RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
beslissing
Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/250340 KG RK 25-354
Beslissing van 2 december 2025
van de voorzitter van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] , verzoeker,
strekkende tot wraking van
mr. W. Huizing, rechter.
1. De procedure
Op 27 november 2025 heeft verzoeker een verzoek tot wraking ingediend.
2. Het wrakingsverzoek
In het verzoek tot wraking heeft verzoeker het zaaknummer [nummer]
genoemd. Verzoeker geeft aan dat de wraking is gebaseerd op het feit dat de rechter voornemens is om de zaak naar Rotterdam te sturen. Hierbij heeft verzoeker aangegeven dat hij op het moment staat ingeschreven in [plaats 1] , maar dat hij dakloos is en dat hij op het moment in een kamertje in [plaats 2] zit.
3. De beoordeling
Naar het oordeel van de voorzitter van de wrakingskamer is sprake van een kennelijk niet-ontvankelijk verzoek en daarom laat de voorzitter van de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank. Hierna legt de voorzitter van de wrakingskamer uit hoe hij tot deze beslissing is gekomen.
Op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder e, van het Wrakingsprotocol Rechtbank Noord-Nederland (vastgesteld op 4 april 2023) kan de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren indien het verzoek geen betrekking heeft op de met de behandeling van de zaak belaste rechter of is gericht tegen het hele college.
De voorzitter van de wrakingskamer overweegt dat bij beslissing van 5 juni 2025 de zaak [nummer] is overgedragen van de rechtbank Noord-Nederland aan de rechtbank Rotterdam. Gelet hierop is deze zaak bij de rechtbank Noord-Nederland dan ook niet (meer) in behandeling. Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het middel is toegekend aan een partij die wil voorkomen dat een rechter (nog langer) bemoeienis met de zaak heeft. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de zaak is overgedragen aan een andere rechtbank omdat de door verzoeker gewraakte rechter niet langer de rechter is die de zaak behandeld. Gelet hierop verklaart de voorzitter van de wrakingskamer het verzoek tot wraking van verzoeker van 27 november 2025 niet-ontvankelijk.
4. De beslissing
De voorzitter van de wrakingskamer verklaart het verzoek van 27 november 2025 van verzoeker niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. Th. A. Wiersma, voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.I. Havinga en in openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.