RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2025 in de zaak tussen
[naam 1 uit woonplaats] , verzoekster
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/3618
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân, het college
(gemachtigde: M. van der Heide).
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van verzoeksters aanvraag om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Verzoekster is het hier niet mee eens.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
1. Het college heeft verzoeksters aanvraag voor een IOAZ-uitkering met het besluit van 4 september 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, ambulant begeleider mevrouw [naam 2] en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming van de afwijzing
2. Vanaf 2018 had verzoekster een eenmanszaak. Zij werkte als praktijkondersteuner bij verschillende huisartsenpraktijken. Op 26 augustus 2022 raakte zij arbeidsongeschikt. Daarop volgde een intensieve revalidatieperiode.
Met de email van 13 december 2023 heeft het college verzoekster geïnformeerd dat zij geen recht had op een IOAZ-uitkering. Het college adviseerde verzoekster om haar onderneming te stoppen en uit te schrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK), zodat zij algemene bijstand kon aanvragen. Verzoekster heeft haar eenmanszaak per 29 februari 2024 bij de KvK uitgeschreven. Op 30 juni 2025 heeft zij de IOAZ-uitkering aangevraagd.
Het college wijst de aanvraag af om drie redenen. Verzoekster heeft de uitkering niet aangevraagd voordat zij met haar bedrijf is gestopt. Daarnaast heeft zij gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, niet onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend. Ter zitting heeft het college toegelicht dat verzoekster niet voldeed aan het urencriterium. Zij werkte in 2022, 2023 en 2024 minder dan 1225 uur in haar eigen bedrijf (urencriterium).
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter kan tijdens een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen, indien ‘onverwijlde spoed’ dat gelet op de betrokken belangen vereist. Dit wordt het spoedeisend belang genoemd.
Verzoekster heeft op de zitting toegelicht dat het spoedeisend belang gelegen is in haar gezondheidssituatie en de impact op haar herstel. Het college kan zich daarin vinden. De voorzieningenrechter ziet gelet op het verhandelde ter zitting voldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen.
Wettelijk kader
4. De IOAZ verstaat onder gewezen zelfstandige de persoon die voor de voorziening in het bestaan was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep, de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt en na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar het bedrijf of beroep heeft beëindigd.
De gewezen zelfstandige was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep indien werd voldaan aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Daarin wordt onder urencriterium, voor zover van belang, verstaan het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belanghebbende als ondernemer winst geniet.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2, vijfde lid, van de IOAZ blijkt dat het urencriterium betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan de aanvraag.
Met de inwerkingtreding van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is artikel 2, eerste lid, van de IOAZ met ingang van 29 december 2005 gewijzigd. Anders dan de naam van de regeling zou doen vermoeden, is de IOAZ niet langer bedoeld voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandige, maar uitsluitend nog voor de oudere gewezen zelfstandige.
Inhoudelijke beoordeling
5. De afwijzing van de IOAZ-uitkering is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet evident onrechtmatig.
6. De voorzieningenrechter acht niet doorslaggevend dat de aanvraag is ingediend, nadat verzoekster haar bedrijf bij de KvK uitgeschreven had. Het college heeft verzoekster immers eind 2023 geadviseerd haar onderneming uit te schrijven om een aanvraag voor een bijstandsuitkering te doen. Daarvoor kwam zij evenwel niet in aanmerking. Verzoekster heeft daarop een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Deze is afgewezen, omdat zij niet verzekerd was voor de WIA. Met de email van 13 december 2023 heeft het college mede onduidelijkheid geschapen over de mogelijkheden om voor een uitkering in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan in aanmerking te komen. Deze onduidelijkheid kan verzoekster bij de aanvraag voor de IOAZ redelijkerwijs niet tegengeworpen worden.
7. Bij de beoordeling of activiteiten het werken als zelfstandige inhouden, merkt de voorzieningenrechter op dat het doel van de IOAZ is de bescherming van de gewezen zelfstandige met een langdurig arbeidsverleden die gelet op zijn of haar leeftijd niet meer is in te zetten in het arbeidsproces. Op verzoekster, als aanvrager van de IOAZ-uitkering, rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan het urencriterium. Op basis van de nu beschikbare informatie voldoet verzoekster niet aan het urencriterium. In de bezwaarprocedure kan verzoekster de omvang van haar werkzaamheden voor haar bedrijf, waaronder haar revalidatie-uren, aanvullen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de voorzieningenrechter geen voorziening treft gedurende de bezwaarprocedure. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: