RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-259020-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 februari 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 januari 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. van der Meer, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 12 augustus 2024 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een pistool heeft geschoten gericht op en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
hij op of omstreeks 12 augustus 2024 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (vuur)wapen, van het merk/type Glock, kaliber 9mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of 38, althans een hoeveelheid kogelpatronen van de categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft/hebben gehad;
Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie Feit 1
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat zij de verklaring van verdachte dat hij in de lucht heeft geschoten niet aannemelijk acht. Zowel verbalisant [verbalisant] , getuige [getuige 1] als getuige [getuige 2] verklaren te hebben gezien dat verdachte gericht naar [slachtoffer] heeft geschoten. Deze verklaringen worden bevestigd door de camerabeelden. De verklaring van verdachte dat hij in de lucht zou hebben geschoten, vindt geen steun in het procesdossier. Derhalve kan bewezen worden dat verdachte op het lichaam van [slachtoffer] heeft gericht, hetgeen een poging tot doodslag oplevert.
Feit 2
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 2, gelet op het aantreffen van het vuurwapen en munitie bij verdachte, het proces-verbaal van onderzoek wapen en munitie en verdachte zijn bekennende verklaring.
Standpunt van de verdediging
Feit 1
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de mogelijke dood. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten, maar zoals hij zelf heeft verklaard, enkel een waarschuwingsschot in de lucht heeft gelost.
Uit het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte gericht heeft geschoten op of in de richting van het lichaam. Het daadwerkelijke moment van het lossen van het schot is op de beschikbare beelden niet zichtbaar, er is geen kogel of kogelinslag aangetroffen waaruit blijkt dat hij in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten en de verklaringen van verbalisant [verbalisant] en getuige [getuige 2] zijn inconsistent, bevatten innerlijke tegenstrijdigheden en/of komen niet overeen met de beschikbare beelden, waardoor zij als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.
De door [getuige 1] bij de politie afgelegde verklaring is eveneens onbetrouwbaar. Ondanks dat [getuige 1] de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, is zij zonder tolk door de politie gehoord en is zij als partner van verdachte niet gewezen op haar verschoningsrecht.
Ook verdachte werd kort na het incident verhoord zonder de bijstand van een tolk, terwijl hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. De verklaring die verdachte heeft afgelegd bij de politie dient derhalve met enige terughoudendheid te worden geïnterpreteerd.
Nu verdachte niet gericht heeft geschoten op of in de richting van het lichaam van [slachtoffer] , kan niet worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de (mogelijke) dood van [slachtoffer] .
Feit 2
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 2 kan worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank 1
1. Overweging ten aanzien van de betrouwbaarheid van het bewijs
Anders dan de raadsman acht de rechtbank de verklaringen van verbalisant [verbalisant] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Op essentiële punten stemmen de verklaringen van verbalisant [verbalisant] inhoudelijk overeen. Bovendien is verbalisant [verbalisant] resoluut in zijn overtuiging en herhaalt hij meermalen ondubbelzinnig dat hij het schietmoment daadwerkelijk heeft waargenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring.
Daarnaast vindt de verklaring van de verbalisant op deze onderdelen ondersteuning in de verklaring van de getuige [getuige 2] . Naast het feit dat zij los van elkaar en kort na het incident een grotendeels met elkaar overeenstemmende verklaring hebben afgelegd, stonden beide getuigen op zeer korte afstand van het voorval.
