RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummer: LEE 25/4271
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2025 in de zaak tussen
1.a. [naam], gevestigd in [plaats], verzoekster sub 1.a.,
1.b. [naam], gevestigd in [plaats], verzoekster sub 1.b.,
hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters,
(gemachtigde: mr. M.J.F. Nuijens),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden, het college,
(gemachtigde: mr. J. Bakker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoeksters om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeksters hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun verzoek om voorlopige voorziening. De voorlopige voorziening zag op de besluitvorming over de aan hen opgelegde lasten onder dwangsom en in het bijzonder de begunstigingstermijn.
Bij besluit van 23 oktober 2025 heeft het college het door verzoeksters gedane verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn van de aan haar opgelegde last onder dwangsom afgewezen.
Het college heeft bij e-mailbericht van 30 oktober 2025 medegedeeld in te stemmen met een verlenging van de begunstigingstermijn tot en met 1 december 2025.
Het college heeft bij besluit van 5 november 2025 besloten om de begunstigingstermijn te verlengen tot en met 1 februari 2026.
Het college heeft bij brief van 24 november 2025 aangegeven de uitspraak met betrekking tot de proceskosten tegemoet te zien.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Wanneer kan een college in de proceskosten worden veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het college geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener het college bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het college aan verzoeksters tegemoetgekomen?
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het college aan het verzoek om voorlopige voorziening tegemoetgekomen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
De vraag of sprake is van tegemoetkomen, is gerelateerd aan het specifieke doel van het verzoek om een voorlopige voorziening. Dat specifieke doel is dat onevenredig nadeel hangende de bodemprocedure wordt voorkomen. Er is ook sprake van tegemoetkomen als het college de gevraagde voorlopige maatregel treft.
Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in een voorlopige voorziening dient de vraag of sprake is van ‘geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen’ in de eerste plaats te worden gerelateerd aan hetgeen verzoeksters tot het treffen van een voorlopige voorziening met hun verzoek wensten te bereiken, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bezwaar- of beroepsprocedure. Aldus wordt van ‘geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen’ in de zin van dit artikel gesproken, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voorlopig opschort, dan wel de gevraagde voorlopige maatregel verricht, waardoor voor verzoeksters is bereikt wat zij wensen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er in dit geval sprake van het ‘geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen’, als omschreven in vorenbedoelde zin, nu het college eerst bij mededeling van 30 oktober 2025 heeft ingestemd met een verlenging van de begunstigingstermijn tot en met 1 december 2025 en daarna bij besluit van 5 november 2025 heeft besloten tot verlenging van de begunstigingstermijn tot en met 1 februari 2026. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college daarmee de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit heeft opgeschort. In die zin is het college tegemoet gekomen aan verzoeksters in de zin van artikel 8:75a van de Awb.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op de voorgaande overwegingen wordt het verzoek om veroordeling van het college in de proceskosten toegewezen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 907,- in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een verzoekschrift).
6. Omdat het college de begunstigingstermijn heeft verlengd en daarmee de uitvoering van het bestreden besluit heeft opgeschort, betaalt de griffier het griffierecht ad € 385,- aan verzoekster terug. Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe;
- veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeksters.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.