RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer / rekestnummer: 11602234 \ AR VERZ 25-27
Beschikking van 30 mei 2025
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M. Helmantel,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. drs. L.R.C. Bos.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie op 18 maart 2025;
- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 april 2025;
- de producties van [verweerder] , ingekomen ter griffie op 30 april 2025;
- de mondelinge behandeling van 2 mei 2025, waar [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. M. Helmantel. Daarnaast is namens [verweerder] verschenen de heer [directeur] (hierna: [directeur] , directeur) en mevrouw [administratief medewerker] (administratief medewerker). De onderhavige zaak is gelijktijdig met de zaak bekend onder zaaknummer 11674928 AR VERZ 25-42 behandeld. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1977, is vanaf 8 oktober 2018 op basis van een uitzendovereenkomst met [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] uitgeleend aan [verweerder] .
Op 1 januari 2020 is [verzoeker] in dienst getreden bij [verweerder] . [verzoeker] was werkzaam als isolatiemedewerker. Zijn laatstverdiende salaris bedroeg € 3.599,00 bruto per maand op basis van een werkweek van 40 uur.
Op 7 september 2022 is [verzoeker] arbeidsongeschikt geraakt.
[verzoeker] heeft op 13 december 2022 een melding gemaakt van een arbeidsongeval bij de Nederlandse Arbeidsinspectie.
In een brief van 20 december 2022 heeft [verzoeker] [verweerder] aansprakelijk gesteld, omdat hij meent dat hij gezondheidsproblemen heeft gekregen als gevolg van één of meer schadelijke factoren en invloeden van de werkzaamheden bij [verweerder] .
Sinds 2023 maakt [verweerder] samen met een aantal andere bedrijven onderdeel uit van het samenwerkingsverband [samenwerkingsverband] .
Tijdens zijn dienstverband heeft [verzoeker] meermaals negatieve reviews over [verweerder] online geplaatst.
In de Rapportage Arbeidsdeskundig Onderzoek van 27 oktober 2023 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat de functie van isolatiemedewerker voor 40 uur per week, gelet op de belastbaarheid van [verzoeker] , op dit moment niet passend is. Bovendien is de eigen functie volgens de arbeidsdeskundige ook niet passend te maken en is er geen ander passend werk beschikbaar binnen [verweerder] . Wel heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat [verzoeker] wellicht re-integratiemogelijkheden heeft bij een andere werkgever. De arbeidsdeskundige adviseert om de focus te leggen op een tweede spoor re-integratietraject, aangezien terugkeer bij de huidige werkgever niet mogelijk is vanwege een medische oorzaak en een verstoorde arbeidsverhouding. Verder staat in het rapport:
“Visie werknemer op de situatie, knelpunten en oplossingen
(…) Daarnaast is terugkeer naar huidige werkgever geen optie voor hem, omdat hij van mening is dat de veiligheid en gezondheid van medewerkers hier niet in acht worden genomen.”
Op 31 oktober 2023 is het tweede spoortraject ingezet.
In een brief van 4 december 2023 heeft [verweerder] een loonsanctie aan [verzoeker] opgelegd. De reden hiervoor was dat [verzoeker] volgens [verweerder] twee keer niet op een afspraak bij de bedrijfsarts is verschenen en niet voldoende meewerkt aan een medische interventie en het opstarten van het tweede spoortraject.
[verweerder] heeft in een e-mail van 29 februari 2024 aan [verzoeker] medegedeeld dat zij (nogmaals) een loonsanctie zal opleggen, vanwege het niet in contact blijven met [verweerder] en het niet reageren op een uitnodiging.
Op 12 september 2024 is het tweede spoortraject beëindigd. [verzoeker] heeft geen ander werk buiten de organisatie van [verweerder] gevonden.
Op 19 september 2024 heeft [verweerder] het UWV verzocht om toestemming om de arbeidsverhouding met [verzoeker] op te zeggen vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. [verzoeker] was op dat moment langer dan twee jaar arbeidsongeschikt. [verzoeker] heeft in deze UWV-procedure verweer gevoerd.
De bedrijfsarts heeft in de Verklaring 26e week ontslagtoets verklaard dat het niet te verwachten is dat [verzoeker] weer geschikt wordt voor de bedongen arbeid binnen zes maanden, ook niet in aangepaste vorm.
Bij beslissing van 21 november 2024 heeft het UWV toestemming aan [verweerder] verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen.
[verweerder] heeft in een e-mail van 18 december 2024 gebruik gemaakt van de verleende toestemming en de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] met ingang van 19 januari 2025 opgezegd.
Bij beslissing van 7 januari 2025 heeft het UWV medegedeeld dat [verzoeker] geen aanspraak kan maken op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In het bijbehorende arbeidsdeskundig rapport van diezelfde datum staat dat [verzoeker] niet geschikt is voor de maatgevende arbeid (isolatiemedewerker voor 40 uur per week). Wel acht de arbeidsdeskundige [verzoeker] geschikt als assemblagemedewerker elektronische producten, productiemedewerker industrie en elektronisch medewerker. [verzoeker] is tegen deze beslissing van het UWV in bezwaar gegaan.
In een e-mail van 5 maart 2025 heeft de directeur van [bedrijf 2] [verweerder] geïnformeerd dat [verzoeker] een klacht bij haar heeft ingediend. Volgens [verzoeker] zou [verweerder] regels overtreden op het gebied van gezondheid, polyurethaan en de verwerking daarvan.
3. Het verzoek en het verweer
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat het dienstverband tussen [verzoeker] en [verweerder] dient te worden hersteld of dat aan [verzoeker] een billijke vergoeding dient te worden betaald;
II. te bepalen dat [verweerder] aan [verzoeker] dient te betalen een transitievergoeding, berekend vanaf 18 oktober 2018 tot aan datum einde dienstverband, zijnde 19 maart 2025;
III. [verweerder] te veroordelen tot betaling van het salaris aan [verzoeker] tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige salaris en de wettelijke rente tot aan de dag van algehele betaling (de verhoging en wettelijke rente betreffende in ieder geval het achterstallige salaris);
IV. [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties te verstrekken, inclusief de eindafrekening;
V. [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker] de buitengerechtelijke incassokosten te betalen;
VI. [verweerder] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee dagen na dagtekening van deze beschikking en de nakosten.
[verweerder] voert verweer en stelt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek, althans dat zijn verzoek moet worden afgewezen.
4. De beoordeling
Verzoek tijdig ingediend
De kantonrechter begrijpt de verzoeken van [verzoeker] zo, dat hij primair verzoekt om herstel van het dienstverband en subsidiair om toekenning van een billijke vergoeding.
De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] het verzoek tot herstel van het dienstverband en het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding tijdig heeft ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 4 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Ook het verzoek tot betaling van de transitievergoeding is binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend (artikel 7:686a lid 4 sub b BW).
Producties verweerschrift
[verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen de indiening van de producties bij het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 30 april 2025. Ter zitting heeft de kantonrechter beslist dat deze producties, ondanks dat deze te laat zijn ingediend, aan het procesdossier zullen worden toegevoegd. Het gaat namelijk om producties die bekend hadden kunnen zijn bij [verzoeker] . Bovendien is [verzoeker] met de overlegging van de producties niet in zijn processuele belangen geschaad, doordat hij ter zitting de mogelijkheid heeft gekregen daarop te reageren. Daarnaast is aan [verzoeker] medegedeeld dat als naar aanleiding van de producties punten naar voren komen die door [verzoeker] nader moeten worden onderzocht, de kantonrechter hem daartoe de gelegenheid zal geven.
Primair: herstel van het dienstverband
Het gaat in deze zaak voor wat betreft het primaire verzoek van [verzoeker] om de vraag of het dienstverband tussen partijen hersteld moet worden.