2. Bewijsbaarheid
De rechtbank stelt op grond van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 12 augustus 2024 rijdt verbalisant [verbalisant] tijdens zijn surveillance langs het restaurant [restaurant] te Leeuwarden. Nabij het terras ziet hij een persoon die hij ambtshalve herkent als zijnde [slachtoffer] . De eigenaar van het restaurant, verdachte, staat op dat moment ook bij het terras en maakt bij verbalisant kenbaar dat vier jongens, waaronder [slachtoffer] , een aantal dames had lastig gevallen en dat hierna een conflict was ontstaan. Nadat verbalisant met de eigenaar en diens vrouw had gesproken, is
hij weer doorgereden. Wanneer verbalisant 5 à 10 minuten later weer terugrijdt naar het restaurant, ziet hij dat er rumoer is ontstaan. Op het moment dat verbalisant uit zijn auto stapt ziet hij dat de verdachte nabij de motorkap staat en dat [slachtoffer] 5 à 10 meter van de verdachte afstond. Toen de verbalisant uitstapte liep [slachtoffer] al wat weg, richting de rechterzijde van zijn dienstvoertuig.2
Verbalisant [verbalisant] hoort de slede van het vuurwapen naar achteren klikken, waarna een harde knal volgt. Verbalisant zag dat verdachte zijn vuurwapen richtte in de richting van [slachtoffer] .3Bij de rechter-commissaris wordt verbalisant [verbalisant] gehoord en bevestigt hij het herkenbare geklik van het doorladen van een wapen te hebben gehoord en vervolgens te hebben gezien dat verdachte zijn wapen richting [slachtoffer] houdt en op hem schiet. 4
Uit de (beschrijving van de) beelden van het terras en de straat volgt dat verdachte op nog geen meter afstand van verbalisant [verbalisant] staat, ter hoogte van de bestuurdersdeur van zijn politieauto. De politieagent (de rechtbank begrijpt: verbalisant [verbalisant] ) stapt uit zijn auto. Verdachte en de politieagent kijken beiden naar hetzelfde. Verdachte pakt iets onder zijn shirt uit zijn broeksband en wijst hiermee met gestrekte armen naar voren in de richting van [slachtoffer] . Hij loopt in de richting van en hij kijkt naar [slachtoffer] die zich op enkele meters afstand aan de andere kant van de politieauto bevindt.5
Verbalisant [verbalisant] pakt kort nadat er is geschoten het wapen uit de handen van verdachte. Tijdens zijn aanhouding vertelt verdachte dat hij nog iets op zijn rug heeft. Dit blijkt een verlengde patroonhouder te zijn.6 Het wapen en de patroonhouder zijn in beslaggenomen.7
Uit onderzoek blijkt dat het een wapen van het kaliber 9mm betreft en van het merk Glock. Gelet op de werking van het pistool wordt geconcludeerd dat het gaat op een vuurwapen van de categorie III van de Wet wapens en munitie (Wwm).8 Er worden 14 kogelpatronen in het patroonmagazijn van de greep van het vuurwapen van het kaliber 9mm aangetroffen. Ook in de kamer van het vuurwapen zat een kogelpatroon van het kaliber 9mm. Dit betreft munitie categorie III van de Wwm.9 In het patroonmagazijn uit de broek van verdachte werden 31 kogelpatronen aangetroffen van het kaliber 9mm. Dit is munitie van de categorie III van de Wwm.10 Verdachte bekent een vuurwapen in zijn bezit te hebben gehad en hiervoor geen vergunning te hebben.11
3. Schietrichting
De rechtbank is van oordeel dat uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat verdachte een vuurwapen heeft gepakt, het vuurwapen met beide handen heeft vastgehouden en met gestrekte armen richting [slachtoffer] is gelopen. De rechtbank stelt voorts vast dat op die beelden het schieten niet is te zien omdat het zicht van de camera op verdachte op dat moment wordt belemmerd door een parasol. Het precieze moment van schieten is wel uit de beelden af te leiden, omdat omstanders zichtbaar schrikken en bukken.
Verdachte heeft tijdens zijn verhoren en ter terechtzitting erkend te hebben geschoten. Hij zou hierbij niet op [slachtoffer] , maar in de lucht hebben gericht. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de verklaring van verdachte op dit punt op geen enkele wijze ondersteund door de in het dossier aanwezige stukken.
Daaruit blijkt daarentegen wel dat verbalisant [verbalisant] hoort dat er een vuurwapen wordt doorladen
en vervolgens ziet dat verdachte een schot lost in de richting van [slachtoffer] . De rechtbank stelt vast dat uit de camerabeelden blijkt dat verbalisant op dat moment dichtbij verdachte stond en dat er geen aanwijzingen zijn dat zijn zicht op verdachte op enige wijze werd belemmerd. Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een vuurwapen gericht op [slachtoffer] heeft geschoten.
4. (Voorwaardelijk) opzet
De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat verdachte vol opzet had [slachtoffer] van het leven te beroven en ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de verdachte daar voorwaardelijk opzet op had. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een ander als gevolg van het door hem aangewende geweld zou komen te overlijden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat een verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat - behoudens contra- indicaties - de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.
Verdachte heeft, terwijl hij zich op slechts enkele meters afstand van hem bevond, gericht met een vuurwapen naar [slachtoffer] geschoten. Door aldus te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de kogel die door hem in de richting van [slachtoffer] werd afgevuurd laatstgenoemde zo zou raken dat hij daardoor potentieel dodelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachtes gedraging zoals reeds hiervoor uiteengezet kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm bovendien worden aangemerkt als zozeer gericht op dit gevolg dat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans dat zijn handelen tot de dood zou leiden, ook welbewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is naar het oordeel van de rechtbank hier geen sprake.
5. Conclusie
Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde.
6. Voorhanden vuurwapen en munitie
Verdachte heeft bekend een vuurwapen voorhanden te hebben gehad. Het vuurwapen is samen met 46 patroonkogels aangetroffen bij verdachte. Uit onderzoek naar het wapen en de patroonkogels blijkt dat het gaat om een vuurwapen en munitie van de categorie III van de Wwm. De rechtbank acht wettig en
overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 12 augustus 2024 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een pistool heeft geschoten in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
hij op 12 augustus 2024 te Leeuwarden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Glock, kaliber 9mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en 38, kogelpatronen van de categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte een geslaagd beroep op (putatief) noodweer(exces) toekomt, waardoor hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
De handelingen van [slachtoffer] zijn, gelet op de opeenstapeling van incidenten waaronder het onverwacht terugkomen naar het terras na eerder doodsbedreigingen te hebben gedaan, het bezit van een vuurwapen van een vriend van [slachtoffer] en het vuurwapengevaarlijke karakter van de groep jongemannen, in redelijkheid beschouwd dusdanig bedreigend voor verdachte dat sprake is van een ogenblikkelijke aanranding.
Verdachte heeft zich niet kunnen onttrekken aan de situatie, aangezien zijn vrouw, dochter, schoonzoon en de klanten van zijn restaurant nog aanwezig zijn. Het afvuren van een waarschuwingsschot was derhalve een noodzakelijke en proportionele verdediging.
De raadsman heeft voorts betoogd dat, indien de rechtbank tot de conclusie komt dat het schot van verdachte niet in een redelijke verhouding staat tot de concrete aanranding, deze overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging verontschuldigbaar is. Verdachte is in dat geval door een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding verder gegaan dan geboden. [slachtoffer] heeft niet alleen klanten, verdachte zijn vrouw en dochter lastiggevallen en met de dood bedreigd, maar is ook in een handgemeen verwikkeld geraakt met verdachte en weigerde het terras te verlaten. Een jongen binnen de groep van [slachtoffer] had een vuurwapen bij zich en werd gezocht voor een eerdere schietpartij. De aanwezigheid van zijn familie, het uitblijven van effectieve hulp van de politie en de (gebrekkige) instructie van de politie hebben ervoor gezorgd dat de situatie onnodig lang heeft geduurd en verder is geëscaleerd waardoor er angst, spanning en stress bij verdachte is opgebouwd en tot een ontlading is gekomen.
Mocht de rechtbank dit verweer verwerpen, heeft de raadsman zich nog op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het noodweer toekomt. Ook als niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] een wapen heeft willen trekken, heeft verdachte in de veronderstelling mogen verkeren dat [slachtoffer] was teruggekomen om verdachte of anderen neer te schieten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces niet kan slagen, omdat geen sprake is geweest van een noodweersituatie waarin verdachte zich kon en mocht verdedigen. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat hoewel er op het terras van het restaurant een conflict heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en verdachte, het verdachte is geweest die zelf de situatie opzoekt en [slachtoffer] benadert in plaats van binnen te blijven zoals geadviseerd door de politie. Dit maakt dat verdachte zichzelf in een bepaalde situatie heeft geplaatst op grond waarvan er geen sprake meer kan zijn van een geslaagd beroep op noodweer(exces). De dreiging was immers geweken en er was politie ter plaatse. Uit de getuigenverklaring en op de beelden blijkt geenszins een angstige verdachte, maar juist een geagiteerde boze verdachte die doelbewust meermalen confronterend het contact opzoekt met [slachtoffer] .
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces allereerst de vraag moet worden beantwoord of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (het zogeheten subsidiariteitsvereiste). Ten slotte komt de vraag aan de orde of de gekozen wijze van verdediging tegen de (dreigende) aanranding geboden was (het zogeheten proportionaliteitsvereiste). De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende relevante feiten en omstandigheden vast.
Op 12 augustus 2024 zit [slachtoffer] met een groep jongens op het terras van het restaurant van verdachte. Volgens getuigenverklaringen gedroeg de groep zich vervelend, waren ze aan het schelden en uitte ze meerdere bedreigingen. Nadat [slachtoffer] en een andere jongen behorende tot de groep contact maken met een tweetal meisjes op het terras ontstaat er een geschil tussen verdachte en [slachtoffer] . Hierbij wordt geduwd en getrokken. Zowel [slachtoffer] als verdachte duwen personen die tussen beide proberen te komen weg. Wanneer [slachtoffer] het terras verlaat, probeert verdachte naar hem toe te lopen, maar wordt daarbij tegengehouden. Kort hierop gaan zij weer bij de ingang van het terras met elkaar in gesprek.
Enkele momenten later verschijnt [slachtoffer] weer en hij loopt in de richting van een fiets die naast het terras staat. Getuige [getuige 3] hoort [slachtoffer] zeggen dat hij zijn fiets komt halen en getuige [getuige 3] ziet dat verdachte daarop furieus wordt. [slachtoffer] loopt met zijn fiets langs het terras, waarop verdachte vanaf het terras de straat op en naar hem toe loopt en in zijn handen klapt. [slachtoffer] zet zijn fiets op de weg op de standaard en loopt in de richting van verdachte. Een jongen probeert [slachtoffer] bij verdachte weg te houden en een andere jongen gaat in gesprek met verdachte. [slachtoffer] loopt weg van verdachte en pakt wederom de fiets en loopt daarmee langs de ingang van het terras weg. Verdachte loopt met [slachtoffer] mee (en beiden verdwijnen uit beeld).
Een halve minuut later staat verdachte voor de ingang van het terras. Er stopt een politieauto voor het terras en een verbalisant stapt uit. Verdachte loopt in de richting van de verbalisant en als hij op nog geen meter afstand staat van de verbalisant kijken ze beiden in dezelfde richting. De verbalisant ziet [slachtoffer] op enkele meters afstand van verdachte staan en ziet hem weg lopen. Op dat moment pakt verdachte iets onder zijn shirt uit de broeksband en wijst hiermee met gestrekte armen naar voren. Hij kijkt en loopt in de richting van [slachtoffer] . Op het moment dat verdachte voor de politieauto loopt, pakt de verbalisant zijn vuurwapen en richt deze op verdachte.
De rechtbank is op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden van oordeel dat op het moment van schieten geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De rechtbank gaat er met de raadsman en de officier van justitie van uit dat sprake was van een conflictsituatie op het terras en dat [slachtoffer] zich herhaaldelijk dreigend tot de aanwezigen op het terras en tot verdachte richtte, maar er was geen sprake van een noodweersituatie. Uit het dossier blijkt echter ook dat de groep waartoe [slachtoffer] behoorde inmiddels was vertrokken en dat [slachtoffer] zijn fiets komt halen. Verdachte loopt dan (herhaaldelijk) naar [slachtoffer] toe, wordt zelfs tegengehouden en de aanwezige verbalisant heeft bovendien verklaard dat hij [slachtoffer] al weg zag lopen op het moment dat hij zijn voertuig uitstapte. Vervolgens is het verdachte geweest die een vuurwapen pakt en gericht op [slachtoffer] schiet.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gedragingen van verdachte op grond van de uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden aangemerkt als verdedigend. De rechtbank merkt nog op dat het gedrag van verdachte niet overeenkomt met diens lezing dat hij heeft gehandeld uit paniek en angst.
Verdachte had op meerdere momenten kunnen weggaan, maar in plaats daarvan heeft hij de confrontatie juist opgezocht nadat hij, zo blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting, na de eerdere confrontatie binnen in het restaurant zijn vuurwapen uit zijn tas had gepakt. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat getuige [verdachte] (de vrouw van verdachte) ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat haar man naar buiten liep toen [slachtoffer] terugkwam en dat hij zei: “kom eens hier, laten we eens kijken wie hier de grote man en de kleine man is”, waarop zij zei: “laat ze nou, ze halen hun fietsen op, laat hun weggaan, wat moet je nog met hun bespreken.” Daar komt nog bij dat er ten tijde van het incident een politieauto aanwezig was die (ook nog) tussen de verdachte en [slachtoffer] instond.
Bovendien geldt dat de enkele vrees dat [slachtoffer] verdachte zou aanvallen onvoldoende is voor het aannemen van een noodweersituatie. De verklaring van verdachte dat [slachtoffer] een verdachte beweging maakte, vindt geen steun in de bewijsmiddelen en is ook niet aannemelijk gelet op de verklaring dat [slachtoffer] zijn fiets kwam halen en weg liep op het moment dat de verbalisant uitstapte. Gelet hierop volgt de rechtbank verdachte niet in zijn stelling dat hij (uitsluitend) uit angst en paniek heeft gehandeld.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever of een dreiging daarvoor. Reeds om die reden kan het beroep op noodweer en noodweerexces niet slagen.
Ook het beroep op putatief noodweer wordt verworpen omdat de verdediging daaraan dezelfde feitelijke omstandigheden ten grondslag heeft gelegd en de rechtbank die door verdachte geschetste feitelijkheden niet aannemelijk acht.
Er zijn verder geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde feit is strafbaar en levert op:
Het bewezen verklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van het voorarrest. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij de onderzijde van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie wegens de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, waaronder het provocerende gedrag van [slachtoffer] en verdachte zijn persoonlijke omstandigheden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft er subsidiair voor gepleit om in geval van een bewezenverklaring een onvoorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de dagen voorarrest die verdachte ondergaan heeft, zodanig in combinatie met een taakstraf. De raadsman heeft benadrukt dat het feit onder zeer bijzondere omstandigheden is gepleegd en verzoekt de rechtbank voorts rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag op [slachtoffer] door op korte afstand in de richting van zijn lichaam te schieten. Verdachte heeft hiermee niet alleen geen enkel respect getoond voor het leven van [slachtoffer] , maar heeft ook een onaanvaardbaar gevaar voor nietsvermoedende omstanders in het leven geroepen.
Verdachte heeft immers een doorgeladen vuurwapen met daarin meerdere patronen voorhanden gehad op de openbare weg, nabij een horecagelegenheid waar op dat moment ook mensen aanwezig waren. Ook heeft verdachte met zijn handelen veel paniek veroorzaakt bij de aanwezige bezoekers. Bovendien worden door het in een openbare horecagelegenheid voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen en de lichtzinnigheid waarmee daarvan gebruik wordt gemaakt - met het voor de rechtbank niet begrijpelijke argument dat wapen nooit te gebruiken omdat het bezit ervan slechts ter verdediging is -, de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid bevestigd en versterkt. Verdachte is geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan.
De verdachte heeft zich hierdoor tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een categorie III-vuurwapen en bijbehorende munitie. Het staat buiten kijf dat het ongeoorloofde bezit van vuurwapens en munitie onaanvaardbare risicos voor de veiligheid van personen met zich brengt vanwege de kans op het gebruik daarvan.
In de strafmaat zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft begaan. Verdachte was werkzaam op het terras behorende bij zijn eigen restaurant en had gedurende de avond overlast van een groep jongens. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat [slachtoffer] zich niet alleen hinderlijk heeft gedragen, maar ook dat hij op het terras aan het schelden was en meermalen bedreigingen uitte.
Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 3 december 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
LOVS oriëntatiepunten
Voor de bepaling van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS). Deze oriëntatiepunten worden door strafrechters gebruikt om te zorgen dat straffen in soortgelijke zaken overal zo veel mogelijk op dezelfde wijze worden beoordeeld.
Ten aanzien van de onder feit 1 bewezenverklaarde poging doodslag zijn er geen LOVS oriëntatiepunten beschikbaar.
De rechtbank zoekt ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS bij het voorhanden hebben van een pistool/revolver/geweer in een openbare ruimte. Hiervoor geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. De rechtbank zal daarnaast rekening houden met de volgende strafvermeerderende factoren waar de LOVS naar wijst: het vuurwapen was geladen en schietklaar, het wapen en munitie is in het openbaar gedragen, het wapen was binnen handbereik en tegelijk met het vuurwapen is een aanzienlijke hoeveelheid bijbehorende munitie voorhanden geweest.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het meest recente reclasseringsadvies van Verslavingsreclassering GGZ van 14 oktober 2024. De reclassering rapporteert dat verdachte zijn leefsituatie ogenschijnlijk op orde heeft en dat er geen aanknopingspunten voor justitiële interventies zijn. Verdachte is maatschappelijk actief en heeft een groot netwerk. Er zijn geen schulden of verslavingen en verdachte is niet eerder in beeld geweest bij hulpverleningsinstanties. Ten aanzien van onderhavige delict komt naar voren dat verdachte zijn oog voor zijn eigen aandeel gering is en hij neigt om oorzaken en
gevolgen buiten zichzelf neer te leggen.
De risicos op recidive en letsel worden ingeschat als gemiddeld omdat verdachte het heft in eigen handen heeft genomen en geen andere oplossing zag dan het aanschaffen en gebruiken van een wapen. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag, nu verdachte bereid is overal aan mee te werken. Ten aanzien van het opleggen een gevangenisstraf acht de reclassering geen zwaarwegende negatieve consequenties aanwezig.
Op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door afdoening met een lichtere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf miskend zouden worden.
De rechtbank volgt de eis van de officier van justitie en overweegt daarbij aanvullend dat aansluiting is gezocht bij de richtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert voor een poging doodslag, maar dat ook het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie mee heeft gewogen bij het bepalen van de strafmaat. De rechtbank is, alles overwegend, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Inbeslaggenomen goederen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslaggenomen vuurwapen moet worden onttrokken aan het verkeer en de inbeslaggenomen telefoon kan worden teruggegeven aan de rechthebbenden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen telefoon kan worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.
De rechtbank acht de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een vuurwapen en patronen, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu zij bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen en zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36d, 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast de teruggave aan [verdachte] van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoon.
Verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen vuurwapen en munitie.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. L.F. Beitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 februari 2025.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpaginas betreft dit delen van ambtsedige
processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer NN1R024077 (onderzoek Delage), doorgenummerd 1 tot en met 104.
2 Paginas 9 en 10.
3 Pagina 10.
4 Proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris d.d. 11 december 2024, p. 7.
5 Pagina 28.
6 Pagina 74.
7 Paginas 99 en 100.
8 Pagina 43.
9 Paginas 45 en 46.
10 Pagina 44.
11 Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 16 augustus 2024, p. 2.