ECLI:NL:RBNNE:2024:5440

ECLI:NL:RBNNE:2024:5440

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 19-06-2024
Datum publicatie 16-02-2026
Zaaknummer 18-054002-23
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Schadevergoedingsuitspraak
Zittingsplaats Assen

Samenvatting

Deze uitspraak is niet samengevat voor publicatie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

[verzoeker] ,

Strafrecht

Zittingsplaats Assen

parketnummer : 18-054002-23

raadkamernummer : 23-025939 en 23-025940

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,

hierna te noemen: de verzoeker.

Advocaat: mr. M.H. Heeg, advocaat te Groningen.

Procesverloop

Het Openbaar Ministerie heeft op 14 juli 2023 de onderhavige strafzaak geseponeerd in verband met het ontbreken van voldoende bewijs.

Op 11 oktober 2023 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot een vergoeding van:

260,- per dag;

- de kosten voor het opstellen en indienen van dit verzoek tot een bedrag van 2.040,-te weten een verdriedubbeling van het standaardtarief van 680,-.

De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift en het standpunt van de officier van justitie van 15 maart 2024.

Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 5 juni 2024. Daarbij zijn verzoeker, de advocaat van verzoeker mr. M.H. Heeg en de officier van justitie mr. R. Meinderts, gehoord. Zowel de advocaat als de officier van justitie hebben ter zitting gepersisteerd bij hun schriftelijke standpunten.

Beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. Verzoeker maakt derhalve aanspraak op vergoeding van door hem geleden schade, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Verzoeker is op 21 februari 2023 in verzekering gesteld. Op 24 februari 2023 is de bewaring bevolen en met ingang van diezelfde datum is de voorlopige hechtenis geschorst onder een elftal voorwaarden. Na het sepot op 14 juli 2023 is de voorlopige hechtenis opgeheven.

Voor de dagen die verzoeker in verzekering heeft doorgebracht, te weten 4 dagen, wordt een verdriedubbeling van het standaardtarief gevraagd. Daartoe wordt aangevoerd dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker veel zwaarder is geweest dan voor een gemiddelde verdachte omdat verzoeker lijdt aan dementie. Vanwege zijn dementie veroorzaakte de onvoorspelbaarheid en onzekerheid die de inverzekeringstelling met zich meebracht veel stress en angst bij verzoeker. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwd en gebleken dat verzoeker vanwege zijn dementie extra psychische druk heeft ondervonden ten gevolge van zijn detentie zodat een verhoging van het standaardtarief op zijn plaats is. Een verdriedubbeling van het standaardtarief staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet in verhouding tot de zeer korte duur van de inverzekeringstelling. De rechtbank acht een verdubbeling van de standaardvergoeding billijk. Dat betekent dat een bedrag van 4 x 260,- = 1.040,- aan verzoeker zal worden toegekend.

Daarnaast wordt een vergoeding gevraagd voor de tijd dat de voorlopige hechtenis geschorst is geweest. Daartoe wordt aangevoerd dat verzoeker blijkens de schorsingsvoorwaarden op zijn woonadres diende te verblijven en dat erf niet mocht verlaten, behoudens uitzonderlijke situaties, hetgeen feitelijk neerkomt op vrijheidsbeneming zodat verzoeker schadevergoeding toekomt op grond van art. 533 Sv. Bovendien heeft het huisarrest extra impact gehad op verzoeker vanwege zijn dementie. Het huisarrest zorgde vanwege zijn dementie voor veel onzekerheid, angst en depressieve gevoelens en leidde tot een sociaal isolement. Voorts zou het huisarrest hebben geleid tot een verergering van de dementie.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de schorsing van de voorlopige hechtenis als volgt.

Vrijheidsbeperking gedurende de periode waarin de voorlopige hechtenis geschorst is geweest valt in beginsel niet onder de reikwijdte van art. 533 Sv. Eén en ander kan tot uitzondering leiden indien de vrijheidsbeperking dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In dat geval kan artikel 5 EVRM reden geven tot

schadevergoeding. Hierbij zijn, zo blijkt uit de jurisprudentie, een aantal factoren van belang

zoals de duur, de wijze van tenuitvoerlegging, de mate waarin iemand autonoom kan functioneren.

Naar het oordeel van de rechtbank was de vrijheidsbeperking dusdanig dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. Verzoeker was weliswaar thuis maar mocht zijn erf niet verlaten waardoor de schorsing van de voorlopige hechtenis in feite neerkwam op thuisdetentie. Dit voor een periode van 140 dagen. Verzoeker kon hierdoor niet autonoom functioneren, had geen mogelijkheden eigen keuzes te maken en kon in het geheel niet deelnemen aan het dagelijks leven, zoals het doen van boodschappen of het wandelen met zijn honden. De rechtbank acht dan ook gronden van billijkheid aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor de periode dat de voorlopige hechtenis van verzoeker geschorst is geweest. Een vergoeding van 260,- per dag, zoals verzocht, staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet in redelijke verhouding tot de vrijheidsontneming. Een bedrag van 100,- per dag acht de rechtbank billijk, waarbij tevens rekening is gehouden met de omstandigheid dat het huisarrest in verband met de dementie van verzoeker zwaarder voor hem was dan voor een gemiddelde verdachte. Aldus zal aan verzoeker een bedrag van

14.000,- worden toegekend voor de periode dat zijn voorlopige hechtenis geschorst is geweest, naast het hiervoor genoemde bedrag van 1.040,- in verband met zijn inverzekeringstelling.

De rechtbank zal, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling daarvan ter zitting, een vergoeding inclusief BTW toekennen van 680,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit forfaitaire bedrag te verhogen. Het staat de advocaat vrij om zoveel tijd aan (de onderbouwing van) het verzoekschrift te besteden als zij nodig acht, maar dat betekent niet dat die kosten zonder meer voor rekening van de Staat dienen te komen.

Beslissing

De rechtbank:

Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Lamers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2024.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.

BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van 15.040,- (zegge: vijftienduizend zevenhonderdtwintig euro), over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. dhr. [verzoeker] ovv Sv. [verzoeker] ,

en een bedrag van 680,00 op rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. Advocatenkantoor Heeg o.v.v. Sv. [verzoeker] .

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F. Sieders

Griffier

  • mr. L. Lamers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?