RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
[naam] , eiser,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL 25.35460
beslissing van de enkelvoudige kamer (geheimhoudingskamer) van 28 november 2025 op het verzoek tot toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
in het beroep van
van [nationaliteit] nationaliteit,
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
Procesverloop
Op 18 februari 2022 heeft verweerder een individueel ambtsbericht uitgebracht. Eiser is een gelakte versie van het onderzoeksrapport ter beschikking gesteld.
Bij besluit van 4 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de asielvergunning van eiser ingetrokken. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Bij bericht van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank verzocht om het ongelakte onderzoeksrapport zoals dat ten grondslag heeft gelegen aan het individueel ambtsbericht van 18 februari 2022.
Bij brief van 4 november 2025 heeft verweerder het ongelakte onderzoeksrapport -met een beroep op artikel 8:29 van de Awb- aan de rechtbank doen toekomen.
Bij bericht van 13 november 2025 heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren op de mededeling inzake de beperking van de kennisneming. Op 18 november 2025 is door de gemachtigde van eiser een reactie gegeven.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kan een partij die verplicht is stukken over te leggen, weigeren aan deze verplichting gevolg te geven, dan wel de rechtbank mededelen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van de stukken. Op grond van het derde lid beslist de rechtbank of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
2. Op 4 november 2025 heeft verweerder het ongelakte onderzoeksrapport, zoals dat ten grondslag heeft gelegen aan het individueel ambtsbericht van 18 februari 2022, aan de rechtbank toegezonden. In een begeleidende brief heeft verweerder op grond van artikel 8:29 van de Awb de bestuursrechter medegedeeld dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van overgelegde stukken. De gemachtigde van eiser heeft in haar reactie van 18 november 2025 laten weten zich hiertegen te verzetten en daartoe drie argumenten aangevoerd.
3. De rechtbank heeft kennis genomen van het ongelakte onderzoeksrapport. Blijkens de aan het dossier toegevoegde brief van 18 februari 2022 zijn bepaalde passages weggelakt met het oog op bronbescherming en de bescherming van bij het onderzoek gehanteerde methoden en technieken.
4. Onderhavige beslissing ziet op de vraag of het verzoek van verweerder tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. De rechtbank zal hieronder ingaan op de vraag of de in de reactie van 18 november 2025 gegeven argumenten nopen tot het oordeel dat het verzoek niet gerechtvaardigd is.
Arrest Hof van Justitie van 22 september 2022 (C-159/21, ECLI:EU:C:2022:708) 5. De rechtbank leest in de reactie van 18 november 2025 dat eiser zich verzet tegen het verzoek omdat hij kennis moet kunnen nemen van de kern van de geheime informatie. Eiser schrijft in de gronden van beroep van 29 augustus 2025 dat aan hem middels het individueel ambtsbericht enkel kenbaar is gemaakt dat de door hem overgelegde documenten geen kopieën van echte documenten zijn. De rechtbank ziet in het thans gevoerde betoog onvoldoende gelijkenis met het in dat kader aangehaalde arrest van het Hof van Justitie in zaak C-159/21. De rechtbank leest in het door eiser in het beroepschrift genoemde rapport van het Hungarian Helsinki Committee verder dat bij de Nederlandse werkwijze sprake is van “quite a unique approach”, maar niet dat de beslissing die door verweerder is gevraagd niet kan worden toegewezen. In de door eiser aangehaalde prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond (C-431/24) ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
Verdedigingsbeginsel
6. Met betrekking tot het betoog van eiser dat het verzoek voor afwijzing in aanmerking komt omdat het recht op verdediging moet worden geëerbiedigd, en de verwijzing naar het nog in werking te treden artikel 18, tweede lid, van de Procedureverordening, overweegt de rechtbank als volgt.
Daar -zoals eiser in de reactie van 18 november 2025 ook onderkent- de Procedureverordening 2024/1348 nog niet in werking is getreden, zal de rechtbank toetsen aan artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn 2013/32/EU.
De rechtbank leest in eerdere, niet in werking getreden, versies van de Procedurerichtlijn dat destijds de insteek was om te bepalen dat bij geheimhoudings-procedures als de onderhavige de lidstaten toegang tot relevante informatie moesten verlenen aan juridische adviseurs of raadslieden die aan een veiligheidscontrole zijn onderworpen, of ten minste aan gespecialiseerde overheidsdiensten die de verzoeker krachtens het nationale recht met dit specifieke doel mogen vertegenwoordigen. In de destijds opgestelde toelichting leest de rechtbank de gedachte terug om iemand te regelen die verzoeker zou kunnen vertegenwoordigen zonder dat gevoelige of vertrouwelijke informatie wordt vrijgegeven.
Zover is het evenwel niet gekomen. Op 6 juni 2013 is bij de eerste lezing -kort samengevat- kunnen toegevoegd. Deze laatste lezing is de tekst van artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn geworden. De rechtbank leest hierin niet terug dat artikel 8:29 van de Awb niet kan worden toegepast zoals thans door verweerder wordt gevraagd.
De rechtbank leest wel, net als de gemachtigde van eiser, dat met de nieuwe Procedureverordening via artikel 18 een wijziging ophanden is. Kunnen is geschrapt. De rechtbank leest niet dat het zou betekenen dat eisers huidige gemachtigde de stukken te zien zou krijgen. Er zou bijvoorbeeld ook kunnen worden overgegaan tot het instellen van een “special advocate” of “specialised laywer”. Hoe in de praktijk zou moeten worden voorzien in een werkwijze die beantwoordt aan deze wijziging ligt op dit moment niet voor.
Conclusie
7. Dit brengt de rechtbank -na te hebben kennisgenomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken- tot de volgende beslissing.
8. Naar het oordeel van de rechtbank weegt de bescherming van de geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden- en technieken in dit geval zwaarder dan het belang van eiser bij kennisneming van de stukken. De rechtbank acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek toe.
Deze beslissing is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie
op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze tussenbeslissing kan niet eerder beroep worden ingesteld, dan tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak.