RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/25/309 R
vonnis van 12 november 2025
[verzoeker] ,
wonende te [adres]
,
Verzoeker.
Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 12 november 2025. Daarbij is verzoeker gehoord. Ook is verschenen [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener bij Kredietbank Nederland.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Hardheidsclausule
Gelet op artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet (Fw) staat de afwezigheid van de goede trouw ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg. Het schuldenpakket bestaat, zo blijkt uit het verzoek, vrijwel geheel uit relatief recente schulden. In de periode september 2024 tot en met maart 2025 heeft verzoeker geen inkomen gehad doordat het aanvragen van een uitkering bij de gemeente door allerlei omstandigheden niet lukte. Hierdoor zijn schulden ontstaan, waaronder een huurachterstand die heeft geleid tot een dreigende ontruiming. Verzoeker heeft in dit kader een beroep gedaan op de zogenaamde ‘hardheidsclausule’ als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw en dit is in het verzoekschrift en ter terechtzitting nader gemotiveerd. Verzoeker heeft zich gemeld bij de gemeente voor hulp. Inmiddels is de uitkering van verzoeker aangevraagd en toegekend. Ook is verzoeker zeer recent onder beschermingsbewind geplaatst. De rechtbank overweegt als volgt. Ondanks het ontbreken van goede trouw, kan een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wel worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen en of hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal kunnen nakomen. Hoewel de omstandigheden van verzoeker pas recent in positieve zin zijn gewijzigd, heeft de rechtbank er vertrouwen in dat verzoeker de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien, zal kunnen nakomen en de schuldsaneringsregeling succesvol zal doorlopen. Al met al concludeert de rechtbank dat toepassing van artikel 288 lid 3 Fw aan de orde is.
Verlenging
De rechtbank overweegt verder als volgt. Hoewel verzoeker een bestendige
gedragsverandering heeft laten zien, is ter zitting gebleken dat verzoeker recentelijk is
veroordeeld en dat hierbij een taakstraf is opgelegd. Deze taakstraf zal verzoeker zeer
waarschijnlijk gedurende de schuldsaneringsregeling uitvoeren en dit zal ten koste gaan van
het voldoen aan de inspanningsverplichting. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de
regeling met zes maanden te verlengen. De termijn van de schuldsaneringsregeling zal daarom, met toepassing van artikel 349a lid 1 Fw, worden bepaald op 24 maanden met ingang van 12 november 2025, zodat de regeling zal eindigen op 12 november 2027.
De rechtbank ziet geen aanleiding om - gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) - het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling ex artikel 349a Fw te vervroegen.
BESLISSING
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
- stelt de termijn van de regeling vast op 24 maanden met ingang van 12 november 2025,
zodat de regeling zal eindigen op 12 november 2027;
benoemt tot rechter-commissaris mr. S. van Gessel,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
12 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.