RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer / rekestnummer: 11535794 \ AR VERZ 25-17
Beschikking van 23 april 2025
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij in het verzoek,
verwerende partij in het (deels voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. I.D.L. de Jonge,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij in het verzoek,
verzoekende partij in het (deels voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie op 10 februari 2025;
- het verweerschrift, tevens (deels voorwaardelijk) tegenverzoek (met producties), ingekomen ter griffie op 17 maart 2025;
- de nagezonden stukken van [verweerder] , ingekomen ter griffie op 19 maart 2025;
- de akte indiening nadere producties van [verzoeker] , ingekomen ter griffie op 24 maart 2025;
- de vermeerdering van eis in het tegenverzoek, ingekomen ter griffie op 24 maart 2025;
- de mondelinge behandeling van 26 maart 2025, waar is verschenen [verzoeker] , bijgestaan door mr. I.D.L. de Jonge. Namens [verweerder] is verschenen mevrouw [HR-manager] (HR manager), bijgestaan door mr. M.J. Blokzijl. De gemachtigden van partijen hebben ter zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[verzoeker] , geboren op 30 juli 1998, is op 17 oktober 2022 op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (voor de duur van één jaar) in dienst getreden bij [verweerder] , een hotel aan [adres] .
Omstreeks september 2023 heeft [verzoeker] in overleg met de heer [eigenaar verweerder] , eigenaar van [verweerder] (hierna: [eigenaar verweerder] ), een smart-tv uit het hotel mee naar huis genomen.
Met ingang van 10 juni en 1 oktober 2024 hebben [verweerder] en [verzoeker] opnieuw een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten, te weten tot 10 juni 2025 respectievelijk 1 december 2024.
[verzoeker] was laatstelijk werkzaam in de functie manager dakterras en verdiende een salaris van € 2.428,83 bruto per maand.
Op de avond van 10 december 2024 vond er een besloten feest plaats in [verweerder] , waarbij circa veertig gasten kwamen dineren en borrelen op het dakterras. Zowel [verzoeker] als [eigenaar verweerder] waren die avond aan het werk. Tijdens het feest is tussen [verzoeker] en [eigenaar verweerder] ruzie ontstaan.
Diezelfde avond heeft [verzoeker] via Whatsapp het volgende bericht aan [eigenaar verweerder] gezonden:
“If you’re going to fire me just save us both the hassle and do it now”
[eigenaar verweerder] heeft daarop diezelfde avond gereageerd met:
“No i don’t
If i want to do that i did it now
I want you to understand me.
[naam 1] is cleaning up for you.. you know that i hope”
Toen de gasten weg waren is [verzoeker] , voor het einde van zijn dienst, naar huis gegaan. Voor zijn vertrek heeft [verzoeker] zijn sleutels ingeleverd bij een collega en aangegeven dat hij niet weer komt. [eigenaar verweerder] was op dat moment al vertrokken.
Een dag later, op 11 december 2024, heeft [eigenaar verweerder] het volgende bericht aan [verzoeker] gezonden:
“okay [verzoeker] , I would like to talk to you tomorrow about the following statements you made to me, you call me a thief, that I steal from the staff and that I treat the employees like shit.. I’ll talk to you tomorrow
In anticipation of tomorrow’s conversation, I would like to inform you that you have hurt me enormously as a person and empoyer and that I cannot and do not want to tolerate that within my company or for myself.
I hereby give notice that I am dismissing you with immediate effect.
You can still come by for an interview, but that won’t change my view.
[naam 2] ”
[verzoeker] heeft in reactie daarop, voor zover van belang, het volgende aan [eigenaar verweerder] geschreven:
“I would like to receive, in writing, confirmation of the following:
The reason of my termination
Whether I am fired “op staande voet” or in another way
Any applicable terms and conditions”
[eigenaar verweerder] heeft daarop als volgt gereageerd:
“You will get that from my lawyer
Het is op staande voet
zie boven.
op staande voet.
spullen inleveren die van werkgever zijn en vertrekken/ niet meer terug komen,”
In een brief van 11 december 2024 heeft de gemachtigde van [verweerder] het ontslag op staande voet aan [verzoeker] bevestigd. Daarbij is, voor zover van belang, het volgende medegedeeld:
“(…) De redenen voor uw ontslag zijn dat u zich gisteravond, 10 december 2024 zodanig brutaal en onbeschoft jegens uw werkgever heeft gedragen dat client dit gedrag van u niet kan en wil tolereren. Zo heeft u client o.a. uitgemaakt voor dief, en hem beschuldigd van diefstal, dit in aanwezigheid van derden. Voorts heeft u client toegevoegd dat hij ‘een verschrikkelijke werkgever is’ en ‘slecht is voor zijn personeel’.
Dit soort opmerkingen en ongefundeerde beschuldigingen behoeft een werkgever niet te accepteren van zijn medewerkers, en dat doet client dan ook niet. Om die reden bent u heden op staande voet ontslagen.
In het begin van de avond van 10 december 2024 had u zich reeds op een brutale wijze gedragen richting de werkgever door hem de woorden toe te voegen “I have to solve your fuckup”, of woorden van gelijke strekking; alsof client jegens u steken had laten vallen; ongepast gedrag. Zelfs als client al steken had laten vallen, dan past het u niet u aldus te uiten. En u was reeds een gewaarschuwd man.
Vorig jaar heeft er een gesprek met u plaats gehad nadat u zich onheus en onprofessioneel jegens uw collega had misdragen. Zo heeft u op enig moment staan schreeuwen tegen uw manager, waarmee u een grens heeft overschreden. Er heeft daarop een gesprek met u plaats gehad waarbij aan u is medegedeeld dat dit soort gedrag niet wordt getolereerd in de organisatie van client en dat er ontslag op staande voet zou volgens als u zich niet zou aanpassen. U heeft dat ter harte genomen. Tot gisteravond. Daarbij bent u in verregaande mate opnieuw over de schreef gegaan. Cliënt wenst uw gedrag niet te tolereren en doet daarom de arbeidsovereenkomst met u per direct eindigen.(…)”
In een brief van 30 december 2024 heeft de gemachtigde van [verzoeker] aan [verweerder] medegedeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Daarbij is verzocht om wedertewerkstelling.
De gemachtigde van [verweerder] heeft in een brief van 6 januari 2025 aan de gemachtigde van [verzoeker] kenbaar gemaakt dat het verzoek tot wedertewerkstelling wordt afgewezen.
[verzoeker] is vervolgens deze procedure gestart.
3. Het verzoek van [verzoeker]
verzoekt de kantonrechter, samengevat, om bij beschikking:
[verweerder] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 39.347,05 te betalen;
[verweerder] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] , mede onder verstrekking van een salarisspecificatie in de zin van artikel 7:626 van het Burgerlijk Wetboek (BW), een transitievergoeding van € 1.754,16 te betalen;
[verweerder] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] een maandsalaris te betalen, inhoudende het salaris over de niet in acht genomen opzegtermijn in de zin van artikel 7:672 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW;
[verweerder] te veroordelen in de proceskosten.
[verweerder] voert verweer.
4. Het (deels voorwaardelijk) tegenverzoek van [verweerder]
verzoekt de kantonrechter, samengevat en na vermeerdering van haar verzoek, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
i. indien [verzoeker] terugkomt op zijn berusting in het ontslag op staande voet en het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet tegelijkertijd met het wijzen van deze beschikking wordt toegewezen:
a. de arbeidsovereenkomst (onvoorwaardelijk) te ontbinden op grond van primair artikel 7:669 lid 3 onderdeel e, subsidiair onderdeel g, meer subsidiair onderdeel d en uiterst subsidiair onderdeel i BW, daarbij primair geen rekening te houden met de opzegtermijn nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer en subsidiair bij de ontbindingsdatum rekening te houden met de duur van deze procedure;
b. primair te bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding en geen recht heeft op een eventuele billijke vergoeding en subsidiair de transitievergoeding op een lager bedrag vast te stellen, de billijke vergoeding op nihil vast te stellen dan wel op een lager bedrag vast te stellen dan door [verzoeker] is verzocht;
c. [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van een gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW van € 2.428,83 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
indien [verzoeker] terugkomt op zijn berusting in het ontslag op staande voet en in het geval niet tegelijkertijd wordt beslist op het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet:
a. de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] voorwaardelijk te ontbinden, op grond van primair artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, subsidiair onderdeel g, meer subsidiair onderdeel d en uiterst subsidiair onderdeel i BW, daarbij primair geen rekening te houden met de opzegtermijn nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] en subsidiair bij de ontbindingsdatum rekening te houden met de duur van deze procedure;
b. primair te bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding en geen recht heeft op een eventuele billijke vergoeding en subsidiair de transitievergoeding op een lager bedrag vast te stellen, de billijke vergoeding op nihil vast te stellen dan wel op een lager bedrag vast te stellen dan door [verzoeker] is verzocht;
c. [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan [verweerder] van een gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW van € 2.428,83 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
indien [verzoeker] terugkomt op zijn berusting in het ontslag op staande voet en in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op basis van het onder i dan wel onder ii gedane verzoek voorts:
a. primair voor recht te verklaren dat [verweerder] de salarisbetaling aan [verzoeker] (terecht) heeft mogen/mag staken vanaf 11 december 2024 tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op grond van artikel 7:628 BW, subsidiair dat [verweerder] de salarisbetaling terecht heeft mogen staken vanaf 11 december 2024 tot en met 30 december 2024;
b. meer subsidiair de loonvordering, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente te matigen;
[verzoeker] te gelasten de door hem op 23 juli 2024 van [verweerder] geleende smart-tv terug te geven aan [verweerder] , zulks binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, bij gebreke waarvan [verzoeker] een dwangsom van € 500,00 per dag zal verbeuren, voor iedere dag dat [verzoeker] in gebreke blijft met afgifte;
[verzoeker] te veroordelen in de proceskosten.
[verzoeker] voert verweer.
5. De beoordeling
In het verzoek en in het (deels voorwaardelijk) tegenverzoek
Verwerende partij verzoek en verzoekende partij (deels voorwaardelijk) tegenverzoek
De kantonrechter constateert dat het verweerschrift, tevens (deels voorwaardelijk) tegenverzoek en de vermeerdering van eis in het tegenverzoek zijn ingediend namens [bedrijf] B.V., handelend onder de naam [verweerder] . Ter zitting is door de gemachtigde van [verweerder] naar voren gebracht dat dit een vergissing betreft en dat dit [verweerder] B.V. moet zijn. Nu [verweerder] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, zullen voornoemde stukken worden geacht te zijn ingediend door [verweerder] B.V.
In het verzoek
Partijen verschillen er allereerst van mening over of het op 11 december 2024 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. [verzoeker] stelt dat dit niet het geval is, maar legt zich bij het ontslag neer. In plaats van vernietiging van het ontslag te vorderen, maakt [verzoeker] aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, de transitievergoeding en de billijke vergoeding. [verweerder] voert verweer en voert primair aan dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Subsidiair voert [verzoeker] aan dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. [verweerder] meent dan ook dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen.
De gestelde opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verzoeker]
De kantonrechter zal eerst het meest verstrekkende verweer van [verweerder] beoordelen, namelijk dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
De kantonrechter moet bij de beoordeling daarvan uitgaan van de volgende maatstaf. Uit de artikelen 3:33 en 3:35 BW volgt dat de werkgever er in beginsel op mag vertrouwen dat de verklaring van de werknemer overeenstemt met zijn wil. Of dat vertrouwen van de werkgever gerechtvaardigd is, hangt af van alle omstandigheden van het geval. In het geval van een gestelde opzegging van een arbeidsrelatie door de werknemer, zoals hier aan de orde, kan volgens vaste rechtspraak het vertrouwen van een werkgever alleen dan gerechtvaardigd zijn als sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben (zoals het mogelijke verlies van ontslagbescherming en aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving). In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Onder omstandigheden rust op de werkgever een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten.
[verweerder] voert aan dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd door:
op 10 december 2024 aan [eigenaar verweerder] kenbaar te maken “I quit”;
op 10 december 2024 voortijdig te vertrekken;
de sleutels in te leveren en daarbij mede te delen dat hij niet weer terugkomt;
de werkkleding in te leveren kort na de gebeurtenissen op 10 en 11 december 2024;
niet op te komen dagen op de volgende dag dat hij voor het werk was ingeroosterd en had moeten werken;
niet te protesteren tegen de ontvangen eindafrekening;
zich niet beschikbaar te houden de bedongen arbeid te verrichten;
niet te protesteren tegen het ontslag, anders dan na 31 december 2024 bij brief van zijn gemachtigde.
Naar de kantonrechter begrijpt, betwist [verzoeker] dat hij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.
De kantonrechter oordeelt dat uit de door [verweerder] gestelde mededelingen en gedragingen niet volgt dat sprake was van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [verzoeker] , die er op was gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. De mededeling “I quit” en het inleveren van de sleutels bij een collega met daarbij de mededeling dat hij niet weer terugkomt is daarvoor onvoldoende. Dit geldt temeer nu aan die mededelingen en gedragingen een ruzie tussen [eigenaar verweerder] en [verzoeker] vooraf is gegaan, waardoor [verzoeker] ten tijde van die mededelingen en gedragingen, zo begrijpt de kantonrechter, geëmotioneerd was. Onder die omstandigheden mocht [verweerder] er niet op vertrouwen dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang wilde beëindigen. Ook de overige gestelde gedragingen acht de kantonrechter, voor zover deze al vaststaan, onvoldoende om ervan uit te gaan dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Daaruit blijkt niet dat [verzoeker] een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring heeft afgelegd gericht op de opzegging. Verder geldt dat [verweerder] heeft nagelaten om te onderbouwen op welke wijze zij concreet invulling heeft gegeven aan de op haar rustende onderzoeksplicht. Ook heeft zij niet onderbouwd dat zij [verzoeker] heeft voorgelicht over de gevolgen van een opzegging. Het verweer dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd kan gelet op het voorgaande dan ook niet slagen.
Het ontslag op staande voet
Daarmee komt de kantonrechter toe aan de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.
Omdat het ontslag op staande voet een uiterst middel is en mogelijk grote gevolgen heeft voor de werknemer, stelt de wet daaraan in artikel 7:677 lid 1 BW strenge eisen. Voor een dergelijke opzegging is op grond van het genoemde artikel vereist dat het ontslag onverwijld wordt gegeven, dat sprake is van een dringende reden en dat de dringende reden onverwijld is medegedeeld. Als dringende redenen voor de werkgever worden op grond van artikel 7:678 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren. In artikel 7:678 lid 2 BW wordt vervolgens een (niet-limitatieve) opsomming gegeven van gevallen waarin sprake kan zijn van een dringende reden. De opzeggende partij, in dit geval [verweerder] , moet de aanwezigheid van de dringende reden stellen en zo nodig bewijzen. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden, is de aan [verzoeker] opgegeven reden zoals vermeld in de ontslagbrief maatgevend.
In een Whatsappbericht van 11 december 2024 heeft [eigenaar verweerder] , voor zover van belang, aan [verzoeker] medegedeeld: “I would like to inform you that you have hurt me enormously as a person and employer and that I cannot and do not want to tolerate that within my company or for myself. I hereby give you notice that I am dismissing you with immediate effect.” De reden van het ontslag op staande voet is vervolgens nader toegelicht in de brief van 11 december 2024 van de gemachtigde van [verweerder] . Daarin schrijft de gemachtigde dat het ontslag op staande voet is gegeven, omdat [verzoeker] zich op 10 december 2024 zodanig brutaal en onbeschoft jegens [eigenaar verweerder] heeft gedragen dat [verweerder] dit gedrag van [verzoeker] niet kan en wil tolereren. De gemachtigde geeft aan dat [verzoeker] [eigenaar verweerder] in het bijzijn van derden heeft uitgemaakt voor dief en hem heeft beschuldigd van diefstal. Ook schrijft de gemachtigde dat [verzoeker] tegen [eigenaar verweerder] heeft gezegd dat hij een verschrikkelijke werkgever is en slecht is voor zijn personeel. Ook heeft [verzoeker] richting [eigenaar verweerder] aangegeven “I have to solve your fuck up”, of woorden van gelijke strekking, aldus de gemachtigde. In de brief schrijft de gemachtigde bovendien dat [verzoeker] gewaarschuwd was, aangezien vorig jaar, nadat [verzoeker] zich onheus en onprofessioneel ten opzichte van een collega had gedragen, aan hem is medegedeeld dat dit soort gedrag niet wordt getolereerd en dat ontslag op staande voet zou volgen als [verzoeker] zich niet zou aanpassen.
[verzoeker] erkent dat hij op de avond van 10 december 2024 tegen [eigenaar verweerder] heeft gezegd dat [eigenaar verweerder] van zijn personeel steelt en zijn werknemers slecht behandelt. [verzoeker] erkent eveneens dat hij tegen [eigenaar verweerder] heeft uitgesproken “I have to solve your fuck up”. Ook erkent [verzoeker] dat hij heeft benoemd dat hij de fouten van [eigenaar verweerder] moest oplossen. [verzoeker] betwist echter dat hij [eigenaar verweerder] letterlijk een dief heeft genoemd en dat hij heeft gezegd dat [eigenaar verweerder] een slechte werkgever is.
[verzoeker] stelt dat zijn opmerkingen, gelet op de cultuur binnen [verweerder] en de context waarin de opmerkingen zijn geplaatst, geen dringende reden opleveren. [verzoeker] meent dat [eigenaar verweerder] zelf een sfeer heeft gecreëerd waarin woorden als “fuck” of “I don’t give a fuck” vaker voorkomen. [verzoeker] verwijst in dit kader onder meer naar Whatsappcorrespondentie en verklaringen van (oud) werknemers. Daarnaast geldt volgens [verzoeker] dat hij de opmerking “I have to solve your fuck up” heeft geuit uit frustratie vanwege het niet op orde hebben van de ingekochte goederen. Dit was bovendien nadat [eigenaar verweerder] tegen hem had gezegd “I don’t give a fuck”, aldus [verzoeker] . Verder stelt [verzoeker] dat hij niet is gehoord ten aanzien van de verweten gedragingen. Ook stelt hij dat hij sinds 17 oktober 2022 in dienst is bij [verweerder] en dat het gegeven ontslag op staande voet grote (financiële) gevolgen voor hem heeft. Naast het feit dat [verzoeker] betwist dat sprake is van een dringende reden betwist hij ook dat is voldaan aan de onverwijldheidseis.
Dringende reden
De kantonrechter zal eerst beoordelen of sprake is van een dringende reden. In dat kader overweegt de kantonrechter dat vaststaat dat [verzoeker] op 10 december 2024 tijdens het besloten feest op het dakterras van [verweerder] tegen [eigenaar verweerder] heeft gezegd dat hij van zijn personeel steelt en zijn werknemers slecht behandelt. Ook staat vast dat [verzoeker] die avond de woorden “I have to solve your fuck up” in de mond heeft genomen en tegen [eigenaar verweerder] heeft gezegd dat hij de fouten van [eigenaar verweerder] moest oplossen. Anders dan [verweerder] stelt, is niet vast komen te staan dat [verzoeker] [eigenaar verweerder] letterlijk een dief en/of slechte werkgever heeft genoemd. [verzoeker] heeft deze stellingen namelijk (gemotiveerd) betwist en [verweerder] heeft nagelaten om haar stellingen op dit punt nader te onderbouwen.
Hoewel de kantonrechter van oordeel is dat [verzoeker] zich gelet op voornoemde (vaststaande) uitlatingen op 10 december 2024 allerminst professioneel jegens [eigenaar verweerder] heeft geuit, rechtvaardigt dit niet zonder meer het ontslag op staande voet. De kantonrechter is met [verzoeker] van oordeel dat diens bewoordingen en gedragingen moeten worden bezien in de context van het geval. In dat kader acht de kantonrechter van belang dat niet ter discussie staat dat het op 10 december 2024, vanwege het besloten feest met circa veertig gasten, een drukke avond was en dat bij de inkoop een aantal zaken was misgegaan, waardoor op de werkvloer de nodige stress was ontstaan en het voor iedereen hard werken was. Hoewel van een werknemer verwacht mag worden dat hij zich ook onder dergelijke omstandigheden respectvol en professioneel opstelt richting zijn werkgever, is het voorstelbaar dat de emoties onder deze omstandigheden (sneller) kunnen oplopen en dat vanuit die emotie dingen gezegd kunnen worden die beter niet gezegd hadden kunnen worden. Daarnaast geldt dat [verzoeker] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat [eigenaar verweerder] degene is geweest die [verzoeker] op die bewuste avond, in de nabijheid van gasten, heeft benaderd en op luide toon heeft toegesproken dat de inkoop de verantwoordelijkheid van [verzoeker] was. Door dat te doen heeft [eigenaar verweerder] een situatie in het leven geroepen waarin de hiervoor beschreven escalatie tussen partijen kon ontstaan. [eigenaar verweerder] heeft daarmee zelf ook een aandeel in het conflict gehad. Ook neemt de kantonrechter in aanmerking dat als onweersproken vaststaat dat [eigenaar verweerder] in de communicatie richting zijn werknemers zelf ook wel eens woorden als “fuck” gebruikte. Dit volgt ook uit de door [verzoeker] als productie 4 overgelegde Whatsappcorrespondentie. [verzoeker] heeft op de zitting onbetwist gesteld dat [eigenaar verweerder] het woord “fuck” ook meermaals heeft laten vallen toen hij [verzoeker] toesprak op de bewuste avond van 10 december 2024. Ten aanzien van de opmerking van [verzoeker] dat [eigenaar verweerder] van zijn personeel steelt acht de kantonrechter van belang dat [verzoeker] heeft uitgelegd dat hij daarmee refereerde aan de situatie waarin [eigenaar verweerder] geld uit de fooienpot heeft gehaald. [verweerder] heeft weliswaar betwist dat [eigenaar verweerder] dit heeft gedaan, maar uit de door [verzoeker] als productie 3 overgelegde Whatsappcorrespondentie blijkt dat [eigenaar verweerder] wel heeft gezegd dit te zullen doen. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden acht de kantonrechter de wijze waarop [verzoeker] [eigenaar verweerder] op 10 december 2024 heeft bejegend en de bewoordingen die hij jegens [eigenaar verweerder] heeft geuit niet ernstig genoeg om te kunnen spreken van een dringende reden.
Dat [verweerder] heeft gesteld dat [verzoeker] eerder is gewaarschuwd vanwege onheus en onprofessioneel gedrag ten opzichte van een collega en dat aan hem is medegedeeld dat soortgelijk gedrag ontslag op staande voet zou betekenen maakt dit niet anders. Los van het feit dat [verzoeker] deze stelling gemotiveerd heeft betwist, had het naar het oordeel van de kantonrechter, voor zover er (terechte) kritiek was op het gedrag van [verzoeker] , op de weg van [verweerder] gelegen om daarover afspraken met [verzoeker] te maken, concrete verbeterpunten te formuleren en beoordelingsgesprekken te voeren. Dat dat is gebeurd is niet gesteld of gebleken.
Conclusie: het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig
Nu geen sprake is van een dringende reden is alleen al om die reden niet voldaan aan de vereisten voor het rechtsgeldig geven van een ontslag op staande voet. De opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft daarmee niet rechtsgeldig plaatsgevonden. De kantonrechter zal de stellingen van partijen met betrekking tot de onverwijldheid van het ontslag op staande voet dan ook onbesproken laten. Op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW is [verzoeker] gerechtigd om vernietiging van de opzegging of een billijke vergoeding te verzoeken. Zoals reeds overwogen, heeft [verzoeker] voor dat laatste gekozen en heeft hij berust in de opzegging. De arbeidsovereenkomst is daarmee met ingang van 11 december 2024 tot een einde gekomen.
De vergoeding wegens onregelmatige opzegging
Omdat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen, kan hij naar het oordeel van de kantonrechter in de eerste plaats aanspraak maken op de door hem verzochte vergoeding in verband met de onregelmatige opzegging als bedoeld in artikel 7:672 lid 11 BW. In dit artikel is bepaald dat de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Wanneer achteraf wordt geoordeeld dat geen sprake is geweest van een rechtsgeldig ontslag op staande voet (geen dringende reden, niet onverwijld gegeven of de reden niet onverwijld medegedeeld), dan geldt dat tegen de verkeerde datum is opgezegd.
[verweerder] is dus aan [verzoeker] een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou hebben voortgeduurd. Naar de kantonrechter begrijpt, stelt [verzoeker] dat een opzegtermijn van een maand gold. [verweerder] heeft dit niet weersproken, zodat de kantonrechter daarvan uit zal gaan. [verzoeker] kan daarom aanspraak maken op een vergoeding gelijk aan een maandsalaris. Dit verzoek van [verzoeker] zal dan ook aldus worden toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke rente zal op grond van artikel 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 11 december 2024, de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
De transitievergoeding
Op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid 1 BW kan [verzoeker] eveneens aanspraak maken op de transitievergoeding. De hoogte van die vergoeding is, zo bepaalt artikel 7:673 lid 2 BW, voor elk jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd gelijk aan een derde van het loon per maand en een evenredig deel daarvan voor een periode dat de arbeidsovereenkomst korter dan een jaar heeft geduurd. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat bij onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever (wat hier het geval is), de hoogte van de wettelijke transitievergoeding moeten worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig zou hebben opgezegd. [verzoeker] stelt dat de transitievergoeding begroot moet worden op € 1.754,16 en verzoekt om toekenning van dit bedrag. [verweerder] heeft de juistheid van de door [verzoeker] berekende transitievergoeding niet weersproken. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat dit een bruto bedrag betreft.
De billijke vergoeding
[verzoeker] verzoekt om een billijke vergoeding toe te kennen van € 39.347,05. Ter zitting heeft [verzoeker] kenbaar gemaakt dat hij met ingang van 10 maart 2025 een nieuwe baan heeft en dat de billijke vergoeding in ieder geval het salaris vanaf 10 december 2024 tot en met 10 maart 2025 moet bedragen. Dit komt volgens [verzoeker] afgerond neer op € 7.500,00 bruto, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. [verzoeker] meent dat daarnaast nog rekening moet worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid. De billijke vergoeding moet volgens [verzoeker] worden verhoogd met een bepaald bedrag, waardoor de billijke vergoeding ook een punitief karakter krijgt.
Omdat de opzegging in strijd met artikel 7:671 lid 1 BW heeft plaatsgevonden, kan [verzoeker] op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW in beginsel aanspraak maken op een billijke vergoeding. In de schending van de opzeggingsregels ligt reeds de ernstige verwijtbaarheid van het handelen van [verweerder] besloten.
Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. De Hoge Raad heeft in de New Hairstyle beschikking (niet-limitatieve) gezichtspunten geformuleerd voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. Als uitgangspunt geldt dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Bij de begroting van de billijke vergoeding moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Tot die omstandigheden behoort onder meer de mate waarin de werkgever van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging een verwijt valt te maken. Bij de vaststelling van de billijke vergoeding kan ook ermee rekening worden gehouden of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en met de inkomsten die hij daaruit dan geniet, en met de (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. Bij de vaststelling van de billijke vergoeding dient voorts de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding en vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging te worden betrokken. In het hiervoor genoemde arrest is geoordeeld dat de billijke vergoeding geen punitief doel heeft.
De kantonrechter neemt bij de beoordeling van de hoogte van de billijke vergoeding in aanmerking dat [verzoeker] per 10 maart 2025 een nieuwe baan heeft gevonden waarmee hij inkomen genereert. Daardoor heeft [verzoeker] als gevolg van het ontslag in feite circa drie maanden geen inkomsten gehad. Deze inkomensschade zal dan ook als uitgangspunt worden genomen. Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding zal de kantonrechter eveneens rekening houden met het feit dat [verzoeker] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van een maandsalaris ontvangt. Daarmee resteren nog twee maanden waarin [verzoeker] inkomen uit arbeid is misgelopen. De kantonrechter neemt eveneens in aanmerking dat [verzoeker] (ook) een verwijt kan worden gemaakt van de omstandigheid die tot de opzegging heeft geleid, namelijk het conflict op 10 december 2024. [verzoeker] heeft hier immers ook zijn aandeel in gehad. Dit verwijt is weliswaar niet dusdanig ernstig dat sprake is van een dringende reden, maar de kantonrechter zal daarmee wel rekening houden bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt de kantonrechter tot de slotsom dat een billijke vergoeding ter hoogte van € 5.000,00 bruto recht doet aan de situatie en dat [verzoeker] hiermee in voldoende mate gecompenseerd wordt. Dit bedrag zal dus worden toegewezen.
