 2024 de onderhavige strafzaak geseponeerd in verband met het ontbreken van voldoende bewijs.
Op 14 mei 2024 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
- de schade van verzoeker als gevolg van de invordering van zijn rijbewijs tot een bedrag van 195,-;
strafzaak tot een bedrag van 2.776,83
- de kosten voor het opstellen en in het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, eventueel te
vermeerderen in het geval van een zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie van 8 augustus 2024 en de reactie van de advocaat van 5 september 2024.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Verzoeker maakt derhalve aanspraak op vergoeding van geleden schade en gemaakte kosten ex artt. 530 en 533 Sv.
Schade ten gevolge van de invordering van het rijbewijs
Het rijbewijs van verzoeker is 13 dagen ingevorderd geweest. Op grond van art. 164 lid 9 Wegenverkeerswet 1994 komt verzoeker in aanmerking voor een vergoeding van de schade die is geleden door de invordering en inhouding van het rijbewijs. Die vergoeding is vastgesteld op een forfaitair bedrag van 15,- per dag dat het rijbewijs ingehouden is geweest. Het gevorderde bedrag van 195,- zal derhalve worden toegewezen.
Gederfde inkomsten
Verzocht wordt een vergoeding voor door verzoeker gederfde inkomsten nu hij gedurende de inhouding van zijn rijbewijs niet heeft kunnen werken. Dit verzoek is voldoende onderbouwd zodat het gevorderde bedrag van 1.388,64 zal worden toegewezen.
Advocaatkosten
Verzocht wordt een vergoeding van 2.776,83 voor kosten van rechtsbijstand. Dit bedrag bestaat uit 1.250,54 naar aanleiding van een prijsafspraak met betrekking tot het opstellen en indienen van een klaagschrift tegen de inhouding van het rijbewijs van verzoeker en
1.526,29 voor de overige werkzaamheden in de strafzaak.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag dat ziet op de prijsafspraak afgewezen dient te worden nu een urenspecificatie ontbreekt zodat niet te toetsen is of de kosten naar redelijkheid zijn gemaakt. De rechtbank overweegt dat ook in het geval een vaste prijsafspraak is gemaakt de beoordeling van het verzoek tot schadevergoeding ex art. 530 Sv zal moeten plaatsvinden naar billijkheid (vergelijk ECLI:NL:GHAMS:2021:2438). De rechtbank is het met het Openbaar Ministerie eens dat het wenselijk is dat ook wanneer een vaste prijsafspraak is gemaakt er een urenspecificatie wordt overgelegd om te kunnen toetsen of de gemaakte kosten billijk zijn. In het onderhavige geval hoeft het ontbreken van een urenspecificatie naar het oordeel van de rechtbank echter niet te leiden tot een afwijzing. Onderbouwd is dat de prijsafspraak zag op het opstellen en indienen van een klaagschrift tegen de inhouding van het rijbewijs van verzoeker, uit de stukken blijkt dat de advocaat ook daadwerkelijk een dergelijk klaagschrift heeft ingediend en de gemaakte prijsafspraak van 975,- exclusief btw en kantoorkosten komt de rechtbank niet onredelijk voor voor het opstellen van een dergelijk klaagschrift en
de verdere afhandeling daarvan.
Ook de overige gevraagde kosten van rechtsbijstand komen de rechtbank niet onredelijk voor zodat het gevraagde bedrag van 2.776,83 zal worden toegewezen.
De rechtbank zal voorts, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift een vergoeding inclusief BTW toekennen van 340,-.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van 4.700,47.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.S. Venema-Dietvorst, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van 4.700,47 (zegge: vierduizendzevenhonderd euro en zevenenveertig eurocent), over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Trip Advocaten onder vermelding van
“ [nummer] / [verzoeker] ”.