[verzoeker] heeft op de zitting verklaard dat hij, gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen, terugkeer naar [verweerder] niet langer mogelijk acht. Desondanks heeft [verzoeker] aangegeven het verzoek tot herstel van het dienstverband te willen handhaven, in verband met de eventuele mogelijkheid van een hoger beroep. Gelet op de hiervoor genoemde mededeling van [verzoeker] is het de vraag of herstel van het dienstverband in zijn belang is en nog tot de mogelijkheden behoort. Los daarvan geldt dat dit verzoek naar het oordeel van de kantonrechter ook op inhoudelijke gronden niet kan worden toegewezen. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
Juridisch kader
Op grond van artikel 7:682 lid 1 sub a BW kan de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met toestemming als bedoeld in artikel 7:671a BW (van het UWV) de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen als de opzegging in strijd is met artikel 7:669 lid 1 of 3 onderdeel b BW. Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden opgezegd indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Artikel 7:669 lid 3 sub b BW omschrijft dat onder een redelijke grond wordt verstaan: “ziekte of gebreken van de werknemer waardoor hij niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten, mits de periode, bedoeld in artikel 670, leden 1 en 11, is verstreken en aannemelijk is dat binnen 26 weken, (…), geen herstel zal optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden verricht”. Deze ontslaggrond wordt ook wel aangeduid als langdurige arbeidsongeschiktheid (de zogenoemde b-grond).
[verweerder] heeft het UWV verzocht om toestemming om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen op grond van deze b-grond. Het UWV heeft die toestemming in haar beslissing van 21 november 2024 verleend, waarna [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] met ingang van 19 januari 2025 heeft opgezegd. Nu [verzoeker] verzoekt om herstel van het dienstverband moet de kantonrechter beoordelen of de ontslagvergunning terecht is verleend. De kantonrechter kan daarbij niet volstaan met een beoordeling of het UWV tot een juist oordeel is gekomen, maar zal volledig moeten toetsen of sprake is van een redelijke grond voor ontslag en of aan de herplaatsingsverplichting is voldaan. Het is daarbij aan [verweerder] om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat sprake is van een voldragen b-grond.
Gelet op het bepaalde in artikel 7:669 lid 1 en 3 BW moet [verweerder] aantonen dat:
[verzoeker] door ziekte of gebreken niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten;
de wachttijd van 104 weken is verstreken;
aannemelijk is dat [verzoeker] binnen 26 weken niet kan herstellen voor het verrichten van de bedongen arbeid;
aannemelijk is dat [verzoeker] binnen 26 weken niet de bedongen arbeid in aanpaste vorm kan verrichten;
zij aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan en [verzoeker] binnen een redelijke termijn niet kan worden herplaatst in een andere passende functie, ook niet met behulp van scholing.
Bedongen arbeid en wachttijd
[verzoeker] heeft niet betwist dat hij als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid niet in staat is om de bedongen arbeid als isolatiemedewerker te verrichten. Dit is dan ook niet in geschil. Verder staat niet ter discussie dat de wachttijd van 104 weken is verstreken.
Bedongen arbeid in aangepaste vorm
De vraag die vervolgens voorligt, is of [verzoeker] binnen 26 weken de bedongen arbeid in aangepaste vorm kan verrichten. De Uitvoeringsregels Langdurige Arbeidsongeschiktheid van het UWV van april 2023 bepalen hierover: “Bij de bedongen arbeid in aangepaste vorm kan gedacht worden aan aanpassingen van de eigen functie ten aanzien van bijvoorbeeld het aantal uren, werkrooster of (belasting in) taken. Als het gaat om de taken kan gedacht worden aan de situatie dat de werknemer nog slechts drie van de vijf taken van zijn eigen functie kan uitvoeren. Uiteraard moet bij deze situatie worden meegewogen in hoeverre dit van werkgever kan worden gevergd. Ook aanpassingen op de werkplek of van de arbeidsomstandigheden kunnen aan de orde zijn. (…).”
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] voldoende aangetoond dat [verzoeker] de bedongen arbeid niet binnen 26 weken in aangepaste vorm kan verrichten. [verweerder] heeft in dit kader in de eerste plaats verwezen naar de Verklaring 26e week ontslagtoets van 23 oktober 2024, waarin de bedrijfsarts aangeeft dat het niet te verwachten is dat [verzoeker] binnen zes maanden weer geschikt wordt voor de bedongen arbeid, ook niet in aangepaste vorm. Verder heeft [verweerder] verwezen naar de Rapportage Arbeidsdeskundig Onderzoek van 27 oktober 2023, waarin de arbeidsdeskundige heeft geoordeeld dat de eigen functie van [verzoeker] niet passend kan worden gemaakt, omdat “het een fysiek zware functie blijft in een lawaaierige omgeving, waardoor overschrijdingen van de belastbaarheid optreden ten aanzien van dynamische handelingen, statische houdingen en fysische omgevingseisen”. [verzoeker] heeft (destijds) niet geprotesteerd tegen deze verklaringen.
Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [verzoeker] ook tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid niet meer in staat is om fysieke werkzaamheden te verrichten, wat in zijn eigen functie als isolatiemedewerker onvermijdelijk is. [verzoeker] heeft weliswaar aangevoerd dat hij geschikt is voor ander werk, bijvoorbeeld assemblagemedewerker elektronische productie, productiemedewerker industrie, elektronisch medewerker en dat hij advies-, verkoop- of verduurzamingswerkzaamheden zou kunnen verrichten, maar deze werkzaamheden zien op andere functies en niet op aanpassingen van zijn eigen functie. Voor zover [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat zijn eigen werk passend gemaakt kan worden, gaat de kantonrechter daaraan dan ook voorbij.
Herplaatsingsverplichting
Voorts moet worden beoordeeld of [verweerder] aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan.
Zoals hiervoor overwogen geldt volgens artikel 7:669 lid 1 BW dat voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, naast het bestaan van een redelijke grond, vereist is dat “herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt.” Op grond van artikel 9 lid 1 van de Ontslagregeling worden, bij de beoordeling of binnen de onderneming van de werkgever een passende functie beschikbaar is voor een werknemer, arbeidsplaatsen betrokken waarvoor een vacature bestaat of binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 10 lid 1 van de Ontslagregeling een vacature zal ontstaan.
Wanneer de onderneming van de werkgever deel uitmaakt van een groep, worden bij de beoordeling of een passende functie beschikbaar is mede arbeidsplaatsen in andere tot deze groep behorende ondernemingen betrokken, aldus artikel 9 lid 2 van de Ontslagregeling. Bij de beantwoording van de vraag of herplaatsing niet in de rede ligt, gaat het niet enkel om omstandigheden die niet-herplaatsing vanzelfsprekend doen zijn, maar kunnen ook redelijkheidsargumenten een rol kunnen spelen. Daarmee wordt de werkgever een zekere beoordelingsruimte gelaten.
[verweerder] meent dat zij aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan. Aanvankelijk werd daartoe gesteld dat [verzoeker] is aangewezen op fysiek licht zittend werk in een rustige en prikkelarme omgeving, zonder onderbrekingen, deadlines en hoog handelingstempo en dat dergelijk werk binnen [verweerder] of de groep [samenwerkingsverband] niet voorhanden is. Ter zitting heeft [verweerder] uitgelegd dat er wellicht ander passend werk voor [verzoeker] voorhanden was, maar dat deze mogelijkheid niet is onderzocht vanwege de tussen partijen bestaande verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter begrijpt deze stelling van [verweerder] zo dat zij stelt dat herplaatsing om die reden niet in rede ligt. [verzoeker] betwist dat herplaatsing niet tot de mogelijkheden behoort. Hij meent dat herplaatsing binnen [verweerder] of [samenwerkingsverband] wel degelijk mogelijk is, maar dat dit ten onrechte nooit is onderzocht.
Hoewel [verweerder] ter zitting heeft aangegeven dat er mogelijk wel ander passend werk binnen haar organisatie of binnen [samenwerkingsverband] voor [verzoeker] was, is de kantonrechter van oordeel dat hoe dan ook voldoende aannemelijk is geworden dat herplaatsing van [verzoeker] geen reële optie (meer) is. In deze procedure is namelijk genoegzaam vast komen te staan dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen. Daaraan ligt in de eerste plaats ten grondslag dat [verzoeker] zich (al dan niet onder een andere naam) meermaals op zeer negatieve wijze online heeft uitgelaten over zijn werkgever. Zo heeft [verzoeker] op 12 oktober 2023 de volgende review geplaatst:“Direkteur en kader zijn meedogeloos .lichten oudere mensen op vertellen oudjes spouw vervuiling moet leeg gehaald worden terwijl het schoonleeg is .vervolgens word er een showtje gemaakt en dikke rekeningen gestuurd zogenaamd materiaal wordt toegepast en ondertussen word er een zelfgemaakt goedje in de muren gespoten en ga zo maar door ranziger bedrijf s dit ken ik niet , Direkteur heb ik nu aansprakclijk gesteld voor fraude on oplichting .meede planners van dit bedrijf geven opdracht aan uitvoerende niet gecertificeerd personeel showtjes te maken op spouwmuren dus zogenaamd de muur vullen en niks inspuiten,geen woorden voor deze Direkteur on handlangers.” Ook heeft [verzoeker] het volgende bericht op Googlereviews geplaatst: “(…) jullie zijn een stelletje oplichters met elkaar .binnenkort op rtlnieuws het volledig verhaal van de praktijken van [verweerder] en [bedrijf 3] en het zogenaamde certificaten buro [bedrijf 2] jullie zijn een corrupte bende met elkaar! FEITEN EN BEWIJZEN [naam] ALLES IS ROND!” De hiervoor genoemde citaten zijn nog maar een greep uit de berichten die [verzoeker] online heeft geplaatst en getuigen naar het oordeel van de kantonrechter van diepgewortelde onvrede over de organisatie, wantrouwen en woede. Hoewel [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij deze berichten uit emotie heeft geplaatst en desgevraagd heeft verwijderd, had [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter moeten begrijpen dat hij daarmee het vertrouwen van [verweerder] en de gehele organisatie in ernstige mate zou schaden.
Voorts heeft [directeur] ter zitting toegelicht dat [verzoeker] zich gedurende zijn arbeidsongeschiktheid herhaaldelijk in de nabijheid van de woning van [directeur] heeft opgehouden. [directeur] kwalificeert dit gedrag als stalking en heeft kenbaar gemaakt dat hij zich daardoor erg onveilig heeft gevoeld. [verzoeker] heeft weliswaar betwist dat hij bij [directeur] thuis langs is geweest, maar hij erkent dat hij wel eens bij [directeur] door de straat is gereden. De kantonrechter oordeelt dat [verzoeker] had moeten beseffen dat dergelijke acties de inmiddels ontstane verstoring van de arbeidsrelatie alleen maar zouden verergeren.
Verder geldt dat [verzoeker] zich op het standpunt stelt dat hij gezondheidsklachten heeft gekregen door de werkzaamheden die hij bij [verweerder] verrichtte. [verzoeker] heeft in dit verband een melding gemaakt van een arbeidsongeval bij de Nederlandse Arbeidsinspectie en [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de door hem gestelde beroepsziekte. Uit de brief van 26 oktober 2023 maakt de kantonrechter op dat de Nederlandse Inspectie naar aanleiding van de melding van [verzoeker] geen verder onderzoek heeft ingesteld. Recentelijk heeft [verzoeker] ook [bedrijf 2] benaderd met klachten over [verweerder] . [verzoeker] heeft [verweerder] daarbij beschuldigd van het overtreden van regels op het gebied van gezondheid, polyurethaan en de verwerking daarvan. Het staat [verzoeker] uiteraard vrij om dergelijke (juridische) stappen te ondernemen, maar de kantonrechter begrijpt dat de verhoudingen daarmee (nog) meer op scherp zijn komen te staan. De kantonrechter constateert dat [verweerder] nog heeft getracht een mediationtraject te starten, maar dat als onbetwist vaststaat dat [verzoeker] daar niet (voldoende) aan heeft meegewerkt.
Gelet op al deze omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat de arbeidsverhouding tussen [verweerder] en [verzoeker] zodanig verstoord is geraakt dat herplaatsing in een andere functie binnen [verweerder] niet meer in de rede ligt, hetgeen [verzoeker] ook niet heeft betwist. De kantonrechter acht ook herplaatsing binnen [samenwerkingsverband] geen haalbare kaart (meer). [verweerder] heeft ter zitting toegelicht dat de bedrijven binnen deze groep allemaal soortgelijke bedrijven zijn die soortgelijke werkzaamheden verrichten, namelijk isolatiewerkzaamheden of het plaatsen van zonnepanelen. Niet valt in te zien hoe [verzoeker] , die zijn werkgever publiekelijk uitmaakt voor “oplichter”, haar bedrijfsvoering neerzet als “ranzig” en “corrupt” en openlijk stelt dat zijn werk als isolatiemedewerker zijn gezondheid heeft geschaad, bij een ander bedrijf binnen [samenwerkingsverband] zou kunnen functioneren, zeker niet in een commerciële functie als verkoper of adviseur, zoals [verzoeker] wenst, waarin hij producten en diensten moet promoten die hij openlijk heeft bekritiseerd.
Daarmee heeft [verweerder] in overeenstemming met de in artikel 7:669 lid 1 BW neergelegde herplaatsingsverplichting gehandeld.
Conclusie
De conclusie van het bovenstaande is dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet in strijd is met het bepaalde in artikel 7:669 lid 1 en 3 sub b BW. Het verzoek van [verzoeker] tot herstel van het dienstverband zal daarom worden afgewezen.
Subsidiair: billijke vergoeding
[verzoeker] verzoekt subsidiair om toekenning van een billijke vergoeding. Voor toewijzing van dit verzoek moet volgens artikel 7:682 lid 1 sub c BW sprake zijn van een opzegging die het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid (WWZ) blijkt dat voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever op grond waarvan de werknemer aanspraak kan maken op een billijke vergoeding een hoge drempel geldt. Daarvoor is alleen aanleiding in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werkgever als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. De parlementaire geschiedenis noemt onder andere het voorbeeld dat een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde verhouding ontstaat. Te denken is daarbij aan een situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd. Ook noemt de parlementaire geschiedenis de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden. Voor het toekennen van een billijke vergoeding gebaseerd op artikel 7:682 lid 1 sub c BW is een oorzakelijk verband tussen de arbeidsongeschiktheid en het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever niet noodzakelijk. De billijke vergoeding kan worden toegekend als de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
[verzoeker] baseert zijn stelling dat hij aanspraak kan maken op een billijke vergoeding op de volgende grondslagen:
[verweerder] heeft niet voldaan aan haar herplaatsingsverplichting;
[verweerder] heeft onvoldoende gedaan in het kader van re-integratie.
[verweerder] betwist, kort gezegd, dat [verzoeker] aanspraak kan maken op een billijke vergoeding. Zij voert aan dat uit de Rapportage Arbeidsdeskundig Onderzoek blijkt dat [verzoeker] niet terug kon naar zijn eigen werk, dat het eigen werk niet passend was te maken en dat er ook geen ander passend werk voorhanden was. Ook miskent [verzoeker] volgens [verweerder] dat de herplaatsingsinspanningen verweven zijn met het tweede spoortraject en dat uit de rapportages behorende bij dit traject blijkt dat er alles aan is gedaan om [verzoeker] te geleiden naar ander werk buiten de organisatie. Van ernstig verwijtbaar handelen is geen sprake, aldus [verweerder] . Volgens [verweerder] heeft zij aan haar re-integratieverplichtingen voldaan en heeft het UWV dit ook bevestigd. Tot slot voert [verweerder] aan dat [verzoeker] ten onrechte de hoogte van de billijke vergoeding niet heeft onderbouwd.
Herplaatsingsverplichting
In het voorgaande heeft de kantonrechter geoordeeld dat herplaatsing, gelet op de verstoorde arbeidsverhouding, niet in de rede ligt en dat [verweerder] in overeenstemming met de in artikel 7:669 lid 1 BW neergelegde herplaatsingsverplichting heeft gehandeld. In zoverre is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerder] dan ook geen sprake.
