RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Smilde, eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3667 T
(gemachtigde: mr. J. van den Hoorn),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe, hierna te noemen het college
(gemachtigde: J.K. de Vries).
Als derde-partij neemt aan het geding deel [derde belanghebbende] te Smilde (vergunninghouder).
1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor een bedrijfspand met woonruimte aan de [adres] [nummer] in Smilde. Eiser is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college deze omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.
De rechtbank doet een tussenuitspraak, omdat naar het oordeel van de rechtbank aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. Het college wordt in de gelegenheid gesteld om de geconstateerde gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder is eigenaar van het perceel aan de [adres] [nummer] in Smilde. Eiser woont naast dit perceel.
Het college heeft met het besluit van 9 december 2020 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfspand met bedrijfswoning op het perceel van vergunninghouder. Op 1 april 2021 heeft verweerder de verleende omgevingsvergunning op verzoek van vergunninghouder gewijzigd.
Eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit van 20 april 2021 heeft het college op het bezwaar van eiser beslist. Dat heeft niet geleid tot herroeping van de verleende omgevingsvergunning. Hiertegen heeft eiser beroep ingestelde. De rechtbank heeft dat besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Op 22 juni 2022 heeft het college een nieuw besluit op bezwaar genomen. Ook hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft ook deze beslissing op bezwaar vernietigd en het college opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 heeft het college opnieuw besloten op de bezwaren van eiser. Hiertegen richt zich het beroep van eiser.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nog een nadere reactie ingediend met een verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, met zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college en vergunninghouder met J. Pronk.
Beoordeling door de rechtbank
Beoordelingskader
3. Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht.
Op de locatie van het vergunde bouwplan gold het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Smilde” (het bestemmingsplan). Het perceel van vergunninghouder heeft de bestemming “Bedrijventerrein”.
Artikel 3.2.2, onder a, van de planregels bepaalt dat de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen minimaal 5 meter dient te bedragen.
Op grond van artikel 3.2.3, onder b, van de planregels moet de bedrijfswoning aan de zijde van de openbare weg wordt gebouwd.
4. Het college heeft afgeweken van de onder 3.1.1. en 3.1.2. genoemde planregels. Het college heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2o, van de Wabo en artikel 4, aanhef en onderdeel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
5. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Afstand tot de zijdelingse perceelsgrens
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het college de afwijking van artikel 3.2.2, onder a, van de planregels onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser voert daartoe aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van vergunninghouder zwaarder weegt dan het belang van eiser om gevrijwaard te blijven van bebouwing dichterbij zijn erf dan het bestemmingsplan toestaat. Volgens eiser heeft het college onvoldoende onderbouwd waarom het voor een efficiënte bedrijfsvoering van vergunninghouder nodig is om dichter bij zijn erf te bouwen om aan de andere zijde ruimte te creëren om te kunnen manoeuvreren ten behoeve van het in- en uitrijden van voertuigen. Eiser wijst op het perceel [adres] [nummer], waar voor de bedrijfsvoering wel afdoende manoeuvreerruimte kon worden gecreëerd en geen afwijking nodig was. Verder stelt eiser dat aan zijn belangen meer gewicht had moeten worden toegekend. Het college heeft volgens eiser ten onrechte een stedenbouwkundige vergelijking in de belangenafweging betrokken. Tot slot betoogt eiser dat het plan niet aan de afstandsregel van 30 meter uit de Staat van bedrijfsactiviteiten uit bijlage 1 van het bestemmingsplan voldoet.
Het college stelt zich op het standpunt dat het mocht afwijken van de planregels over de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Volgens het college is de afwijking van het bestemmingsplan ook voldoende gemotiveerd. Het college voert daartoe aan dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens nog dusdanig is dat geen afbreuk wordt gedaan aan de opzet van het bestemmingsplan (structuur van openheid tussen bedrijven). Het college voert verder aan dat met de afwijking van de planregels wordt voorzien in voldoende manoeuvreerruimte die noodzakelijk is voor een efficiënte bedrijfsvoering van vergunninghouder. Verder stelt het college dat de afwijking van het bestemmingsplan geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt voor eiser. Het college onderbouwt dat onder meer met een vergelijking van de gevolgen van het vergunde project met wat op grond van de planregels sowieso al mogelijk is (stedenbouwkundige studie). Volgens het college mag in dit geval aan het belang van vergunninghouder meer gewicht worden toegekend. Voor wat betreft het beroep van eiser op de afstandseisen uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten uit bijlage 1 van het bestemmingsplan wijst het college erop dat deze niet als afstandseisen gelden voor dit industrieterrein.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van eiser over het afwijken van de planregel over de afstand tot de zijdelingse erfgrens niet slaagt. De rechtbank is van oordeel dat het college met het bestreden besluit de belangen van vergunninghouder bij de afwijking op dit punt kenbaar heeft betrokken. Ook heeft het college daarbij de belangen van eiser betrokken om gevrijwaard te blijven van bebouwing op een geringere afstand dan vijf meter tot de perceelsgrens. Het college heeft dat gemotiveerd in het bestreden besluit en er is op zitting een nadere toelichting gegeven. De rechtbank acht die motivering voldoende deugdelijk. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de uitkomst van de afweging van belangen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarmee heeft het college de door de rechtbank in de eerdere uitspraken geconstateerde gebreken op dit punt voldoende hersteld. De rechtbank licht dat oordeel hierna verder toe.
Het college heeft bij de afweging om af te wijken van artikel 3.2.2, onder a van de planregels waarde toegekend aan de manoeuvreerruimte die vergunninghouder nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering. Vergunninghouder is voornemens in het vergunde bedrijfsgebouw een banden- en reparatieservice te vestigen. Vergunninghouder heeft aangegeven dat zijn werkzaamheden zich ook richten op busjes en campers. Toegelicht is dat daarvoor circa 9 meter aan (manoeuvreer)ruimte nodig is, waarmee auto’s met aanhangers en campers naar de brug in de binnenwerkplaats kunnen worden gedraaid. De rechtbank kan volgen dat deze manoeuvreerruimte nodig is en dat is dat daarvoor – gelet op de beschikbare ruimte op het perceel van vergunninghouder - moet worden afgeweken van de planregel over de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. De verwijzing van eiser naar de situatie op het adres [adres] [nummer] leidt niet tot een ander oordeel. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de onderneming op [adres] [nummer] zich toelegt op handel in oldtimers. Niet is gebleken dat die situatie op dat perceel wat bedrijfsvoering betreft vergelijkbaar is met de situatie van vergunninghouder.
Het college heeft met het bestreden besluit in beeld gebracht wat de gevolgen voor eiser zijn van het afwijken van de planregel over de zijdelingse perceelsgrens. Deze zijn afgewogen tegen de belangen die zijn gediend met afwijken van deze planregel. Anders dan eiser heeft aangevoerd, mag het college daarbij een vergelijking maken met de situatie die al op grond van de planregels ‘bij recht’ zijn toegestaan. Het college acht de gevolgen van het vergunde bouwplan ten opzichte van wat al ‘bij recht’ is toegestaan voor wat betreft schaduwwerking en lichtinval niet onaanvaardbaar. Het college heeft daarbij erkend dat er enige hinder zal zijn voor eiser van het vergunde bouwplan. Van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat is volgens het college echter geen sprake. De rechtbank kan dat volgen voor zover het schaduwhinder en lichtinval betreft. Het college is verder ingegaan op de vermindering van uitzicht. Ook daarvan kan de rechtbank volgen dat het college deze gevolgen niet onaanvaardbaar acht, mede gelet op wat al ‘bij recht’ is toegestaan en, zoals het college ook juist heeft gesteld, van een recht op vrij uitzicht geen sprake is. Tot slot heeft het college in het bestreden besluit gemotiveerd waarom de privacy van eiser door de afwijking van de planregel over de afstand tot de zijdelings perceelsgrens niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Daarbij is gewezen op de locatie van de te realiseren ramen en het gebruik van ondoorzichtige folie. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een onaanvaardbare situatie.
