RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verzoeker] ,
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-002002-24
raadkamernummer : 24-004135
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. F.H. Batavier, advocaat te Utrecht.
Procesverloop
Het Openbaar Ministerie heeft op 24 januari 2024 de onderhavige strafzaak geseponeerd met als reden dat een strafvervolging onnodig is gelet op de TBS-maatregel van verzoeker.
Op 15 februari 2024 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:
-
de kosten van rechtsbijstand die door verzoeker zijn gemaakt ten gevolge van de tegen hem gevoerde strafzaak tot een bedrag van 2.010,48
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen
in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift en het standpunt van de officier van justitie van 26 februari 2024.
De rechtbank heeft met toestemming van de advocaat en de officier van justitie besloten tot een schriftelijke afdoening van het verzoekschrift.
Beoordeling
De strafzaak is geƫindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Dit betekent echter niet dat verzoeker zonder meer in aanmerking komt voor vergoeding van zijn kosten. Per geval dient te worden bekeken of er gronden van billijkheid (art. 534 Sv) aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het gaat daarbij om de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking voor rekening van verzoeker dienen te worden gelaten dan wel dat deze geheel of gedeeltelijk door de Staat moeten worden gedragen.
Verzoeker werd verdacht van bedreiging van een medecliƫnt in de TBS-kliniek. Uit het dossier blijkt dat verzoeker na een handgemeen met het latere slachtoffer naar zijn kamer is gegaan om kort daarna terug te keren met een schaar en met die schaar op het slachtoffer is afgelopen en die schaar bij de keel van het slachtoffer heeft gehouden. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft dat hij als verdachte is aangemerkt en zodoende rechtsbijstand nodig had. Dat het slachtoffer zich ook niet onbetuigd heeft gelaten, doet hier niet aan af. Verzoeker heeft immers zelf, nadat hij en het slachtoffer door de begeleiding uit elkaar waren gehaald na het handgemeen, de confrontatie opnieuw opgezocht en een schaar bij de ruzie betrokken. De nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking dienen dan ook voor rekening van verzoeker te worden gelaten. Het verzoek zal worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, rechter, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.