RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde]
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.226118.21
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 2 december 2025 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 6 januari 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 84.497,93 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.226118.21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 18 november 2025. Daarbij heeft de officier van justitie het gevorderde bedrag bijgesteld naar 14.766,57.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 2 december 2025 in de zaak met parketnummer 18.226118.21 veroordeeld ter zake - kort gezegd - het in vereniging plegen van diefstal van autos en auto-onderdelen. Veroordeelde is daarbij vrijgesproken van een aantal diefstallen (behorend bij aangiftes 7, 8, 12, 14 en 15).
Ten aanzien van de bewezenverklaarde diefstallen baseert de rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
Uit de bijgestelde herberekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel volgt dat er
14.766,57 euro wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn genoten door veroordeelde. Daarbij is de officier van justitie telkens uitgegaan van de bedragen die zouden zijn verdiend (of bespaard) door middel van de diefstallen, gedeeld door twee (veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] ).
De rechtbank zal in verband met de vrijspraak van veroordeelde van de diefstallen van kentekenplaten die zien op aangiftes 7, 8 en 12 het daarbij behorende voordeel aftrekken van het te ontnemen bedrag. De bedragen die verband houden met de diefstallen die zien op aangiftes 14 en 15 - waarvan veroordeelde ook is vrijgesproken - had de officier van justitie reeds buiten beschouwing gelaten bij haar berekening.
Dit levert de volgende berekening op:
14.766,57 (aangiftes 7, 8 en 12: 6,50 x 3 =) 19,50 = 14.747,70.
Zoals gezegd heeft de officier van justitie een ponds-ponds verdeling gehanteerd bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] . De rechtbank constateert dat veroordeelde heeft verklaard dat geen sprake was van een dergelijke verdeling en dat hij er weinig (hooguit in natura) tot niets aan over heeft gehouden. Dit past naar het oordeel van de rechtbank bij het beeld dat uit het dossier is ontstaan: [medeveroordeelde 1] had de leiding en bepaalde wat er met de gestolen autos en auto-onderdelen goederen gebeurde. [medeveroordeelde 1] had zelf een autobedrijf en daar is ook een aantal van de gestolen autos en auto-onderdelen aangetroffen.
Veroordeelde wordt door andere betrokkenen in het dossier ook wel omschreven als leerling en loopjongen van [medeveroordeelde 1] . Medeveroordeelde [medeveroordeelde 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij het door veroordeelde geschetste beeld onderschrijft en dat [medeveroordeelde 1] - in zijn ervaring - nooit aan medeveroordeelden heeft betaald.
Hoewel de rechtbank niet aannemelijk acht dat veroordeelde in het geheel niets heeft overgehouden aan zijn bijdrage aan de diefstallen, ziet de rechtbank in het voorgaande aanleiding het voordeel van veroordeelde te schatten op een percentage van 20%.
Dit levert de volgende berekening op: 14.747,70 x 0,20 = 2.949,40
De rechtbank stelt derhalve het totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van 2.949,40 en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 2.949,40.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
2.949,40 (zegge: tweeduizendnegenhonderdnegenenveertig euro en veertig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 39 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. H. Schuth en
mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 december 2025.