RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.307003.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 juli 2024 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 juni 2024. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 19 november 2023 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven (- zakelijk weergegeven -) met een mes meerdere malen en/of met kracht in de richting van het lichaam heeft gestoken en/of met dat/een mes in het been en/of de (boven)arm en/of (elders) in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 19 november 2023 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (- zakelijk weergegeven -) met een mes meerdere malen en/of met kracht in de richting van het lichaam heeft gestoken en/of met dat/een mes in het been en/of de (boven)arm en/of (elders) in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Verdachte heeft verklaard dat zij het slachtoffer niet dood wilde maken. Zij wilde het slachtoffer alleen pijn doen en daarom stak zij hem in zijn been. Er is dus geen sprake van vol opzet.
Evenmin kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Zij heeft geen wetenschap gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zou intreden, noch heeft zij die kans ten tijde van de gedraging bewust aanvaard.
Uit de diverse letselrapportages volgt dat er geen aanmerkelijke kans was dat het slachtoffer door het steken zou komen te overlijden. Er is sprake van licht tot matig letsel met beschadiging aan de huid en spieren. Een steekwond in een ledemaat is zelden dodelijk.
Voor zover de rechtbank bewezen zou verklaren dat er door het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans zou bestaan op overlijden van het slachtoffer, dan ontbreekt het vereiste van willen en weten, nu verdachte rekenschap heeft gegeven van de plek waarop zij het mes richtte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 27 juni 2024 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik [slachtoffer] op 19 november 2023 in de parkeergarage in Groningen meerdere malen met een mes heb gestoken.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 november 2023, opgenomen op pagina 45 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023310370 d.d. 14 maart 2024, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Ik zag haar uithalen, met haar rechterhand, naar mij. Ze hield me vast, met haar linkerhand, en in mijn linkerbeen voelde ik ineens iets heel warms. Ze was heel dichtbij me. Ik keek en ik zag een mes in mijn been dat [verdachte] er ineens uittrok. Ze bleef doorsteken, met haar rechterhand. Ik ben onder mijn linker oksel gestoken, ik was mijzelf aan het verdedigen. Ik ben in mijn lies gestoken, in mijn onderbroek zitten ook drie gaten. De eerste was in mijn bovenbeen. Ze bleef me vasthouden en ik probeerde te duwen. Ze bleef met het mes op me afkomen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2023, opgenomen op pagina 61 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:
Op dinsdag 21 november 2023 heb ik, verbalisant [verbalisant] , camerabeelden gekregen van de beveiliging van de parkeergarage, alwaar het incident heeft plaatsgevonden. Ik zie dat de vrouw ongeveer negen stekende bewegingen maakt. De man probeert zich te verdedigen door haar vast te houden. Ik zie dat de vrouw de laatste keer steekt in de bovenarm ter hoogte van de oksel.
4. Een geneeskundige verklaring, op 4 januari 2024 opgemaakt en ondertekend door drs.
[arts 1] , basisarts forensische geneeskunde en drs. [arts 2] , forensisch arts, opgenomen op pagina 72
e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, als hun verklaring:
Betrokkene werd in het [ziekenhuis] gezien op [datum] naar aanleiding van een door u genoemd steekincident. Uit onderzoek bleek sprake van:
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 november 2023, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:
Op dinsdag 21 november 2023 omstreeks 11.00 uur bevonden wij, verbalisanten, ons in
de woning van aangever [slachtoffer] , nader te noemen aangever, in verband met het opnemen
van een aangifte. Ik laat u drie kleine gaten zien die zich bevinden op de plek waar ik normaal gesproken mijn geslachtsdeel draag. Ik kan u zeggen dat deze gaten niet in de onderbroek zaten toen ik hem aantrok. Ik kan u zeggen dat ik ook krasjes had op mijn lichaam ter hoogte van de plaats waar ik normaal gesproken mijn geslachtsdeel draag. Ik kan u zeggen dat deze krasjes nog niet aanwezig waren toen ik mijn onderbroek aantrok.
Bewijsoverweging
Op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte ongeveer negen stekende bewegingen met een mes richting het slachtoffer heeft gemaakt. Tijdens het steken was er sprake van een worsteling tussen verdachte en het slachtoffer, omdat het slachtoffer zich probeerde te verdedigen. Als gevolg van het steken heeft het slachtoffer een diepe wond op en in zijn linker bovenbeen
opgelopen en is er een kleine verwonding op zijn linker bovenarm ontstaan. De wond in zijn been bloedde zo hevig dat er tot tweemaal toe een tourniquet moest worden aangelegd om het bloeden te stoppen.
Verdachte heeft het slachtoffer gestoken met een scherp mes.1 De rechtbank stelt daarnaast vast dat het slachtoffer ten tijde van het incident meerdere lagen kleding droeg. Deze kleding is op meerdere plekken doorboord. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte met kracht moet hebben gestoken.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verdachte heeft gehandeld met het opzet om het slachtoffer van het leven te beroven. Uit het strafdossier en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, kan niet worden afgeleid dat zij vol opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet op de dood. De rechtbank overweegt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier het overlijden van het slachtoffer - aanwezig is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat dit gevolg zal intreden.
Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat verdachte tijdens een worsteling en dus in een dynamische situatie en deels voor verdachte zelf oncontroleerbaar meerdere malen richting het lichaam van het slachtoffer heeft gestoken. Zoals hiervoor is vastgesteld, is dit met enige kracht gebeurd. Verdachte heeft het slachtoffer daarbij een aantal keren geraakt, te weten in zijn bovenbeen, bovenarm en oppervlakkig bij zijn lies. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door aldus te handelen de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid in het leven geroepen dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou komen te overlijden.
Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in de buurt van het bovenbeen, de lies en de bovenarm vitale organen (zoals het hart en de longen) en bloedvaten (slagaders) bevinden. Het is eveneens algemeen bekend dat het (meermalen) steken met een mes in (een van) deze vitale organen en/of bloedvaten een aanmerkelijke kans op fataal letsel in het leven roept. De rechtbank acht het handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij het slachtoffer met het mes dodelijk zou verwonden. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
zij op 19 november 2023 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven - zakelijk weergegeven - met een mes meerdere malen en met kracht in de richting van het lichaam heeft gestoken en met dat mes in het been en de bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Primair: poging tot doodslag
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 154 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De onvoorwaardelijke jeugddetentie moet in ieder geval niet langer duren dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Aan het voorwaardelijke deel van deze straf moeten de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld die de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft geadviseerd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie die niet langer duurt dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Aan een voorwaardelijk strafdeel kunnen de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport van de Raad worden verbonden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op haar toenmalige vriend. Verdachte en haar vriend hadden onenigheid over de onverwachte zwangerschap van verdachte. Verdachte was boos
op haar vriend en wilde hem pijn doen. Zij heeft meerdere stekende bewegingen gemaakt met een mes in de richting van zijn lichaam. Het slachtoffer heeft uiteindelijk verwondingen opgelopen in zijn linker bovenbeen en in zijn linker bovenarm. Verdachte heeft met haar handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en psychische gesteldheid van het slachtoffer Nu de aanval op het slachtoffer plaatsvond op een openbare plaats, te weten in een parkeergarage in het centrum van Groningen, heeft verdachte met haar handelen ook de openbare veiligheid geschaad.
De impact van dit feit is voor het slachtoffer enorm geweest, zoals ook blijkt uit de door hem ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Hij denkt nog elke dag aan het gebeuren terug. Daarnaast is hij verhuisd, omdat hij zich niet langer veilig voelde in Groningen. Door zijn verhuizing is het voor het slachtoffer lastig om het contact met zijn familie en vrienden te behouden.
