RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.010028.24
Tussenvonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 december 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 november 2025 en 18 november 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. ten Have, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door
mr. G.R. Stoeten en mr. J. Westerhof.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, onder parketnummer 18. 010028.24 ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 januari 2024 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 januari 2024 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 januari 2024 te [plaats] , [slachtoffer] heeft mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] te steken.
De inhoudelijke behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op 17 en 18 november 2025. De zaak is ter terechtzitting gevoegd met de zaak onder parketnummer 18.269646.23. De rechtbank heeft tijdens de beraadslaging in raadkamer aanleiding gezien om de zaken te splitsen om redenen zoals hierna vermeld.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben veroordeling gevorderd voor het onder parketnummer 18.010028.24 primair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de inhoud van het dossier en op basis van de beschikbare feiten en omstandigheden niet is vast te stellen dat verdachte de persoon is geweest die aangever [slachtoffer] heeft gestoken. Naar het oordeel van de raadsman roept de totstandkoming van de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie en ook ter zitting, vragen op en bestaat er gerede twijfel of hetgeen verdachte heeft bekend daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zowel aangever
[slachtoffer] als diens zoon verklaren immers dat zij de broer van verdachte met een mes hebben gezien. Ook heeft aangever [slachtoffer] aanvankelijk verklaard dat hij door de broer van verdachte was gestoken. Daarnaast heeft een buurvrouw verklaard dat zij een verneveling heeft gezien in de richting van een persoon met een mes, hetgeen overeenkomt met de verklaring van de broer van verdachte inhoudende dat hij gepeppersprayed is. Tot slot merkt de raadsman op dat de naam van verdachte niet is genoemd door getuige [getuige] of enige andere getuige en niemand heeft waargenomen dat verdachte aanwezig was op het moment van het steekincident. Dit zou naar het oordeel van de raadsman kunnen verklaren waarom de bekennende verklaring van verdachte discrepanties vertoont met de overige verklaringen in het dossier. De raadsman concludeert dat het erop lijkt dat verdachte zijn broer heeft willen beschermen.
Oordeel van de rechtbank
Heropening en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting
Tijdens de beraadslaging in raadkamer is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en de rechtbank zich ten aanzien van het ten laste gelegde onvoldoende voorgelicht acht. De rechtbank acht het dan ook noodzakelijk dat het onderzoek wordt heropend. Zonder vooruit te lopen op welke verdere (eind)beslissing dan ook, overweegt de rechtbank dat - hoewel verdachte enkele dagen na het voorval heeft bekend aangever [slachtoffer] gestoken te hebben - de (getuigen)verklaringen over de toedracht van het door [slachtoffer] bekomen letsel en wat zich verder zou hebben afgespeeld, uiteenlopen. Verder constateert de rechtbank dat het dossier geen informatie bevat over eventuele biologische en/of andere sporen op het forensisch veiliggestelde mes waarmee [slachtoffer] zou zijn verwond. Die informatie kan echter wel van belang zijn voor een goede beoordeling van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.
Om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen acht de rechtbank het daarom noodzakelijk dat nader (biologisch) (sporen)onderzoek zal plaatsvinden aan het forensische veiliggestelde mes.
Voorts acht de rechtbank het noodzakelijk dat nader (vergelijkend) onderzoek zal worden gedaan naar de stemmen die zijn te horen op de geluidsfragmenten van de ringdeurbel aan de woning aan [adres] . Meer in het bijzonder dient de stem van de persoon die op voornoemde geluidsfragmenten zegt: “Ik heb hem geraakt” - waarover is geverbaliseerd dat dit de stem van verdachte zou zijn - en de persoon die zegt: “Niet met een mes”, (nogmaals) worden vergeleken met de stemmen van verdachte, [naam] en [naam] . 1
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rechter-commissaris teneinde nader (vergelijkend) onderzoek uit te zetten naar de stemherkenning aan de hand van de stemmen die zijn te horen op de geluidsfragmenten van de ringdeurbel aan de woning aan [adres] . Daarnaast zal de rechtbank het Openbaar Ministerie opdracht geven om door de politie, forensische opsporing en/of het Nederlands Forensisch Instituut nader (biologisch) sporen- en DNA-onderzoek te laten verrichten aan het forensische veiliggestelde mes.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heropenen en hervatten op een nader te bepalen dag en tijdstip. Tot die tijd wordt, ingevolge het bepaalde in artikel 346, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
Uitspraak
De rechtbank
- heropent het onderzoek ter terechtzitting dat op 16 december 2025 is gesloten;
- schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd;
- stelt de stukken in handen van de officieren van justitie en geeft de officieren van justitie de opdracht om door de politie, forensische opsporing en/of het Nederlands Forensisch Instituut nader (biologisch) sporen-en DNA-onderzoek te verrichten aan het forensisch veiliggestelde mes waarmee aangever [slachtoffer] zou zijn verwond;
- beveelt de oproeping van verdachte tegen een nader te bepalen dag en tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat, met kennisgeving daarvan aan de raadsman van verdachte en de (vertegenwoordiger van) benadeelde partij.
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. J. Faber en
mr. O.F. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 december 2025.
Mr. O.F. Brouwer is buiten staat dit tussenvonnis mede te ondertekenen.
1. Een naar wettelijke voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 januari 2024,
opgenomen op pagina 225 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met onderzoeksnummer NN3R023070 (onderzoek Neerbeek) d.d. 13 december 2023, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .