RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
beslissing
Wrakingskamer
Locatie Leeuwarden
zaaknummer: C/18/250619 / KG RK 25/368
Beslissing van 5 december 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. M.R. Rauwerda
strekkende tot de wraking van
mr. N.J.M. Plat,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van 4 december 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 4 december 2025.
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van mr. N.J.M. Plat, privaatrechter die is belast met de behandeling van de civiele procedure met zaaknummer [zaaknummer] . In voornoemde procedure is aan de orde een verlening van een zorgmachtiging op verzoek van de Officier van Justitie.
Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal waarin het mondelinge verzoek tot wraking is gedaan, de rechter gewraakt vanwege de persoonlijke relatiesfeer. Volgens verzoekster heeft dit betrekking op de relatiesfeer voor de mensen die geen contact met haar mogen hebben.
3. Het standpunt van de rechter
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per brief van 4 december 2025.
De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van enige (schijn van) partijdigheid aan haar zijde. De rechter onderhoudt geen persoonlijke contacten met de verzoeker, de behandelaren of de advocaat.
4. De beoordeling
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening gehouden worden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.
De rechtbank overweegt dat aan het verzoek tot wraking geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit de vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. De rechter heeft ter zitting geen uitspraken gedaan over de persoonlijke relatiesfeer van verzoekster waaruit enige schijn van partijdigheid zou kunnen blijken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Noord-Nederland, meer regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol).
5. De beslissing
De rechtbank
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
bepaalt dat de procedure met zaaknummer [zaaknummer] wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan- de verzoekster;- de gewraakte rechter, mr. N.J.M. Plat;- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. I. Zetstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.A. Toussaint en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
- de griffier de voorzitter
(De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen)
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.