Re-integratieverplichtingen
De kantonrechter stelt voorop dat zij zelfstandig beoordeelt of [verweerder] haar re-integratieverplichtingen voldoende is nagekomen. De kantonrechter is daarbij niet gebonden aan het oordeel van het UWV hierover. Uiteraard kan dat oordeel wel betrokken worden bij de beslissing van de kantonrechter.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd dat [verweerder] haar re-integratieverplichtingen (ernstig) heeft veronachtzaamd. [verzoeker] heeft in dit kader ter zitting aangevoerd dat [verweerder] te weinig empathie heeft getoond, onvoldoende met hem heeft meegeleefd, hem aan zijn lot heeft overgelaten en druk op hem heeft gelegd. [verzoeker] heeft echter nagelaten om deze stellingen te onderbouwen. Bovendien betreffen deze verwijten voornamelijk de wijze waarop [verweerder] [verzoeker] persoonlijk heeft bejegend tijdens zijn ziekte, althans hoe [verzoeker] dit heeft ervaren, en niet zozeer de naleving van de (wettelijke) re-integratieverplichtingen. De kantonrechter overweegt dat [verweerder] daartegenover gemotiveerd uiteen heeft gezet welke re-integratiewerkzaamheden zij heeft verricht. Zo heeft zij de bedrijfsarts en een arbeidsdeskundige ingeschakeld. Uit de in het geding ingebrachte stukken blijkt dat steeds als een bepaalde aanpak werd geadviseerd dat advies is opgevolgd, bijvoorbeeld voor wat betreft de inzet op het tweede spoortraject. In zoverre valt [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter geen verwijt te maken met betrekking tot het correct nakomen van haar re-integratieverplichtingen, laat staan dat dit ernstig verwijtbaar is te noemen. Dit is in lijn met het oordeel van het UWV, die de re-integratie inspanningen van [verweerder] eveneens voldoende heeft geoordeeld.
Voor zover [verzoeker] heeft willen betogen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door meerdere loonsancties op te leggen gaat de kantonrechter ook daaraan voorbij. Uit de door [verweerder] overgelegde brieven blijkt dat zij loonsancties aan [verzoeker] heeft opgelegd, omdat hij meerdere keren niet op de afspraak met de bedrijfsarts is verschenen (een zogenaamde “no-show”), niet voldoende heeft meegewerkt aan een medische interventie en het opstarten van het tweede spoortraject, niet voldoende in contact is gebleven met [verweerder] en niet heeft gereageerd op een uitnodiging. [verzoeker] heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat de gestelde “no-shows” niet kloppen, maar hij heeft nagelaten om dit te onderbouwen. De kantonrechter stelt verder vast dat [verzoeker] voor het overige niet (voldoende) heeft betwist dat hij zich niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft gehouden. Ook geldt dat [verweerder] [verzoeker] heeft gewaarschuwd alvorens zij is overgegaan tot het opleggen van loonsancties. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat de loonsancties terecht zijn opgelegd.
Los van het voorgaande geldt dat [verzoeker] evenmin heeft onderbouwd dat sprake is van een causaal verband tussen het gestelde ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerder] en (het bestaan van) de opzeggingsgrond. [verzoeker] kan niet volstaan met de stelling dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten (bijvoorbeeld het niet naleven van de re-integratieverplichtingen), maar hij moet ook stellen en zo nodig bewijzen dat bij wél deugdelijk naleven van de re-integratieverplichtingen, de arbeidsongeschiktheid niet twee jaar onafgebroken zou hebben voortgeduurd. In dat geval had namelijk niet opgezegd kunnen worden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub b BW. Nu [verzoeker] daartoe niets heeft gesteld, is ook om die reden niet voldaan aan de eisen die artikel 7:682 lid 1 sub c BW stelt.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding zal worden afgewezen
Transitievergoeding
Niet meer ter discussie staat dat [verweerder] de verschuldigde transitievergoeding (en meer) aan [verzoeker] heeft betaald. Het verzoek tot betaling van de transitievergoeding zal dan ook worden afgewezen.
Achterstallig salaris
Ook heeft [verzoeker] niet langer betwist dat [verweerder] het volledige salaris tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst aan hem heeft voldaan. [verzoeker] heeft niet onderbouwd dat dit niet tijdig zou zijn gedaan. Het verzoek tot betaling van het achterstallig salaris, vakantietoeslag, de wettelijke verhoging en wettelijke rente zal daarom eveneens worden afgewezen.
Deugdelijke netto/bruto specificaties
[verweerder] heeft in de procedure bekend onder zaaknummer 11674928 AR VERZ 25-42 pro-forma netto/bruto specificaties overgelegd. De kantonrechter zal [verweerder] veroordelen om deze definitief te maken en aan [verzoeker] te verstrekken.
Buitengerechtelijke incassokosten
Niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten is dan ook niet toewijsbaar.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 678,00 (€ 543,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] definitieve schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties te verstrekken, inclusief de eindafrekening;
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Haisma en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2025.
59522