RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[veroordeelde]
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.161943.23
beslissing van de meervoudige kamer d.d. 05 december 2025 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 23 oktober 2025 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 294.880,92 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.161943.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 21 november 2025.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vastgesteld op het contante geldbedrag dat bij veroordeelde is aangetroffen en in beslag is genomen, te weten een bedrag van 62.580,00. De betalingsverplichting dient op nihil te worden gesteld.
Veroordeelde heeft afstand gedaan van het geldbedrag en de betalingsverplichting wordt daarmee als voldaan beschouwd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie en verzocht om het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op de hoogte van de het in beslag genomen geldbedrag, met bepaling van de betalingsverplichting op nihil.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 5 december 2025 in de zaak met parketnummer 18.161943.23 veroordeeld ter zake van handel in cocaïne.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door hem gepleegde strafbare feit.
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van de politie
d.d. 5 september 2025, niet tot uitgangspunt kan worden genomen. Hoewel het dossier aanwijzingen bevat dat veroordeelde ook buiten de ten laste gelegde periode cocaïne heeft verhandeld, is er onvoldoende zekerheid over de mate waarin dit gebeurde en de hoeveelheid die is verkocht.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aansluiting dient te worden gezocht bij het contante geld dat onder veroordeelde is aangetroffen. In de woning van de ouders van veroordeelde , waar veroordeelde op het moment van doorzoeking woonde, is op diverse ongebruikelijke plekken in totaal een bedrag van 62.580,00 aan contant geld gevonden. Tegenover de politie heeft veroordeelde verklaard dat dit geld verkregen is uit de verkoop van cocaïne en ter terechtzitting heeft de raadsvrouw ervoor gepleit dit bedrag te beschouwen als de uit de cocaïnehandel verkregen winst. De rechtbank zal, mede gelet op het door de officier van justitie ingenomen standpunt, hier dan ook vanuit gaan en het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op dit bedrag.
Gelet op het feit dat het aangetroffen bedrag aan contant geld in beslag is genomen, veroordeelde daar afstand van heeft gedaan en de officier van justitie ter terechtzitting heeft verklaard dat het openbaar ministerie de betalingsverplichting als voldaan beschouwt, zal de rechtbank bepalen dat de betalingsverplichting die aan veroordeelde wordt opgelegd op nihil wordt gesteld.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 62.580,00.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 0,- (zegge: nul euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 0 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.O. Thijsen, voorzitter, mr. G.H. Boekaar en mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 december 2025.