RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/25/310 R
vonnis van 12 november 2025
[verzoeker] ,
wonende te [adres]
,
verzoeker,
Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 12 november 2025. Daarbij is verzoeker gehoord. Ook is verschenen mw. [schuldhulpverlener] , werkzaam bij Zuidweg & Partners en mw. [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Hardheidsclausule
Gelet op artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet (Fw) staat de afwezigheid van de goede trouw ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg. Het schuldenpakket bestaat, zo blijkt uit het verzoek, voor een groot deel uit zakelijke schulden. Tot 2018 was verzoeker actief in de advertentiebranche en in de periode 2018-2019 is verzoeker zich gaan toeleggen op de verkoop en installatie van zonweringen. Uit het verzoek blijkt dat, als gevolg van onverstandige zakelijke keuzes, diverse schulden zijn ontstaan, onder meer bij de belastingdienst. Verzoeker heeft in dit kader een beroep gedaan op de zogenaamde ‘hardheidsclausule’ als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw en dit is in het verzoekschrift en ter terechtzitting nader gemotiveerd. Verzoeker heeft hulp gezocht op diverse vlakken en in april 2024 is verzoeker onder beschermingsbewind geplaatst. De beschermingsbewindvoerder heeft orde op zaken gesteld en een stabiele financiële situatie gecreëerd. Er zijn geen nieuwe schulden meer ontstaan en het bedrijf van verzoeker is beëindigd. De rechtbank overweegt als volgt. Ondanks het ontbreken van goede trouw, kan een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wel worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen en of hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal kunnen nakomen. De door verzoeker geschetste omstandigheden maken dat de rechtbank er vertrouwen in heeft dat verzoeker de verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien, zal kunnen nakomen en de schuldsaneringsregeling succesvol zal doorlopen. Al met al concludeert de rechtbank dat toepassing van artikel 288 lid 3 Fw aan de orde is.
Verlenging
De rechtbank overweegt verder als volgt. Hoewel verzoeker een bestendige
gedragsverandering heeft laten zien, neemt dit niet weg dat als gevolg van het ‘onbewust
onbekwaam ondernemen’ aanzienlijke schade is ontstaan, met name bij de belastingdienst. In
de aard van deze schulden ziet de rechtbank aanleiding om de regeling met zes maanden te
verlengen. De termijn van de schuldsaneringsregeling zal daarom, met toepassing
van artikel 349a lid 1 Fw, worden bepaald op 24 maanden met ingang van 12 november
2025, zodat de regeling zal eindigen op 12 november 2027.
De rechtbank ziet geen aanleiding om - gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) - het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling ex artikel 349a Fw te vervroegen.
BESLISSING
De rechtbank:
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijf] ,
gevestigd te [adres]
KvK-nummer [nummer ] ;
- stelt de termijn van de schuldsaneringsregeling vast op 24 maanden met ingang van 12
november 2025, zodat de regeling zal eindigen op 12 november 2027;
benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn,
en tot bewindvoerder [bewindvoerder] ,
gevestigd te [adres] ;
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
12 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.