[verzoekers], uit [plaats], verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Zethoven Vastgoed Groep B.V. uit Heerenveen (de vergunninghouder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor de nieuwbouw van een appartementenvilla op de locatie [locatie].
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Met het besluit van 27 mei 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dat besluit en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek is geregistreerd onder zaaknummer LEE 25/2414.
Op 27 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn verzoekers namelijk geen belanghebbende bij het besluit de omgevingsvergunning te verlenen.
Met het bestreden besluit van 16 september 2025 heeft het college het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer LEE 25/4153. Ook hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Als tegen een besluit beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Dat volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
3. De rechtbank heeft vandaag, bij separate uitspraak in het geding met zaaknummer LEE 25/4153, het beroep ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- of beroepsprocedure meer loopt. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter kan daarom toepassing geven aan artikel 8:83, derde lid, van de Awb en zonder zitting uitspraak doen op het verzoek.
Beslissing
Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.D.M. Nijbroek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: