ECLI:NL:RBNNE:2025:4806

ECLI:NL:RBNNE:2025:4806, Rechtbank Noord-Nederland, 26-08-2025, LEE 25/2793 en LEE 25/2794

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 26-08-2025
Datum publicatie 18-12-2025
Zaaknummer LEE 25/2793 en LEE 25/2794
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Toepassing kostendelersnorm bij berekening van bijstandsuitkering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet terecht. Er is geen sprake van een huurovereenkomst met een aanverwant. De kostgever kan niet als zodanig worden aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

[naam 1 uit woonplaats] , eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 25/2793 en LEE 25/2794

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. E.Tj. van Dalen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigde: H.J. Roerig).

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de bijstandsuitkering van eiseres berekend dient te worden overeenkomstig de kostendelersnorm. Verweerder stelt van wel. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het beroep.

Hij komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte de kostendelersnorm heeft toegepast. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Totstandkoming van het bestreden besluit en procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2018 heeft verweerder een eerdere uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) ingetrokken. Per 12 oktober 2018 heeft eiseres zich ingeschreven op het adres [adres 1] . Zij heeft op 6 juni 2019 een nieuwe aanvraag om een Pw-uitkering ingediend, waarbij zij een kostgangersovereenkomst heeft overgelegd. Verweerder heeft per aanvraagdatum aan eiseres een Pw-uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande.

Per 16 oktober 2019 heeft eiseres zich ingeschreven op het adres [adres 2] . Tot 1 november 2024 heeft zij van verweerder een Pw-uitkering naar de norm van een alleenstaande ontvangen.

Op haar huidige adres wonen naast eiseres vijf andere personen die 27 jaar of ouder zijn. Het gaat daarbij om de zus van eiseres en de partner van deze zus. Verder woont er een dochter van die zus en haar partner, samen met haar vriend. Tenslotte woont er een vriendin van de overige inwoners. Eiseres heeft een kostgangersovereenkomst met de partner van haar zus. De huur van € 725 maakt zij maandelijks over naar een bankrekening van de zus.

Vanaf 1 november 2024 ontving eiseres van verweerder een Pw-uitkering naar de norm van kostendeler. Bij besluit van 18 maart 2025 heeft verweerder haar een Pw-uitkering per 1 november 2024 naar de norm van kostendeler toegekend. Bij uitspraak van 9 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op verzoek van eiseres de voorziening getroffen dat de uitkering haar voorlopig uitbetaald zou worden naar de norm van een alleenstaande.

Bij primair besluit van 29 april 2025 heeft verweerder besloten dat het primaire besluit van 18 maart 2025 vervalt en aan eiseres per 1 mei 2025 een Pw-uitkering naar de norm van een kostendeler toegekend. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij het nu bestreden besluit van 25 juni 2025 heeft verweerder de wijziging van de Pw-uitkering naar de norm van kostendeler gehandhaafd, maar de ingangsdatum gewijzigd in 1 juli 2025. Eiseres heeft beroep (LEE 25/2794) ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (LEE 25/2793).

Verweerder heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar gemachtigde en [naam 2] en de gemachtigde van verweerder.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leidt de verlaging van de Pw-uitkering tot een spoedeisend belang van eiseres bij het treffen van een voorlopige voorziening. Aan het wettelijke vereiste van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is daarmee voldaan.

De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Kostendeler

Het wettelijke uitgangspunt, zoals neergelegd in artikel 19a van de Pw, is dat iemand van 27 jaar of ouder die op hetzelfde adres hoofdverblijf heeft als de rechthebbende op een Pw-uitkering, aangemerkt wordt als een kostendelende medebewoner. In deze situatie ontvangt de rechthebbende een bijstandsuitkering naar de norm van een kostendeler. Artikel 22a van de Pw bevat een formule voor de berekening. De uitkomst is afhankelijk van het aantal kostendelende medebewoners.

Artikel 19a, eerste lid, van de Pw noemt een aantal situaties waarin een persoon van 27 jaar of ouder die op hetzelfde adres hoofdverblijf heeft niet wordt aangemerkt als kostendelende medebewoner. In dit geval gaat het om de vraag of één van de uitzonderingen genoemd onder b van toepassing is, te weten als er een kostgangersovereenkomst is, tegen een commerciële prijs, onder de voorwaarde dat deze overeenkomst niet is afgesloten met een bloed- of aanverwant.

Verweerder stelt, zoals blijkt uit het bestreden besluit en de toelichting ter zitting, dat de kostgever, als partner van de zus van eiseres, aangemerkt dient te worden als aanverwant. Er is immers een relatie tussen de partner en de zus en het huurbedrag wordt overgemaakt naar de zus. In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw, worden diegenen die ongehuwd samenwonen mede aangemerkt als gehuwden. De bovengenoemde uitzondering van artikel 19a van de Pw doet zich daarom niet voor. Dit betekent volgens verweerder dat voor eiseres de kostendelersnorm moet worden toegepast.

De voorzieningenrechter overweegt dat het Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal het woord ‘aanverwant’ definieert als iemand die door huwelijk of geregistreerd partnerschap tot de familie behoort. Uit de wetsgeschiedenis valt niet af te leiden dat deze term breder opgevat moet worden.

Uit de stukken blijkt niet dat de zus van eiseres en haar partner gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat hij niet heeft onderzocht of dit het geval was. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat van een huwelijk of geregistreerd partnerschap tussen deze beide personen geen sprake is.

Hij oordeelt daarom dat verweerder de kostgever (de partner van de zus) ten onrechte heeft aangemerkt als ‘aanverwant’. De verwijzing door verweerder (4.3.) naar de gelijkstelling van ongehuwd samenwonenden met gehuwden in de Pw doet niet ter zake, omdat de term ‘gehuwd’ niet wordt gebruikt in artikel 19a van de Pw. De opvatting van verweerder in deze zaak dat de kostgever feitelijk een familieband heeft met eiseres, is op zich begrijpelijk. De wettekst geeft echter, ook gezien de wetsgeschiedenis, geen grondslag voor deze interpretatie.

Dit betekent dat zich de uitzonderingssituatie voordoet waarin een persoon van 27 jaar of ouder die op hetzelfde adres hoofdverblijf heeft, niet wordt aangemerkt als kostendelende medebewoner. Verweerder heeft ten onrechte besloten tot toekenning aan eiseres van een Pw-uitkering naar de norm van kostendeler. De beroepsgrond van eiseres slaagt daarom.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 19a van de Pw. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Ook herroept hij het primaire besluit. Gezien de vernietiging van het bestreden besluit en de herroeping van het primaire besluit is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de griffierechten aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep (LEE 25/2794) gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 25 juni 2025;

- herroept het primaire besluit van 29 april 2025;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (LEE 25/2793) af;

- bepaalt dat verweerder de griffierechten van € 106 aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet

Artikel 3. Gezamenlijke huishouding en woning

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

a. echtgenoot: geregistreerde partner;

b. echtgenoten: geregistreerde partners;

c. huwelijk: geregistreerd partnerschap;

d. gehuwd: als partner geregistreerd;

e. gehuwde: als partner geregistreerde;

f. gehuwden: als partners geregistreerden;

(…).

2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;

Artikel 19a. Kostendelende medebewoner

1. In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 27 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet:

a. de echtgenoot van belanghebbende is;

b. op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft;

c. op basis van een schriftelijke overeenkomst met een derde, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft, mits hij de overeenkomst heeft met dezelfde persoon als met wie de belanghebbende een schriftelijke overeenkomst heeft, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als huurder, onderhuurder of kostganger; of

(…)

2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, legt de belanghebbende op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst over en toont hij de betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling. [*]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?