RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer / rekestnummer: 11511321 AR VERZ 25-13
Beschikking van 29 april 2025
in de zaak van
STORK NEDERLAND B.V.,
te Utrecht,
verzoekende partij,
verwerende partij in tegenverzoeken,
hierna te noemen: Stork,
gemachtigde: mr. M.C.V. Dornstedt,
tegen
[verweerder] ,
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in tegenverzoeken,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. F.M. Westra.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van Stork met producties 1 tot en met 21;
- de (aanvullende) producties 22 tot en met 26 van de zijde van Stork, binnengekomen ter griffie op 5 maart 2025;
- het verweerschrift van [verweerder] tevens zelfstandig tegenverzoek met producties 1 tot en met 31, binnengekomen ter griffie op 7 maart 2025;
- de (aanvullende) producties 32 en 33 van de zijde van [verweerder] , binnengekomen ter griffie op 13 respectievelijk 17 maart 2025;
- de mondelinge behandeling van 18 maart 2025.
De mondelinge behandeling heeft op 18 maart 2025 plaatsgevonden. Namens Stork zijn de heer [leidinggevende van verweerder] (leidinggevende van [verweerder] ) en de heer [hr-manager] (hr-manager) verschenen, bijgestaan door mr. M.C.V. Dornstedt. [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. F.M. Westra. Partijen hebben hun standpunten ter zitting nader toegelicht, door mr. Dornstedt (deels) aan de hand van ingebrachte spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
De beschikking is uiteindelijk bepaald op vandaag.
2. De feiten
Stork drijft een onderneming die zich onder meer bezighoudt met technische dienstverlening en mechanische en elektrotechnische diensten en materialen aanbiedt.
[verweerder] is vennoot, samen met zijn echtgenote, van de in 2005 opgerichte vennootschap onder firma [vennootschap onder firma] . Deze vennootschap heeft onder andere de volgende handelsnamen: [handelsnaam 1] , [handelsnaam 2] en [handelsnaam 3] .
[verweerder] is in februari 2022 benaderd voor de functie van [sales manager] bij Stork door een (externe) recruiter van Stork. In het kader van zijn sollicitatieprocedure bij Stork heeft [verweerder] minimaal vijf gesprekken gehad. Tijdens deze gesprekken zijn ook het curriculum vitae (cv) en de LinkedIn-pagina van [verweerder] besproken, alsook het zeilnetwerkevenement onder de naam ‘ [zeilnetwerkevenement] ’. In het cv van [verweerder] staat voor zover van belang:
“[bedrijfsnaam] : medebeheerder (3-2003 tot 12-2008)
(…)
Naast deze werkzaamheden waren wij eigenaar van [handelsnaam 2] en organiseerden wij activiteiten op het recreatiebedrijf zoals schoolreizen, televisieprogramma’s, auto club ontmoetingen en nog veel meer, vaak in combinatie met survival activiteiten. Dit zijn we nog tot eind 2012 blijven doen…
(…)
Nevenactiviteiten:
(…)
Adviseur [handelsnaam 1] , het bedrijf van mijn vrouw (2005-heden/medevennoot in VOF)
Mede organisator [zeilnetwerkevenement] voor de Olie, Gas en Offshore Wind sector
(…)”
[verweerder] is sinds 1 juni 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) werkzaam bij Stork in de functie van ‘ [sales manager] ’ op de vestiging te [vestigingsplaats] , voor 40 uur per week met een (laatstelijk verdiend) brutoloon van € 7.932,73 per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en (overige) emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metalelektro van toepassing.
Uit hoofde van zijn functie houdt [verweerder] zich onder meer bezig met het onderhouden van bestaande relaties van Stork en het leggen van contact met potentiële relaties voor de werving van nieuwe opdrachten voor Stork.
In artikel 6 van de arbeidsovereenkomst is voor zover van belang het volgende bepaald:
“(…)
Belangenverstrengeling waaronder conflicterende nevenfuncties en/of werkzaamheden
Medewerker vermijdt conflicterende belangen of activiteiten en voorkomt situaties die de schijn van belangenconflicten kunnen wekken en die daarmee schadelijk kunnen zijn voor de werkgever. Bijvoorbeeld conflicterende nevenwerkzaamheden en zakelijke contacten met een familielid of vriend. Bij twijfel overlegt medewerker hierover met zijn leidinggevende of HR manager.
Zo is het de medewerker zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever niet toegestaan om gedurende de duur van het dienstverband:
ten bate van zichzelf dan wel derden zakelijk zijn diensten te verlenen;
voor een andere werkgever werkzaam te zijn;
zelfstandig een bedrijf of beroep uit te oefenen of direct en/of indirect bij de bedrijfs- of beroepsuitoefening van een derde – al dan niet tegen vergoeding – betrokken te zijn;
een middellijk of onmiddellijk belang te hebben bij opdrachten, aanbestedingen of leveranties aan werkgever;
een belang te hebben bij/in een maatschappij niet behorend tot het Stork-concern, anders dan als aandeelhouder of obligatiehouder;
eigendommen en/of medewerkers van werkgever te eigen bate aan te wenden.
(…)
Anti-ronselbeding
De medewerker verbindt zich om tijdens en na einde van het dienstverband geen medewerkers van werkgever of andere ondernemingen van Stork of aan haar gelieerde vennootschappen in dienst te nemen, als zelfstandige of belanghebbende van een rechtspersoon, hen te benaderen en/of aan hen aanbiedingen te doen rechtstreeks of via derden, met het doel te bewerkstelligen dat deze medewerkers elders, buiten het Stork-concern, werkzaamheden gaan verrichten.
(…)
Boetebeding
Voor iedere overtreding van het bepaalde in artikel 6 opgenomen bedingen en/of dag dat zodanige overtreding voortduurt, verbeurt medewerker aan de werkgever een direct opeisbare boete van € 4.500,00 onverminderd het recht om volledige schadevergoeding te vorderen. Betaling van boete ontslaat de medewerker niet van de in voornoemde artikelen genoemde verplichtingen. (…)”.
[verweerder] heeft ten behoeve van zijn werkzaamheden in 2022 en 2023 de Annual Ethics training gevolgd en is bekend met de code of conduct van Stork (genaamd Fluor), die ook door [verweerder] is ondertekend.
Op 19 oktober 2022 heeft [verweerder] voor zover van belang het volgende e-mailbericht gestuurd naar zijn leidinggevende [leidinggevende van verweerder] (hierna: [leidinggevende van verweerder] ):
“(…) Ik organiseer via onze VOF [zeilnetwerkevenement] . Dat is een weekend zeilen met zakelijke contacten. De vorige editie was een groot succes.
Nu heb ik hem weer gepland op 14 april 2023 en de kosten zijn 225 euro excl. 9% btw. Vorige keer heeft mijn werkgever hem 2 x betaald en kon ik een zakelijke interessante prospect mee nemen op kosten van de zaak. De meesten doen dat en zo groeit het netwerk. (…). Ik denk dat dit zeer goed is en bijdraagt aan de versteviging van het team en dat we leuke en interessante mensen gaan ontmoeten die actief zijn in onze industrie. (…).
Kan en wil jij een akkoord geven op de deelname? En is het goed als ik dan beide heren mee vraag? (…)”.
Verder is bij de e-mail een uitnodigingskaart gevoegd waarop staat “Organisatie: [handelsnaam 2] ( [vennootschap onder firma] VOF)”.
Op 23 oktober 2022 heeft [leidinggevende van verweerder] voor zover van belang het volgende e-mailbericht teruggestuurd:
“(…)
Ondanks dat ik akkoord heb gegeven, wil ik wel een kanttekening maken (….). De reden dat ik bovenstaande deel is dat de druk logischerwijs toeneemt en “show me” actueler wordt, waardoor ik cynische opmerkingen als boottochtjes IKV-netwerken kan missen als “kiespijn” als geen aanvullende resultaten geboekt worden.
Scoren door werk op te halen is hetgeen we nodig hebben en daar heb ik vertrouwen in. (…)”.
[verweerder] heeft eenmaal in 2023 en tweemaal in 2024 het netwerkevenement [zeilnetwerkevenement] georganiseerd.
Op 14 oktober 2024 is er bij Stork de volgende zogenoemde (Engelstalige) compliance issue – het niet naleven van gedragsregels binnen de organisatie – gemeld (hierna: de melding):
Op 4 november 2024 heeft [leidinggevende van verweerder] telefonisch contact opgenomen met [verweerder] naar aanleiding van de melding. Verder heeft [verweerder] op 4 november 2024 het volgende gemaild naar (een collega binnen) Stork:
“(…)
Zoals per mail aangegeven dienen we mijn nevenactiviteiten toe te voegen aan mijn arbeidsovereenkomst. Ondanks dat bij aanname dat niet nodig was, vindt [leidinggevende van verweerder] , mijn leidinggevende het wel raadzaam om dat wel te doen.
Kun jij mij aangeven bij en met wie ik dat dien te regelen? (…)”.
Naar aanleiding van de melding hebben partijen op 14 en 21 november 2024 met elkaar gesproken. Stork heeft [verweerder] verschillende vragen voorgelegd en stukken bij hem opgevraagd, die vervolgens door [verweerder] zijn aangeleverd.
Tijdens het gesprek op 21 november 2024 heeft Stork kort gezegd aangegeven dat [verweerder] het vertrouwen van Stork ernstig heeft geschaad en dat zij om die reden het dienstverband met [verweerder] wenst te beëindigen, waarna zij [verweerder] heeft vrijgesteld van werkzaamheden.
Partijen hebben nadien tevergeefs getracht om door middel van een vaststellingsovereenkomst tot een vergelijk te komen.
Stork is ten slotte deze procedure begonnen.
3. Het (tegen)verzoek en het verweer
het verzoek van Stork
Stork verzoekt – zakelijk weergegeven – bij beschikking ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn, (primair) op grond van verwijtbaar handelen door [verweerder] ex artikel 7:669 lid 3 onder e Burgerlijk Wetboek (BW), (subsidiair) op grond van een verstoorde arbeidsverhouding ex artikel 7:669 lid 3 onder g BW, (meer subsidiair) op grond van een combinatie van voornoemde gronden ex artikel 7:669 lid 3 onder i BW, zonder enige vorm van vergoeding, veroordeling van [verweerder] tot betaling van de contractuele boete van € 9,000,00, alsmede veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
[verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van Stork.
het tegenverzoek van [verweerder]
[verweerder] verzoekt – zakelijk weergegeven – bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ex artikel 7:671c lid 1 BW, veroordeling van Stork tot betaling van een transitievergoeding van € 10.406,70 bruto, veroordeling van Stork tot betaling van een billijke vergoeding van € 330.000,00 bruto, veroordeling van Stork tot betaling van een bedrag van € 24.890,36 bruto aan bonus over 2024, een verklaring voor recht dat Stork geen aanspraken meer kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding in artikel 6.9 van de arbeidsovereenkomst, een verklaring voor recht dat Stork [verweerder] ten onrechte heeft vrijgesteld van werkzaamheden en geen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten voor het gebruik van zijn leaseauto gedurende de periode van vrijstelling van werk, een verklaring voor recht dat [verweerder] wegens de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst geen kosten is verschuldigd aan Stork wegens vroegtijdige inlevering van zijn leaseauto, veroordeling van Stork tot medewerking om het mobiele (werk)nummer van [verweerder] over te zetten op diens naam, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, veroordeling van Stork tot berichtgeving strekkende tot rectificatie en rehabilitatie van [verweerder] , zowel bij ontbinding als zonder ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, veroordeling van Stork tot betaling van een bedrag van € 3.139,95 netto aan opleidingskosten, veroordeling van Stork tot betaling van de volledige advocaatkosten van € 13.500,00 netto, en voor zover het ontbindingsverzoek wordt afgewezen dan wel door [verweerder] wordt ingetrokken, veroordeling van Stork tot wedertewerkstelling van [verweerder] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Stork voert verweer en concludeert tot afwijzing van het tegenverzoek van [verweerder] .
