RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 6 november 2025
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/248260 / FT RK 25/1013
in de zaak van:
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen verzoeker,
tegen
[verhuurder] , vertegenwoordigd door Flanderijn, [adres] , hierna te noemen de verhuurder.
PROCESGANG
Op 17 september 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw).
Op 17 september 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 3 november 2025, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen.
Bij e-mailbericht van 23 oktober 2025 heeft de verhuurder bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.
De rechtbank heeft de zaak proforma behandeld ter zitting van 3 november 2025 en vonnis bepaald op heden.
RECHTSOVERWEGINGEN
De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw teneinde een ontruiming van de woning op 18 september 2025 te voorkomen.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
Op 31 oktober 2025 heeft de instelling die de buitengerechtelijke schuldregeling voor verzoeker uitvoert tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt dat verzoeker is voortgegaan met het stipt betalen van de huur. De huurtermijn voor de maand november is op 31 oktober 2025 voldaan. De schuldhulpverlener is gestart met het inventariseren van de schulden. De schuldeisers zijn aangeschreven en de meeste schuldeisers hebben hun vordering doorgegeven. Gezien het inkomen van verzoeker en de voorlopig berekende spaarcapaciteit ziet de schuldhulpverlener mogelijkheden om te komen tot een (gedeeltelijke) aflossing van de schulden. Zo nodig zal budgetbeheer voor verzoeker worden ingesteld.
De rechtbank heeft geen kennis kunnen nemen van het standpunt van de verhuurder, aangezien deze heeft aangegeven niet bij de behandeling aanwezig te zullen zijn en evenmin schriftelijk verweer heeft gevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat er een huurachterstand is ontstaan, maar constateert op basis van het verslag van de schuldhulpverlener dat de huur de afgelopen periode telkens tijdig en volledig is voldaan, zodat betaling van de toekomstige huur lijkt te zijn gewaarborgd.
Gelet op het belang van verzoeker om thans in relatieve rust aan de sanering van de schulden te kunnen gaan werken, acht de rechtbank de gevraagde voorziening dan ook gerechtvaardigd en zal het verzoek worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van het tussenvonnis. Ter waarborging van de belangen van de verhuurder zal de rechtbank tevens bepalen dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar de voorziening betrekking op heeft tijdig en volledig worden voldaan.
Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt thans nog niet beslist aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Indien gedurende de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoeker dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken.
BESLISSING
De rechtbank
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 21 januari 2025 op verzoek van verhuurder uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf 17 september 2025;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
- bepaalt dat genoemde voorziening vervalt als niet tijdig en volledig wordt voldaan aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft;
- bepaalt dat degene die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken vóór het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op6 november 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.