Voor zover eiser stelt dat hij geluidsgevolgen vreest, heeft hij dat niet eerder toegelicht. In het beroepschrift ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de situatie in strijd is met een goed woon- en leefklimaat. Eiser verwijst in het beroepschrift naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten uit bijlage 1 bij de planregels. Voor zover eiser wil stellen dat voor de door eiser gewenste bedrijfsactiviteiten een afstand van 30 meter tot de perceelsgrens hoort te gelden of geldt, berust dat op een onjuiste uitleg van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. De afstandseis is opgenomen in artikel 3.2.2, onder a, van de planregels. De Staat van Bedrijfsactiviteiten geeft vervolgens weer welke activiteiten zijn toegelaten en geeft geen afstandseis ten opzichte van naastgelegen percelen.
Situering van de bedrijfswoning
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat het college de afwijking van artikel 3.2.3, onder b, van de planregels onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser betoogt dat het belang van vergunninghouder om af te wijken door het college onvoldoende is onderzocht. Onduidelijk is waarom de bedrijfswoning zich niet aan de openbare weg hoeft te bevinden. Het perceel van vergunninghouder is het laatste onbebouwde perceel op het bedrijventerrein en het enige waarbij de bedrijfswoning zich niet aan de openbare weg bevindt. De plaatsing van de bedrijfswoning brengt een onevenredige aantasting van privacy en sociale veiligheid met zich mee. Het belang van vergunninghouder is volgens eiser onvoldoende afgewogen tegen eisers belang.
Het college wijst er in het bestreden besluit op dat de planwetgever weliswaar expliciet de keuze heeft gemakt om bedrijfswoningen alleen toe te staan aan de zijde van de openbare weg, maar dat hier gemotiveerd van kan worden afgeweken. Het college geeft verder aan dat het realiseren van een bedrijfswoning niet verplicht is en dat er ook een bedrijfsgebouw zonder bedrijfswoning kan worden gerealiseerd. Het college acht de ruimtelijke uitstraling van de bedrijfswoning gering, omdat deze inpandig wordt gerealiseerd. Daarmee is de bedrijfswoning, naar het uiterlijk van het geheel kijkend, niet te onderscheiden van een bedrijfsruimte die ook ‘bij recht’ zou kunnen worden gerealiseerd. Omdat dat zo is, is volgens het college het belang van sociale veiligheid niet doorslaggevend. Van een onevenredige afbreuk aan de sociale veiligheid is ook geen sprake, aldus het college. Dat geldt volgens het college evenmin voor de privacy.
Deze beroepsgrond van eiser slaagt. In de eerdere uitspraken heeft de rechtbank al overwogen dat de planwetgever in de planregels expliciet de keuze heeft gemaakt om bedrijfswoningen alleen toe te staan aan de zijde van de openbare weg. Als het college hiervan wil afwijken moet dit deugdelijk worden gemotiveerd. Daarbij dient het college te betrekken dat het perceel van vergunninghouder één van de laatste onbebouwde percelen op het bedrijventerrein is en dat daar wordt afgeweken van het bestaande bebouwingsbeeld. De motivering van het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende. De rechtbank licht dat hierna verder toe.
De rechtbank constateert dat het college in de motivering van belang acht dat de bedrijfswoning inpandig wordt gerealiseerd. Voor zover het college daarmee beoogt te stellen dat de situatie ruimtelijk vergelijkbaar is met de situatie dat geen bedrijfswoning wordt gerealiseerd, kan de rechtbank dat niet volgen. Weliswaar kan het straatbeeld vergelijkbaar zijn met een bedrijfspand zonder woning, maar – zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld in de eerdere uitspraken – de ruimtelijke uitstraling van een woning een woning die 24 uur per dag wordt gebruik, is niet vergelijkbaar met de ruimtelijke uitstraling van een bedrijfsgebouw, mede gelet op het feit dat daar in de regel overdag meer en ’s nachts en in het weekend minder bedrijvigheid val te verwachten. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld in de onherroepelijke uitspraak in LEE 22/2910 is het daarbij niet (ruimtelijk) relevant dat het een inpandige woning betreft. Ook acht de rechtbank het in het bestreden besluit genoemde argument dat op het perceel van vergunninghouder een bij recht toegestane combinatie van de bedrijfsmatige functie en de functie van (bedrijfs)wonen is toegestaan, onvoldoende voor het oordeel dat er, ook als wordt gekozen van een bedrijfswoning aan de achterzijde sprake is van harmonie tussen de functies van bedrijvigheid en wonen. De rechtbank verwijst hiervoor naar 6.6. in de uitspraak in LEE 21/1576.
Het college voert aan dat de gevolgen voor eisers privacy en sociale veiligheid niet doorslaggevend zouden zijn, omdat het niet verplicht is een bedrijfswoning te realiseren. De rechtbank kan dat niet volgen. Het enkele feit dat het niet verplicht is een bedrijfswoning te realiseren, ontslaat het college niet van de verplichting om de gevolgen daarvan te beoordelen als er wel een bedrijfswoning wordt vergund, in dit geval in afwijking van de planregels aan de achterzijde van het bedrijfspand. Het college voert verder aan dat deze belangen niet voldoende zwaarwegend zijn ten opzichte van de belangen van vergunninghouder. De rechtbank overweegt hierover dat uit het bestreden besluit niet blijkt welk belang ermee is gemoeid dat de bedrijfswoning aan de achterzijde van de woning is gesitueerd. In het bestreden besluit volstaat het college met de stelling dat vergunninghouder het bedrijfsgebouw en de bedrijfsactiviteiten aan de voorzijde wenst en het wonen aan de achterzijde van het perceel. Daarmee heeft het college echter niet kenbaar in beeld gebracht welke belangen van vergunninghouder zijn gediend met het afwijken van de planregel over de situering van de bedrijfswoning en hoe zwaarwegend die belangen zijn. Dat kon naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet achterwege blijven, mede ook gelet op wat in de eerdere uitspraken van de rechtbank is overwogen over het ontbreken van een deugdelijke motivering van de keuze om voor dit perceel af te wijken van het bestaande bebouwingsbeeld.
Op zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het voor een efficiënt gebruik van het perceel van belang is dat de bedrijfswoning aan de achterzijde wordt gerealiseerd. Dit argument is in het bestreden besluit niet aangevoerd ter motivering van de keuze voor de locatie van de bedrijfswoning. Ook vergunninghouder heeft op zitting nog een toelichting gegeven waarom afwijken van de planregel van belang is. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit ter beoordeling voorligt. De op zitting verwoorde standpunten van het college en vergunninghouder liggen daar niet kenbaar aan ten grondslag. De rechtbank ziet in dit geval, mede gelet op het late moment van het aandragen van deze stellingen en het algemene karakter daarvan, geen aanleiding om deze mee te nemen bij de beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met het bestreden besluit het belang dat wordt gediend met een bedrijfswoning aan de achterzijde onvoldoende onderbouwd. Dat heeft als gevolg dat het college met het bestreden besluit ook niet de belangen van vergunninghouder op een kenbare en zorgvuldige wijze heeft afgewogen tegen de belangen die zich verzetten tegen afwijken van de planregels, waaronder in het bijzonder de belangen van eiser. Het college stelt weliswaar dat die belangen niet onaanvaardbaar worden aangetast, maar die conclusie kan alleen op basis van een afweging worden getrokken die gebaseerd is op voldoende onderzoek naar de betrokken belangen. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat dat onderzoek is verricht. Gelet hierop kleeft aan het bestreden besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank komt tot de conclusie dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 Awb en artikel 7:12 van de Awb genomen.
9. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van een bestuurlijke lus (artikel 8:51a Awb). Daarom doet de rechtbank een tussenuitspraak. De rechtbank stelt het college met deze tussenuitspraak in de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit op bezwaar te herstellen. Het college moet het belang dat is gediend met het afwijken van artikel 3.2.3, onder, b van de planregels in kaart brengen. Het college dient dat belang af te wegen tegen de belangen die zich verzetten tegen het afwijken. De uitkomst van die belangenafweging dient deugdelijk te worden gemotiveerd. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van de tussenuitspraak, aan de rechtbank meedelen of het gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
De rechtbank wijst erop dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt is tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent dat de rechtbank over het verzoek om immateriële schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn, de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.