RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 november 2024 in de zaak tussen
[naam 1], uit Uithuizen, verzoekster,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4628
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland, het college,
(gemachtigde: mr. E.M. Braam en M. Fleer).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de overplaatsing van verzoekster naar de opvangvoorziening in [plaats]. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft bij brief van 9 november 2025 een gezamenlijk bezwaarschrift ingediend tegen de aankomende overplaatsing naar de opvangvoorziening in [plaats]. Verzoekster was reeds bekend dat zij per 25/26 november 2025 haar huidige opvangvoorziening moest verlaten. Het college heeft dit per brief van 14 november 2025 schriftelijk aan verzoekster bevestigd. Op 17 november 2025 heeft verzoekster het gezamenlijke bezwaarschrift aangevuld met een individueel bezwaarschrift.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen en heeft daarbij het college verzocht om in te stemmen met rechtstreeks beroep zoals bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft per mail van 19 november 2025 aan de rechtbank bevestigd in te stemmen met rechtstreeks beroep.
Het college heeft op 20 november 2025 een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 november 2025 op zitting behandeld, gezamenlijk met het verzoek van mevrouw [naam 2]. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeksters, een tolk en de gemachtigden van het college. De rechtbank behandelt het rechtstreekse beroep op een nader te bepalen moment.
Is er een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening?
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet op de aangekondigde verhuisdatum wordt daarnaast onverwijlde spoed aangenomen. De voorzieningenrechter ziet in de verwijzing van het college naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 september 2025 geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Heeft het beroep van verzoekster een redelijke kans van slagen?
4. De voorzieningenrechter kan in afwachting van een beslissing op beroep een voorlopige voorziening treffen als het beroep een redelijke kans van slagen heeft.
Mandaat voor het nemen van het besluit
5. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de brief van 14 november 2025 niet is ondertekend met een verwijzing naar het mandaatbesluit. Voor verzoekster valt daarom niet vast te stellen of het besluit bevoegd is genomen.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 3 van het Ondermandaatbesluit Het Hogeland volgt dat aan de programmamaner mandaat is verleend voor de aangelegenheden die vallen binnen zijn/haar werkgebied. Hieruit volgt de bevoegdheid van de programmamanager; dat niet expliciet is verwezen naar het mandaatbesluit doet hier niet aan af. In tegenstelling tot het college, is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat de brief van 14 november 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat de overplaatsing van verzoekster niet gericht is op een rechtsgevolg. Verzoekster heeft de Oekraïense nationaliteit en is daarmee vreemdeling in de zin van de Vw. Zij heeft tijdelijke bescherming als ontheemde en wordt daartoe opgevangen in de gemeente Het Hogeland. De opvang vindt enkel plaats in een andere opvanglocatie dan voorheen. Er is daarom geen bevoegdheid, recht of verplichting ontstaan of teniet gedaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de overplaatsing wel aan te merken als een feitelijke handeling zoals bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw, waartegen bezwaar kan worden gemaakt en waarna beroep open staat.
De overplaatsing
6. Verzoekster stelt dat zij huurbescherming geniet, ook al heeft zij geen huurcontract. Als iemand langer dan een jaar in een woning woont, is het niet zomaar mogelijk om deze personen te verplaatsen. Daarnaast stelt verzoekster dat de opvanglocatie waar zij geplaatst zal worden niet voldoet aan de daartoe te stellen eisen. Uit de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant volgt volgens verzoekster dat een opvanglocatie voor de opvang van Oekraïense ontheemden moet worden getoetst aan de eisen voor een woonfunctie, niet aan die van een logiesfunctie of van minimumnormen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) zoals het college heeft gedaan.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Met ingang van 1 juli 2024 is de zorg voor de opvang van ontheemden niet langer opgedragen aan de burgemeester, maar aan het college van burgemeester en wethouders. Uit de stukken en de mondelinge behandeling van de verzoeken volgt dat het college zich op grond van artikel 9, eerste lid, van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) bevoegd acht om verzoekster over te plaatsen naar een andere opvangvoorziening binnen de gemeente. Reden voor de overplaatsing is het aflopen van het huurcontract tussen de gemeente en woningstichting Goud Wonen van de huidige woning van verzoekster. Dit betreffen woningen die zijn opgenomen in de sloop-nieuwbouwregeling en waarvan de sloop per 1 december 2025 zal aanvangen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op grond van artikel 9 RooO bevoegd is om verzoekster over te plaatsen naar een andere opvangvoorziening in de gemeente. Verzoekster heeft immers tijdelijke bescherming als ontheemde en wordt als zodanig ook opgevangen in de gemeente Het Hogeland. De voorzieningenrechter volgt verzoekster dan ook niet het standpunt dat feitelijk sprake zou zijn van een huursituatie, zodat zij huurbescherming geniet. Nu verzoekster op grond van de RooO in haar huidige woning is geplaatst, kan zij op grond van diezelfde regeling worden overgeplaatst.
Tan aanzien van de te stellen eisen aan de opvangvoorziening in [plaats] en de vraag of deze voldoet aan de juiste normen, overweegt de voorzieningenrechter dat deze vraag zich niet voor leent voor beantwoording in een voorzieningenprocedure. Wel overweegt de voorzieningenrechter dat de opvangvoorziening in ieder geval niet op voorhand evident ontoereikend is. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de Richtlijn tijdelijk bescherming (de Richtlijn) volgt dat het moet gaan om een fatsoenlijk onderkomen. Uit artikel 5 van de RooO volgt verder dat de opvangvoorziening moet voldoen aan een toereikend huisvestingsniveau. Ter zitting heeft het college een verslag van de GGD Groningen van 1 september 2025 overgelegd waaruit volgt dat de opvanglocatie voldoet aan de normen voor gemeentelijke opvang. Ter zitting is tevens naar voren gekomen dat aan verzoekster een woonruimte van 20 m2 beschikbaar zal worden gesteld. Verzoekster meent echter recht te hebben op permanente en kleinschalige opvang met eigen voorzieningen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt een dergelijke verplichting niet uit de Richtlijn.
De individuele belangen
7. Verzoekster stelt tot slot dat onvoldoende (kenbaar) rekening is gehouden met haar individuele omstandigheden en belangen. Nu niet is gebleken dat alle belangen zijn afgewogen, is het besluit onzorgvuldig voorbereid en niet voldoende gemotiveerd.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de belangen van verzoekster en haar kinderen onvoldoende zijn meegewogen. Verzoekster noemt in dit kader dat zij een beroerte heeft gehad en veel behoefte heeft aan rust, hetgeen zij op de opvanglocatie niet zal kunnen krijgen. Ook is het volgens haar niet leefbaar om haar twee dochters van respectievelijk 12 en 17 jaar oud op een kamer te laten verblijven met hun vader. Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor de situatie van verzoekster en inziet dat de opvangvoorziening niet ideaal is, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de genoemde individuele omstandigheden. Ter zitting heeft het college toegelicht verzoekster het liefst een woning te hebben gegeven maar hier, onder andere gelet op de landelijke woningnood, niet toe in staat te zijn. De opvanglocatie in [plaats] is naar het oordeel van het college het beste alternatief, te meer nu in die beoordeling rekening is gehouden met de omstandigheden van verzoekster. Zo betreft de opvanglocatie een gezinslocatie en wordt een slaapkamer nooit gedeeld met andere huishoudens of onbekenden om zo de privacy en rust van verzoekster te waarborgen. Ook is overwogen dat, gelet op het grote aantal gezinnen met kinderen, de gezinslocatie een geschikte plek is voor de kinderen van verzoekster. Er zijn vaste oppassen beschikbaar en het college heeft aangeboden om het vervoer van de kinderen van en naar hun school voor hun rekening te nemen. De toegekende ruimte is daarnaast niet de enige beschikbare plek voor verzoekster en haar familie. Zo zijn er aparte studeer- en spreekruimtes en is het slaapvertrek bedoeld voor momenten waarop men zich wil terugtrekken of wanneer er behoefte is aan rust. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster niet nader heeft onderbouwd waarom dit gezien haar medische situatie ontoereikend is. Ook is de enkele stelling dat de kinderen van verzoekster niet op hetzelfde slaapverblijf kunnen overnachten als hun vader, onvoldoende om aan te nemen dat het college een andere belangenafweging had moeten maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op voorhand niet is gebleken dat deze belangenafweging ontoereikend zou zijn of dat onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheden van verzoekster.
Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de voorlopige conclusie dat het beroep van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, op 24 november 2025, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: