RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verzoeker] ,
Strafrecht
Zittingsplaats Assen
parketnummer : 18-065610-23
raadkamernummer : 24-000079 en 24-000080
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: de verzoeker.
Advocaat: mr. M. Landsman, advocaat te Utrecht.
Procesverloop
Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 oktober 2023 is verzoeker vrijgesproken van feit 1 overval op een videotheek en is ten aanzien van feit 2 het voorhanden hebben van een valmes een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel uitgesproken.
Op 27 december 2023 is ter griffie van deze rechtbank een verzoek ingekomen strekkende tot vergoeding van:
- schade geleden als gevolg van ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis tot een bedrag
van 32.720,-, inhoudende een verdubbeling van de forfaitaire vergoeding;
- de kosten voor het opstellen en het indienen van dit verzoek tot een bedrag van 340,-, te vermeerderen
in geval van een behandeling ter zitting.
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift, het standpunt van de officier van justitie d.d. 18 januari 2024 en de reactie van de advocaat d.d. 20 februari 2024.
Het verzoekschrift is behandeld ter openbare zitting van de raadkamer van 5 juni 2024. Daarbij zijn de advocaat van verzoeker, mr. M. Landsman en de officier van justitie mr. R. Meinderts, gehoord. Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De officier van justitie heeft anders dan in zijn schriftelijke standpunt ter zitting het standpunt ingenomen dat een vergoeding op zijn plaats is, zij het dat verzoek wel dient te worden gematigd.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, echter niet zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht. De gevraagde vergoeding ziet echter op voorlopige hechtenis ondergaan in het kader van feit 1, waarvoor verzoeker is vrijgesproken. Nu niet is gebleken is van enig verband tussen feit 1 en feit 2, feit 2 van hele andere orde is en feit 2 een feit betreft waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, acht de rechtbank gronden aanwezig om voor de ondergane voorlopige hechtenis in het kader van feit 1 een schadevergoeding toe te kennen.
Door de officier van justitie is aangevoerd dat een matiging op zijn plaats is nu de voorlopige hechtenis langer heeft geduurd doordat verzoeker zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, waardoor hij zelf heeft bijgedragen aan het vergroten van zijn schade. Hoewel er omstandigheden denkbaar zijn waarin het gebruik van het zwijgrecht een dusdanig effect heeft gehad op de rechtsgang dat de daaruit ontstane schade voor rekening van de gewezen verdachte dient te komen, dient het uitgangspunt te zijn dat een verdachte de hem toekomende processuele rechten, waaronder het zwijgrecht, moet kunnen uitoefenen zonder te vrezen dat de uitoefening daarvan hem later wordt tegengeworpen. In onderhavig geval ziet de rechtbank in het gebruik van het zwijgrecht dan ook geen reden om de vergoeding van de schade voortkomend uit de voorlopige hechtenis te matigen. Daarbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat verzoeker zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen op advies van zijn advocaat, alsmede de jeugdige leeftijd en de (kwetsbare) persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Bovendien valt het in onderhavig geval gelet op de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de ernstige bezwaren sterk te betwijfelen of het verschil had gemaakt als verzoeker van meet af aan had verklaard dat hij zijn fiets had uitgeleend.
Vervolgens is de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn voor een verhoging van het aan verzoeker toe te kennen schadevergoedingsbedrag, zoals gevraagd door verzoeker. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de forfaitaire vergoeding bij ten onrechte ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in beginsel een afdoende vergoeding vormt voor geleden immateriële schade. Voor toekenning van een hogere vergoeding is derhalve slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding.
In onderhavig geval is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd of anderszins gebleken dat de voorlopige hechtenis voor verzoeker zwaarder is geweest dan voor een gemiddelde verdachte. Het enkele feit dat de detentie gevolgen heeft gehad voor de woon- en financiële situatie van verzoeker is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal daarom volstaan met toekenning van de forfaitaire vergoeding.
Verzoeker is op 3 mei 2023 in verzekering gesteld. Op 4 mei 2023 is de bewaring bevolen. De voorlopige hechtenis is geëindigd op 13 oktober 2023. Gelet op vorenstaande komt 1 dag in aanmerking voor een vergoeding van 130,- en komen er 163 dagen in aanmerking voor een vergoeding van 100,- per dag. Dat betekent dat een vergoeding van 16.430,- zal worden toegewezen.
De rechtbank zal, conform de LOVS-richtlijnen, als kosten voor het indienen van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling daarvan ter zitting, een vergoeding inclusief BTW toekennen van 680,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Sieders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Lamers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2024.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van:
16.340,- (zegge: zestienduizenddriehonderdveertig euro), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van [verzoeker]
en
680,- (zegge: zeshonderdtachtig euro), ten gunste van Domstad Advocatuur, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [bankrekeningnummer] ten name van Domstad Advocatuur onder vermelding van vergoeding 533 Sv, inzake: [verzoeker] .