Toerekeningsvatbaarheid
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met de over verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapportage van 26 april 2024, opgemaakt door A.X. Rutten (kinder- en jeugdpsychiater), A.W.B. Haas (GZ-psycholoog) en C. Marree (milieuonderzoeker i.o.).
Uit dit rapport blijkt, kort gezegd, dat bij de verdachte sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling was er ook ten tijde van het ten laste gelegde.
De persoonlijkheidsproblematiek van verdachte had invloed op de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Op dat moment was er sprake van een situatie waarbij verdachte onder grote emotionele druk stond. Deze emotionele druk was voor verdachte door een combinatie van persoonlijkheidskenmerken, voortvloeiend uit haar problematiek, en contextuele factoren, moeilijk te hanteren. Mogelijk hebben zwangerschapshormonen de toch al kwetsbare emotieregulatie verder onder druk gezet.
Onderzoekers komen tot het advies om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen, om het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen, over.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank constateert dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
In het hiervoor genoemde pro justitia rapport wordt geconcludeerd dat verdachte een behandeling nodig heeft om de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling te keren. Behandeling zal zich moeten richten op de beperkingen die voortvloeien uit de problematiek, zoals emotie-regulatie, zelfbeeld, relatievorming en identiteitsontwikkeling. De voorkeur gaat uit naar een ambulant behandeltraject. Het recidivegevaar wordt ingeschat als laag tot matig en er is geen reden om aan te nemen dat verdachte zich aan behandeling zal onttrekken.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het rapport van de Raad van 17 juni 2024.
Uit dit rapport blijkt dat verdachte zich goed heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. Verdachte werkt aan alles mee en heeft een proactieve houding. Ze is gemotiveerd voor het oppakken van werk,
school en hulpverlening en ze lijkt zich bewust te zijn van wat er van haar wordt verwacht rondom het naleven van de voorwaarden. Met het NIFP is de Raad van mening dat behandeling op verschillende gebieden noodzakelijk is om herhaling te voorkomen en noodzakelijk is voor een positieve doorontwikkeling van verdachte. Inmiddels is een start gemaakt met systeemtherapie en ook de behandeling bij de Waag gaat binnenkort starten. Daarnaast is de Raad van mening dat de jeugdreclassering bij verdachte betrokken moet blijven, zodat de jeugdreclassering toezicht kan blijven houden op de naleving van de voorwaarden. De Raad vindt het tot slot belangrijk dat de elektronische monitoring blijft bestaan, nu verdachte nog maar net geschorst is en behandeling nog moet gaan starten. De Raad adviseert om een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie. Aan deze voorwaardelijke jeugddetentie moeten acht bijzondere voorwaarde worden verbonden, waaronder het verplicht meewerken aan behandeling, het volgen van onderwijs volgens rooster, een contactverbod met de aangever en het zich houden aan aanwijzingen van de jeugdreclassering.
De straf
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarden verbinden die de Raad heeft geadviseerd. Voor een locatieverbod, zoals het slachtoffer wil, ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank overweegt daartoe dat het slachtoffer niet meer in [plaats] woont. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een contactverbod met slachtoffer voldoende is.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 2301,98 ter vergoeding van materiële schade en 15.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen, met uitzondering van de gestelde schade aan de telefoon en de jas. Die posten zijn onvoldoende onderbouwd. De immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van 5000,-. De vordering moet worden toegewezen inclusief wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Het aantal dagen gijzeling moet op nihil worden gesteld.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de taxikosten en medische hulpmiddelen kunnen worden toegewezen. De benadeelde partij moet niet ontvankelijk worden verklaard in de posten telefoon en ambulancekosten. De kleding en de jas kunnen worden toegewezen tot een bedrag van in totaal 357,-. Het eigen risico 2024 en 2025 is slechts voldoende onderbouwd tot een bedrag van 281,01.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering die is ingediend door de benadeelde partij gedeeltelijk toewijzen.
Materiële schade
De taxikosten en medische hulpmiddelen komen voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de kleding maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid. De schade aan de kleding wordt gewaardeerd op 357,- (112,- voor broek, trui en sneakers en 245,- voor de jas). Hierop heeft de rechtbank de verwachte afschrijving van de goederen toegepast. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de schadeposten ambulancekosten en telefoon niet ontvankelijk verklaren. De vordering is op die onderdelen gemotiveerd betwist en de benadeelde partij heeft die posten onvoldoende onderbouwd.
Ten aanzien van het eigen risico 2024 en 2025 is de rechtbank van oordeel dat deze post tot een bedrag van 281,01, bestaande uit kosten voor een psycholoog, voldoende is onderbouwd. Nu voldoende is gebleken dat deze kosten rechtstreeks voortvloeien uit het primair bewezen verklaarde, zal de rechtbank deze post tot dit bedrag toewijzen.
Immateriële schade
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van een gedeelte van de gevorderde immateriële schade. De benadeelde partij heeft nog steeds veel angst en verdriet van deze gebeurtenis. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen is de rechtbank van oordeel dat 5000,- aan immateriële schade billijk is.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van 5.677,01 euro toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 19 november 2023 tot de dag van volledige betaling. De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering dat ziet op materiële schade niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank zal het overige deel van de gevorderde immateriële schade afwijzen.
Proceskostenveroordeling
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Gijzeling
De rechtbank zal het aantal dagen gijzeling op nihil stellen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 184 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling te weten
Jeugdbescherming Noord Groningen te [plaats] , waarbij veroordeelde maximaal drie maanden intensieve begeleiding aanvaardt in het kader van Intensieve Trajectbegeleiding Criem (ITB Criem);
- dat de veroordeelde geen alcohol en/of (soft)drugs gebruikt en meewerkt aan eventuele (onverwachte)
urinecontroles hierop, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- dat de veroordeelde op geen enkele wijze (ook niet per telefoon, WhatsApp, sociale media) contact
opneemt met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;
- dat de veroordeelde volgens rooster (maatwerk) naar school gaat en na schooltijd binnenshuis is
volgens afgesproken tijden en mogelijke versoepelingen afstemt met de jeugdreclassering;
- dat de veroordeelde meewerkt aan de geïndiceerde behandeling/begeleiding vanuit de
jeugdreclassering, zoals MDFT, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Veroordeelde werkt mee aan het behalen van de doelen die voortvloeien uit de plannen van de hulpverlening;
- dat de veroordeelde meewerkt aan de geïndiceerde behandeling door de Waag of een soortgelijke
forensische psychiatrische instelling;
dat de veroordeelde eventuele versoepelingen aangaande haar huisarrest met de jeugdreclassering afstemt. Versoepelingen worden van tevoren met de jeugdreclassering overlegd en kunnen pas na goedkeuring plaatsvinden.
De politie en de jeugdreclassering kunnen controles uitvoeren;
- dat de veroordeelde zich ter controle van het locatiegebod onder elektronische monitoring zal stellen van de gekwalificeerde instelling te weten Reclassering Nederland te [plaats] .
Draagt Jeugdbescherming Noord te [plaats] op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van
5.677,01 (zegge: vijfduizend zeshonderd zevenenzeventig euro en 1 eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2023.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de materiële schade in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.
Bepaalt dat het overige deel van de immateriële schade wordt afgewezen.
Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van 5.677,01 (zegge: vijfduizend zeshonderd zevenenzeventig euro en 1 eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2023.
Dit bedrag bestaat uit 677,01 aan materiële schade en 5.000,- aan immateriële schade.
Stelt het aantal dagen gijzeling op nihil.
Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. S. Zwarts en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juli 2024.
Mrs. Van Sloten en Van Rhijn zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Vgl de foto van het mes op pagina 139 van het procesdossier met nummer 2023310370 d.d. 14 maart
2024.