RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verzoeker] ,
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-185569-22
raadkamernummer : 23-029443
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. M.K. Bulthuis, advocaat te Groningen.
Procesverloop
Op 29 augustus 2022 is de onderhavige strafzaak tegen verzoeker geëindigd met een Halt-afdoening.
Op 24 november 2023 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
- de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen haar gevoerde
strafzaak tot een bedrag van 1.355,30
- de kosten voor het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, eventueel te vermeerderen in het geval van een zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift en het standpunt van de officier van justitie van 23 januari 2024.
Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de enkelvoudige raadkamer van 18 juli 2024. Daarbij zijn de advocaat van verzoeker en de officier van justitie mr. E. Veen gehoord. Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Zowel de officier van justitie als de advocaat hebben ter zitting gepersisteerd bij hun schriftelijk ingenomen standpunten.
Beoordeling
Op grond van art. 530 Sv kan een gewezen verdachte aanspraak maken op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand indien zijn of haar zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Onderhavige zaak is geëindigd middels een Halt-afdoening. Een Halt-afdoening moet worden beschouwd als een door verzoeker aanvaarde afdoening met een punitief karakter naar aanleiding van een onderzoek naar een strafwaardige gedraging van verzoeker. In die zin is de zaak dan ook niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel zodat verzoeker niet in aanmerking komt voor een vergoeding van gemaakte kosten. Van bijzondere omstandigheden die hier tot een andere afweging zouden moeten leiden is de rechtbank niet gebleken. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Lamers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2024.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.