4. De beoordeling
Deze zaak gaat over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Die vraag is door Stork als werkgever aan de kantonrechter voorgelegd, maar ook door [verweerder] als werknemer. Beide partijen verzoeken om ontbinding van de arbeidsovereenkomst maar de redenen die zij daaraan ten grondslag leggen zijn verschillend evenals de (financiële) consequenties van een ontbinding.
Zowel door Stork als door [verweerder] zijn verzoeken ingediend die in beginsel via een dagvaardingsprocedure aanhangig gemaakt dienen te worden. De kantonrechter is echter van oordeel dat die verzoeken voldoende samenhangen met het einde van de arbeidsovereenkomst om mee te nemen in de beoordeling (artikel 7:686a lid 3 BW).
het verzoek van Stork
Stork verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daarvoor een redelijke grond is en herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). Stork heeft haar verzoek primair gegrond op (ernstig) verwijtbaar handelen (artikel 7:669 lid 3 sub e BW), subsidiair op een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:669 lid 3 sub g BW) en meer subsidiair op een combinatie van de voornoemde twee gronden (artikel 7:669 lid 3 sub i BW). [verweerder] betwist de aangevoerde gronden voor ontbinding.
Geen verwijtbaar handelen [verweerder]
Stork stelt dat [verweerder] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld. Stork verwijt [verweerder] belangenverstrengeling / het verrichten conflicterende nevenwerkzaamheden, hetgeen op grond van artikel 6.4 van de arbeidsovereenkomst niet is toegestaan. Die belangenverstrengeling is gelegen in het feit dat [verweerder] [zeilnetwerkevenement] organiseert vanuit een eigen onderneming, een medewerkster van Stork als gastvrouw heeft ingeschakeld, het nummer van zijn Stork telefoon gebruikt voor zijn eigen activiteiten en dat [verweerder] heeft gefactureerd via een tussenleverancier van Stork (Delftechniek), aldus Stork. Het was Stork niet bekend dat [verweerder] [zeilnetwerkevenement] vanuit zijn eigen onderneming organiseerde. Voor klanten was dit ook niet duidelijk, wat tot een ongemakkelijk gevoel bij klanten leidde, zoals de klokkenluider ook aan heeft gegeven. Verder verwijt Stork [verweerder] dat hij zijn dochter heeft ingezet voor het ontwerpen van een logo en in strijd met het anti-ronselbeding in de arbeidsovereenkomst gehandeld.
[verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij van meet af aan transparant is geweest tegen Stork over zijn (netwerk)activiteit [zeilnetwerkevenement] . Deze (netwerk)activiteit was juist een reden voor Stork om [verweerder] aan te nemen. Volgens [verweerder] heeft hij tijdens de sollicitatiegesprekken al verteld dat hij [zeilnetwerkevenement] zelf heeft opgericht en jaarlijks organiseert. Ter onderbouwing heeft [verweerder] onder meer verwezen naar een verklaring van de corporate recruiter van Stork (productie 2 verweerschrift), waarin deze voor zover hier van belang heeft geschreven: “(…) We hebben in dit (de kantonrechter: eerste) gesprek over de verschillende netwerken gehad waaronder [zeilnetwerkevenement] waarbij we dit toen als een toegevoegde waarde vonden voor Stork om zo jouw netwerk te gebruiken voor Stork. (…)”. Daarnaast heeft [verweerder] gewezen op een e-mail van 19 oktober 2022 aan [leidinggevende van verweerder] en een e-mailbericht van 20 juni 2024 aan de heer [naam] met cc aan [leidinggevende van verweerder] (productie 12 verweerschrift). Er is geen sprake van conflicterende belangen. [zeilnetwerkevenement] ligt in het verlengde van de saleswerkzaamheden en [verweerder] heeft ook niet verdiend aan [zeilnetwerkevenement] . De facturen van [handelsnaam 2] heeft [verweerder] rechtstreeks bij Stork ingediend. Die zijn door de budgetverantwoordelijke goedgekeurd en vervolgens zelf door Stork uit handen gegeven aan de tussenleverancier (Delftechniek). Delftechniek heeft de facturen betaald en vervolgens doorbelast aan Stork. Ook tegenover derden is [verweerder] altijd transparant geweest. [verweerder] heeft hiervoor verwezen naar de overgelegde folder van [zeilnetwerkevenement] (productie 16 verweerschrift) en een drietal verklaringen van leveranciers die op eigen kosten mee zijn geweest en volgens [verweerder] een factuur van [verweerder] vanuit zijn vof hebben ontvangen (productie 17 verweerschrift). Voor wat betreft het inzetten van collega’s heeft [verweerder] nog aangevoerd dat de collega ( [collega van verweerder] ) die [verweerder] heeft meegenomen naar [zeilnetwerkevenement] als gastvrouw, haar deelname (die overigens plaatsvond in haar privétijd) heeft afgestemd met haar leidinggevende (productie 11 verweerschrift). Dat [zeilnetwerkevenement] vanuit [handelsnaam 2] wordt georganiseerd volgt volgens [verweerder] ook uit zijn LinkedInprofiel (productie 18 verweerschrift) en daarbij komt dat [verweerder] het telefoonnummer van Stork al had voordat hij in dienst trad bij Stork en naar Stork heeft meegenomen, en dit ook vermeld staat op de pagina van [zeilnetwerkevenement] .
Bij de beoordeling of [verweerder] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld draait het om de vraag of [verweerder] Stork voldoende heeft geïnformeerd over zijn betrokkenheid bij [zeilnetwerkevenement] . Daarbij gaat het erom of Stork op basis van de verstrekte informatie in staat was te bepalen of sprake was een (mogelijk) belangenconflict. De kantonrechter stelt hierbij voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat voor Stork van aanvang af bekend was dat [verweerder] medeorganisator was van [zeilnetwerkevenement] . In hoeverre [verweerder] tijdens de sollicitatiegesprekken precies uit de doeken heeft gedaan hoe de organisatie van [zeilnetwerkevenement] in elkaar stak, is echter niet duidelijk geworden. Wel kan vastgesteld worden dat het mede organiseren van [zeilnetwerkevenement] door [verweerder] voor Stork geen aanleiding is geweest door te vragen op dit punt door bijvoorbeeld te vragen wie nog meer in de organisatie zat of wat het mede organiseren precies inhield. Het feit dat [verweerder] nauw betrokken was bij het netwerkevenement [zeilnetwerkevenement] deed bij Stork op dat moment in ieder geval geen vragen rijzen over een mogelijk belangenconflict. Op het moment dat [verweerder] medewerkers en klanten van Stork wilde meenemen naar [zeilnetwerkevenement] en aan zijn leidinggevende [leidinggevende van verweerder] vroeg of hij de kosten van deelname bij Stork in rekening mocht brengen, heeft [verweerder] – voor zover van belang – het volgende geschreven: Ik organiseer via onze VOF [zeilnetwerkevenement] . Hieruit volgt naar het oordeel van de kantonrechter duidelijk dat de organisatie en uitvoering van het evenement in handen van [verweerder] is. [verweerder] hoefde op dat moment niet te begrijpen dat hij meer informatie diende te verstrekken, nu in de sollicitatiegesprekken al aan de orde was gekomen dat hij [zeilnetwerkevenement] mede organiseerde en hij in de e-mail aan [leidinggevende van verweerder] duidelijk had vermeld dat hij het organiseerde via “onze VOF”. [verweerder] hoefde in het verlengde daarvan ook niet te begrijpen dat sprake was van een conflicterend belang nu Stork toestemming had gegeven. Dat uit de gedragscode of de gevolgde trainingen voortvloeit dat [verweerder] wel nadere informatie had moeten verstrekken, is door Stork niet nader toegelicht. Het had op dat moment op de weg van Stork gelegen om bij onduidelijkheid nadere informatie op te vragen, zoals wat [verweerder] bedoelde met “onze VOF”.
Dat [verweerder] rondom [zeilnetwerkevenement] ook overigens in strijd met de arbeidsovereenkomst of de gedragscode heeft gehandeld, is niet gebleken. De wijze van factureren door [verweerder] is, zoals ook door Stork erkend, de gebruikelijke wijze van factureren. De deelname van de medewerkster van Stork, mevrouw [medewerkster] , vond plaats zonder dat daarvoor kosten in rekening zijn gebracht bij Stork. Nog los van het feit dat Stork ter zitting zelf heeft aangegeven dat het niet relevant is dat voor de aanwezige leveranciers en klanten niet altijd duidelijk was dat [zeilnetwerkevenement] door de onderneming van [verweerder] werd georganiseerd (pagina 4 pleitaantekeningen), is ook niet komen vast te staan dat dit onvoldoende duidelijk was gelet op de overgelegde verklaringen van [verweerder] . Verder is duidelijk geworden dat [verweerder] het nummer van zijn Stork telefoon al gebruikte voor hij bij Stork kwam.
Wel staat vast dat [verweerder] zijn eigen dochter (onder naam van [handelsnaam 3] ) heeft ingezet voor het ontwerpen van kleding met het Stork-logo. De dochter van [verweerder] heeft hiervoor een kleine vergoeding gekregen, € 50,- per ontwerp. De logo’s waren voor jassen in verband met een teambuildingsdag en een relatiedag. Uit de door [verweerder] overgelegde whatsappberichten volgt dat hij over dit ontwerp contact heeft gehad met een leidinggevende. Dat hierbij uitdrukkelijk is besproken dat [verweerder] voor het ontwerp zijn dochter zou inschakelen volgt niet uit de whatsappberichten en is ook niet verder onderbouwd door [verweerder] . Wat daarvan ook zij, niet ter discussie staat dat [verweerder] zelf zijn dochter naar voren heeft geschoven. [verweerder] had daarbij geen onduidelijkheid mogen laten bestaan over het feit dat het om zijn dochter ging en dat die werkzaam was binnen de onderneming van [verweerder] . Door hier niet duidelijk over te zijn heeft [verweerder] artikel 6.4 van de arbeidsovereenkomst overtreden. Daarmee is komen vast te staan dat [verweerder] artikel 6.4 van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden, alsook dat [verweerder] hierdoor een boete heeft verbeurd van € 4.500,00 als bedoeld in artikel 6.12 van de arbeidsovereenkomst. Het verzochte bedrag is dan ook toewijsbaar.
Voor wat betreft de gestelde schending van het anti-ronselbeding van artikel 6.10 van de arbeidsovereenkomst en de in dat kader verzochte boete overweegt de kantonrechter dat Stork deze gestelde overtreding onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens Stork heeft zij vernomen dat [verweerder] (een drietal) (oud)werknemers van Stork ronselt, maar enige nadere onderbouwing ontbreekt, terwijl dit wel uitdrukkelijk en gemotiveerd door [verweerder] is betwist.
De conclusie van het vorenstaande is dat [verweerder] Stork voldoende heeft geïnformeerd over zijn aandeel in [zeilnetwerkevenement] en Stork voldoende mogelijkheden had om deze relatie te beoordelen en te beslissen of zij hiervoor toestemming wilde geven. Dat [verweerder] zijn rol binnen [zeilnetwerkevenement] heeft willen verhullen zoals Stork stelt, en dat daarmee de integriteit en betrouwbaarheid van [verweerder] in het geding is, is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan. Van verwijtbaar handelen op dit punt is dan ook niet gebleken. Dat [verweerder] het anti-ronselbeding heeft overtreden is evenmin gebleken. Wel kan [verweerder] worden aangerekend dat hij onvoldoende open en transparant is geweest over de inzet van zijn dochter. Dit op zichzelf is echter onvoldoende om het oordeel te dragen dat [verweerder] zodanig (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld dat van Stork in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren. Er is dan ook geen sprake van een voldragen e-grond.
Er is geen verstoorde arbeidsverhouding
Stork legt subsidiair aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Door de schriftelijke en mondelinge reactie van [verweerder] op de melding, is Stork het vertrouwen in [verweerder] kwijtgeraakt. [verweerder] heeft betwist dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en geeft aan juist een handreiking te hebben geboden om het gesprek aan te gaan.
Ter zitting is duidelijk geworden dat voor Stork niet zozeer de handelswijze van [verweerder] zelf, maar zijn reactie op de melding de reden is dat Stork het vertrouwen in [verweerder] is verloren. In dat verband was voor Stork doorslaggevend de opmerking van [verweerder] in zijn schriftelijke toelichting en in het gesprek van 21 november 2024 dat zakelijk en privé vaak door elkaar lopen. Stork heeft naar aanleiding daarvan het besluit genomen de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te beëindigen en dit is [verweerder] in het tweede gesprek op 21 november 2024 medegedeeld. [verweerder] heeft in zijn verweerschrift en ter zitting helder uiteengezet dat sprake is van een misverstand en dat hij slechts duidelijk heeft willen maken dat hij goed contact heeft met zijn zakelijke contacten en dat het in de sales belangrijk is een persoonlijke band op te bouwen met je relaties. Hij heeft daarmee niet willen zeggen dat het persoonlijke vrienden zijn, aldus [verweerder] . De uitleg van [verweerder] is naar het oordeel van de kantonrechter begrijpelijk mede in het licht van hetgeen waarvoor [verweerder] is aangenomen, te weten het onderhouden van klantenrelaties. [verweerder] stond verder open voor een gesprek hierover, zo blijkt uit de stukken. Uit de stukken blijkt verder, en dit is ook ter zitting door Stork bevestigd, dat Stork op basis van de hiervoor genoemde opmerking van [verweerder] gewoon niet verder wilde met [verweerder] . Naar het oordeel van de kantonrechter had een open gesprek tussen partijen echter tot duidelijkheid over de wijze waarop [verweerder] in zijn werk staat kunnen leiden. Daarmee had de ontstane verstoring opgelost kunnen worden, nu die verstoring terug te voeren lijkt op een mogelijk verkeerd geïnterpreteerde uitlating van [verweerder] . Van een ernstige en duurzame verstoring is dan ook niet gebleken. Dat het geschil tussen partijen in de organisatie is gaan ‘rondzingen’, nadat [verweerder] is vrijgesteld van werkzaamheden, moge zo zijn maar leidt niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dan ook niet worden vastgesteld dat sprake is van een situatie waarin van Stork in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Naar het oordeel van de kantonrechter is tegen deze achtergrond geen sprake van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW (verstoorde arbeidsverhouding).
Geen combinatiegrond
Nu enkel sprake is van een zeer beperkte verwijtbaarheid, komt de kantonrechter aan artikel 7:669 lid 3 sub i BW niet toe.
Conclusie
Het voorgaande betekent dat geen van de door Stork aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde gronden zijn komen vast te staan, met uitzondering van de overtreding ten aanzien van de dochter van [verweerder] . Daar komt bij dat niet in geschil is dat Stork niet heeft voldaan aan haar herplaatsingsplicht (artikel 7:669 lid 1 BW). Dit houdt in dat het verzoek van Stork tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van ernstig verwijtbaar handelen (e-grond) of een verstoorde arbeidsrelatie (g-grond) niet voor toewijzing vatbaar is, net zo min als de ontbinding op een combinatie van deze gronden (i-grond). Gelet hierop zal de kantonrechter het ontbindingsverzoek met nevenverzoeken van Stork afwijzen, met uitzondering van het verzochte boetebedrag van (eenmalig) € 4.500,00 als bedoeld in artikel 6.12 van de arbeidsovereenkomst.
Proceskosten
Stork zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op een bedrag van € 1.086,00 aan salaris gemachtigde. De proceskosten worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.
het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
Ook [verweerder] verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Op grond van artikel 7:671c lid 1 BW kan de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer worden ontbonden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Bij de beoordeling van het verzoek moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd en kan een billijke vergoeding worden toegekend. Ook bij de beoordeling of de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen.
Stork heeft ernstig verwijtbaar gehandeld en het ontbindingsverzoek van [verweerder] is toewijsbaar
[verweerder] heeft aan zijn ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat voorzetting van de arbeidsrelatie door de opstelling van Stork feitelijk onmogelijk is geworden. Stork heeft op basis van een onvolledig onderzoek en oneigenlijke gronden eenzijdig het vertrouwen in hem opgezegd, direct aangestuurd op beëindiging van de arbeidsrelatie en in het verlengde daarvan hem vrijgesteld van werk. [verweerder] ziet gelet hierop geen mogelijkheden om op normale wijze het dienstverband voort te zetten, hetgeen Stork in ernstige mate kan worden verweten.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Na de melding heeft de heer [hr-manager] , hr-manager bij Stork, een beperkt onderzoek uitgevoerd. [hr-manager] heeft het cv, de arbeidsovereenkomst en de LinkedIn-pagina van [verweerder] bekeken. Verder heeft hij onderzoek gedaan naar de facturen en gecontroleerd of [verweerder] de integriteitstrainingen heeft gevolgd. Op 14 november 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden waarin Stork [verweerder] om uitleg heeft gevraagd over [zeilnetwerkevenement] . [verweerder] heeft die uitleg gegeven. Vervolgens is [verweerder] bij e-mail van 14 november 2024 verzocht nadere informatie te verstrekken. Dat heeft [verweerder] gedaan, waarbij [verweerder] ook heeft aangegeven dat hij – met de wetenschap van nu – ziet dat het anders had gemoeten en graag in gesprek wil om in de toekomst misverstanden te voorkomen. Op 21 november 2024 vond een tweede gesprek plaats. In dit gesprek heeft Stork aangegeven dat met [zeilnetwerkevenement] een ongeoorloofde belangenverstrengeling was ontstaan en dat zij geen vertrouwen meer had in [verweerder] gelet op zijn reactie en daarom de arbeidsovereenkomst op korte termijn wilde beëindigen. [verweerder] is vervolgens direct vrijgesteld van werkzaamheden en Stork heeft enkel nog aangestuurd op beëindiging van de arbeidsrelatie. Ter zitting heeft Stork aangegeven dat de reden van de vrijstelling was om ruimte te bieden voor een regeling en omdat [verweerder] geen blijk gaf ‘de spelregels te begrijpen’. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Stork door te handelen zoals zij heeft gedaan de zaak direct en onnodig op de spits gedreven. Niet het feit dat [verweerder] onvoldoende duidelijk was geweest over zijn aandeel in [zeilnetwerkevenement] maar zijn schriftelijke toelichting was voor Stork aanleiding aan te sturen op beëindiging. Zonder nader gesprek heeft Stork enkel op basis van de schriftelijke toelichting / uitleg van [verweerder] gemeend niet verder te kunnen met [verweerder] , terwijl [verweerder] graag in gesprek wilde. Daarbij heeft Stork [verweerder] ook direct vrijgesteld van werkzaamheden. Niet alleen werpt zo’n vrijstelling van werkzaamheden een bepaalde schaduw vooruit, maar ook is niet gebleken dat Stork voor deze vrijstelling een redelijke en voldoende zwaarwegende grond had. Hoewel een werknemer jegens zijn werkgever geen absoluut recht heeft om de bedongen werkzaamheden te kunnen verrichten, mag van een goed werkgever worden gevergd dat hij de werknemer slechts tegen diens wil de mogelijkheid onthoudt om de overeengekomen arbeid te verrichten indien hij daarvoor een redelijke grond heeft en die grond voldoende zwaar weegt. Stork heeft niet kunnen uitleggen waarom zij een voldoende zwaarwegend belang had bij vrijstelling van [verweerder] van zijn werkzaamheden. Stork heeft ondanks de handreiking van [verweerder] , het gesprek niet aan willen gaan en enkel willen overgaan tot beëindiging, terwijl hiervoor geen voldragen ontslaggrond was. Hiermee heeft Stork het onmogelijk gemaakt voor [verweerder] om terug te keren. Gelet op het hiervoor overwogene is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Stork. De arbeidsovereenkomst dient dan ook te worden beëindigd en het verzoek tot ontbinding van [verweerder] zal worden toegewezen. Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Stork bestaat er grond voor de toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst tegen deze achtergrond tussen partijen ontbinden tegen 1 juni 2025. De daarbij verzochte verklaring voor recht dat Stork [verweerder] ten onrechte heeft vrijgesteld van werkzaamheden en Stork geen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten voor het gebruik van de leaseauto gedurende de periode van vrijstelling van werk, is om die reden ook toewijsbaar. Ditzelfde geldt voor de verklaring voor recht dat Stork geen aanspraak meer kan ontlenen aan het in artikel 6.9 van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] overeengekomen concurrentie- en relatiebeding, alsook voor de verklaring voor recht dat [verweerder] wegens de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst geen kosten is verschuldigd aan Stork wegens vroegtijdige inlevering van zijn leaseauto. Ook zal de kantonrechter Stork veroordelen om haar medewerking te verlenen om het mobiele nummer van [verweerder] over te zetten op zijn naam, zoals verzocht. Stork heeft ter zitting aangegeven dat zij hieraan haar medewerking zal verlenen en dat dwangsommen daarvoor niet nodig zullen zijn, zodat de kantonrechter aanleiding ziet om de in dat kader verzochte dwangsommen af te wijzen.
[verweerder] heeft recht op de bonusuitbetaling over 2024
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [verweerder] recht heeft op de bonusuitbetaling over het jaar 2024 van maximaal 25% van zijn (bruto)jaarsalaris. Volgens [verweerder] lag hij op schema voor wat betreft het behalen van zijn doelstelling over 2024. Enkel door de onterechte vrijstelling heeft hij zijn doelstelling niet kunnen behalen. In dat kader heeft [verweerder] verwezen naar een e-mail van [leidinggevende van verweerder] van 12 november 2024 voor wat betreft positieve resultaten over oktober 2024 (productie 29 verweerschrift). Dat [verweerder] op schema lag voor wat betreft zijn doelstelling en dat de resultaten van [verweerder] in 2024 positief waren, is ook niet door Stork betwist. In die zin staat ook niet zozeer ter discussie dat [verweerder] voldoet aan de bonusvoorwaarden (productie 3 verweerschrift). Niet gesteld of gebleken is dat deze positieve trend ten aanzien van de resultaten zich niet (volledig) zou voortzetten tot het einde van het jaar 2024. Het feit dat [verweerder] als gevolg van de vrijstelling van werkzaamheden de laatste 6 weken van 2024 geen daadwerkelijk resultaat meer heeft kunnen realiseren, behoort overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:628 lid 1 BW voor rekening van Stork te komen. Gelet hierop kan [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter aanspraak maken op de bonusuitbetaling van 25% over zijn brutosalaris. Stork heeft geen verweer gevoerd tegen de door [verweerder] verzochte hoogte van het bonusbedrag (€ 24.890,36 bruto), zodat de kantonrechter daarvan zal uitgaan en dit bedrag zal worden toegewezen.
[verweerder] heeft recht op een transitievergoeding en een billijke vergoeding
In het licht van het voorgaande heeft [verweerder] recht op een transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 lid 1 sub b BW. Het partijdebat hierover (ter zitting) heeft zich onder andere toegespitst op de vraag of [verweerder] recht heeft op de bonusuitbetaling over het jaar 2024. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft [verweerder] recht op deze bonusuitbetaling. De hoogte van de transitievergoeding wordt in beginsel bepaald door de hoogte van het loon per maand en het arbeidsverleden ingevolge artikel 7:673 lid 2 BW. Niet ter discussie staat dat [verweerder] (laatstelijk) een brutosalaris ten bedrage van € 7.932,73 per maand heeft verdiend, vermeerderd met emolumenten en bonus. Uitgaande daarvan en met inachtneming van de datum van indiensttreding en de voornoemde einddatum van de arbeidsovereenkomst, bedraagt de hoogte van de transitievergoeding een bedrag van € 10.406,70 bruto aan transitievergoeding, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.
Aangezien sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Stork, bestaat er aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. [verweerder] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van € 330.000,00 bruto. De Hoge Raad heeft in de zogenoemde New Hairstyle-beschikking (Hoge Raad 13 juni 2017 ECLI:NL:HR:2017:1187) een aantal (niet limitatieve) gezichtspunten geformuleerd voor de begroting van de billijke vergoeding. Bij de begroting van de billijke vergoeding gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het uitgangspunt daarbij is dat de rechter de billijke vergoeding moet bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De rechter kan daarbij rekening houden met de gevolgen van het ontslag voor zover die zijn toe te rekenen aan het aan de werkgever van het ontslag te maken verwijt. De billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter.
Een belangrijk gezichtspunt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding is de ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’. Voor de waardebepaling van de arbeidsovereenkomst is mede de verwachte resterende duur van de arbeidsovereenkomst van belang. Volgens [verweerder] zou hij nog een aantal jaren in dienst zijn geweest bij Stork, mede gelet op zijn leeftijd en zijn goede beoordelingen in verband met zijn functioneren. Er bestonden volgens [verweerder] geen omstandigheden die maken dat een eerdere beëindiging van zijn dienstverband aan de orde zou zijn geweest. De kantonrechter volgt [verweerder] niet in zijn betoog. Uit het cv van [verweerder] blijkt dat hij in het verleden telkens na relatief korte tijd van werkgever is gewisseld. Zo heeft [verweerder] vanaf omstreeks 2010 zeven verschillende werkgevers gehad (inclusief Stork). Gemiddeld genomen is daarbij sprake van dienstverbanden met een duur van ongeveer drie jaren. Aangenomen kan dan ook worden dat [verweerder] geregeld van baan wisselt. Gelet hierop acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat [verweerder] nog een aantal jaren bij Stork zou zijn gebleven. Gekeken naar het moment van indiensttreding bij Stork – juni 2022 – acht de kantonrechter het aannemelijk dat [verweerder] ook zonder het verwijtbaar handelen van Stork op redelijke korte termijn weer van baan zou wisselen. Dit maakt dat de waarde van de arbeidsovereenkomst – naar het oordeel van de kantonrechter – beperkt is. De kantonrechter neemt verder in aanmerking dat de kansen van [verweerder] op de arbeidsmarkt goed zijn, ook gelet op zijn ruime ervaring en zijn netwerk. Daarbij is [verweerder] vrijgesteld van het concurrentie- en relatiebeding. Dat het [verweerder] twee jaar zal duren om een andere baan te vinden, zoals [verweerder] stelt, acht de kantonrechter dan ook niet aannemelijk. [verweerder] maakt verder aanspraak op compensatie van pensioenschade ten bedrage van € 1.400,00 per maand aan werkgeversbijdrage, onderbouwd met een recente salarisspecificatie (productie 2 verzoekschrift). Dit is niet (voldoende) gemotiveerd door Stork weersproken. Dit betekent dat de kantonrechter bij de bepaling van de hoogte van het bedrag ook rekening zal houden met pensioenschade. Met de immateriële schade die [verweerder] stelt te hebben geleden, zal bij het vast stellen van de billijke vergoeding door de kantonrechter geen rekening worden gehouden. [verweerder] heeft dit bedrag niet nader onderbouwd en toegelicht.
Alles afwegend en gelet op het voorgaande zal de kantonrechter aan [verweerder] ten laste van Stork een (bruto)bedrag van € 30.000,00 aan billijke vergoeding toekennen.
De rectificatie(tekst) is niet toewijsbaar
[verweerder] heeft verder verzocht Stork te veroordelen tot een rectificatietekst en deze (intern en extern) rond te sturen, omdat Stork vanwege haar ernstig verwijtbaar handelen de goede naam (in het werkveld) van [verweerder] heeft aangetast. De kantonrechter begrijpt dit standpunt van [verweerder] zo dat hij zich hierbij baseert op het bepaalde in artikel 7:611 BW respectievelijk 6:162 BW. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Stork, is de kantonrechter daarvan evenwel niet gebleken. Weliswaar staat tussen partijen niet ter discussie dat het geschil tussen hen is gaan ‘rondzingen’, maar daarmee staat niet vast dat Stork de naam van [verweerder] heeft aangetast, laat staan dit naar buiten heeft gebracht. In dat kader heeft Stork nog aangevoerd dat zij het geschil tussen partijen nimmer wereldkundig heeft gemaakt en zij hiermee juist discreet is omgegaan. Voor zover anderen hiervan op de hoogte zijn (gekomen), heeft Stork naar eigen zeggen hier geen aandeel in. Gelet hierop zal de kantonrechter de verzochte rectificatie(tekst) afwijzen.
De opleidingskosten zijn niet toewijsbaar
[verweerder] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij vanwege het eindigen van de arbeidsrelatie als gevolg van het handelen van Stork geen gebruik meer kan maken van het opleidingsbudget voor medewerkers van Stork, maar dat daarvan nog graag een bepaalde opleiding had willen volgen aan de particuliere onderwijsinstelling ‘Nyenrode Business Universiteit’ ter vergroting van zijn kansen op de arbeidsmarkt. In dat kader maakt [verweerder] aanspraak op een bedrag van € 3.139,95 (netto). [verweerder] heeft dit standpunt onderbouwd met een bevestigingsmail ten aanzien van zijn inschrijving bij de onderwijsinstelling (productie 30 verweerschrift). Naar het oordeel van de kantonrechter is dit verzoek evenwel niet toewijsbaar. Met Stork is de kantonrechter namelijk van oordeel dat er geen grondslag bestaat om Stork te veroordelen in de kosten van de onderhavige opleiding, omdat het een persoonlijke keuze van [verweerder] betreft om deze opleiding te volgen (ter vergroting van zijn kansen op de arbeidsmarkt). De omstandigheid dat Stork ernstig verwijtbaar heeft gehandeld leidt op zichzelf evenmin tot een verplichting van Stork om de verzochte opleidingskosten te betalen, voor zover [verweerder] dat heeft bedoeld te stellen.
De proceskosten worden toegewezen volgens het liquidatietarief
De door [verweerder] verzochte volledige vergoeding van de advocaatkosten met een bedrag van € 13.500,00 (netto) zullen eveneens worden afgewezen. Een verzoek tot vergoeding van de volledige proceskosten in afwijking van het liquidatietarief is namelijk alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Van dergelijk handelen is de kantonrechter niet gebleken. Dit betekent dat bij de proceskostenveroordeling het salaris van de gemachtigde zal worden berekend volgens het liquidatietarief.
Stork zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op een bedrag aan salaris gemachtigde van € 1.086,00.
Intrekkingsmogelijkheid verzoek en verzochte wedertewerkstelling
[verweerder] krijgt tot en met 13 mei 2025 de gelegenheid om zijn verzoek in te trekken, omdat zijn verzoek niet integraal en zoals door hem verzocht wordt toegewezen (artikel 7:686a lid 6 BW). Indien [verweerder] zijn verzoek voornoemd intrekt en de arbeidsovereenkomst tussen Stork en [verweerder] dientengevolge onverkort voortduurt, is Stork gehouden om [verweerder] weer tot zijn werkzaamheden toe te laten (artikel 7:611 BW). Dit verzoek zal daarom bij de voornoemde intrekking door [verweerder] worden toegewezen. De meeverzochte dwangsommen zijn daarbij eveneens toewijsbaar.
5. De beslissing
De kantonrechter
in het verzoek
veroordeelt [verweerder] om aan Stork een bedrag van € 4.500,00 aan contractuele boete te betalen;
wijst het meer of anders verzochte af;
veroordeelt Stork in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] begroot op een bedrag van € 1.086,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in het tegenverzoek
bepaalt dat [verweerder] tot 14 mei 2025 het verzoek kan intrekken;
Als [verweerder] het verzoek niet binnen de termijn intrekt:
ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW tegen 1 juni 2025;
veroordeelt Stork om aan [verweerder] op grond van artikel 7:673 lid 1 onder b BW een (bruto)bedrag van € 10.406,70 aan transitievergoeding te betalen;
veroordeelt Stork om aan [verweerder] op grond van artikel 7:671c lid 2 onder b BW een (bruto)bedrag van € 30.000,00 aan billijke vergoeding te betalen;
veroordeelt Stork om aan [verweerder] een (bruto)bedrag van € 24.890,36 aan bonus over 2024 te betalen;
verklaart voor recht dat Stork geen aanspraken meer kan ontlenen aan het in artikel 6.9 van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] overeengekomen concurrentie- en relatiebeding;
verklaart voor recht dat Stork [verweerder] ten onrechte heeft vrijgesteld van werkzaamheden en geen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten voor het gebruik van zijn leaseauto gedurende de periode van vrijstelling van werk;
verklaart voor recht dat [verweerder] wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen kosten is verschuldigd aan Stork wegens vroegtijdige inlevering van zijn leaseauto;
veroordeelt Stork tot alle medewerking die benodigd is om het mobiele nummer van [verweerder] ( [telefoonnummer] ) weer over te zetten op zijn naam, zulks binnen uiterlijk vier weken na beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
veroordeelt Stork in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] begroot op een bedrag van € 1.086,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van ad 5.10., 5.11. en 5.12. – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af;
Voor het geval [verweerder] het verzoek binnen de hiervoor genoemde termijn intrekt:
veroordeelt Stork om [verweerder] zonder enige beperkingen en onder dezelfde voorwaarden te werk te stellen bij Stork in zijn functie van [sales manager] , zulks uiterlijk binnen één week na betekening van deze beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag(deel) dat Stork daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,00;
veroordeelt Stork in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] begroot op een bedrag van € 1.086,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025.
48318/GW