Betalingstermijn
De kantonrechter zal [verweerder] , zoals verzocht, veroordelen om voornoemde toewijsbare bedragen te betalen binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking. [verweerder] heeft daartegen namelijk geen verweer gevoerd en de kantonrechter acht dit een redelijke termijn voor nakoming.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 768,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
In het (deels voorwaardelijk) tegenverzoek
De verzochte gefixeerde schadevergoeding
De kantonrechter constateert dat [verweerder] de door haar verzochte gefixeerde schadevergoeding geheel voorwaardelijk heeft geformuleerd, namelijk voor zover [verzoeker] alsnog om vernietiging van het ontslag op staande voet verzoekt. Nu deze voorwaarde niet is vervuld komt de kantonrechter in beginsel niet toe aan de beoordeling van dit tegenverzoek. Ter zitting heeft [verweerder] echter kenbaar gemaakt dat zij meent dat ook in de gegeven omstandigheden, waarin [verzoeker] berust in het ontslag op staande voet, op de door haar verzochte gefixeerde schadevergoeding moet worden beslist. Voor zover dit al juist zou zijn, geldt dat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. Dit heeft tot gevolg dat het door [verweerder] verzochte bedrag van € 2.428,83 bruto aan gefixeerde schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt.
De overige voorwaardelijke tegenverzoeken
Nu [verzoeker] niet om vernietiging van het ontslag op staande voet verzoekt, hoeft op de overige voorwaardelijke tegenverzoeken niet te worden beslist.
Smart-tv
[verweerder] verzoekt tot slot om teruggave van de smart-tv binnen twee dagen na betekening van deze beschikking, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag. Op grond van artikel 7:686a lid 3 BW kan [verweerder] een dergelijke vordering bij haar (deels voorwaardelijk) tegenverzoek instellen. [verweerder] stelt dat [verzoeker] de smart-tv op 23 juli 2024 uit het hotel heeft meegenomen, nadat deze te groot bleek te zijn voor de hotelkamer waarvoor deze bestemd was. Naar de kantonrechter begrijpt stelt [verweerder] dat sprake is van bruikleen en dat [verzoeker] de smart-tv moet teruggeven. [verzoeker] betwist dit en meent dat [verweerder] de smart-tv in september 2023 aan hem heeft geschonken.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ligt het op de weg van [verweerder] om feiten en/of omstandigheden te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat tussen partijen een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen. [verweerder] roept immers de rechtgevolgen daarvan in. Anders dan [verweerder] betoogt, ligt het dus niet op de weg van [verzoeker] om het bestaan van een overeenkomst van schenking te stellen en/of te bewijzen.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] , gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoeker] , onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat ten aanzien van de smart-tv tussen partijen een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen. Niet gesteld of gebleken is immers dat partijen destijds hebben afgesproken dat [verzoeker] de smart-tv mocht meenemen onder de voorwaarde dat [verzoeker] deze op enig moment zou moeten teruggeven aan [verweerder] . Derhalve is niet gebleken dat sprake is van een bruikleenovereenkomst. Het verzoek tot teruggave van de smart-tv wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
[verweerder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt echter vast dat de werkzaamheden van de gemachtigde van [verzoeker] voor wat betreft het tegenverzoek beperkt zijn gebleven, waardoor de kantonrechter de proceskosten begroot op nihil.
6. De beslissing
De kantonrechter
In het verzoek
veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 5.000,00 bruto;
veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.754,16 bruto, onder verstrekking van een salarisspecificatie als bedoeld in artikel 7:626 BW;
veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoeker] een vergoeding als bedoeld in artikel 7:672 BW gelijk aan een maandsalaris te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 768,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af;
In het (deels voorwaardelijk) tegenverzoek
verstaat dat de voorwaarde voor de voorwaardelijke tegenverzoeken niet zijn vervuld en dat deze niet behoeven te worden behandeld;
wijst de overige verzoeken van [verweerder] af;
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, welke kosten worden begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Haisma en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025.
59522