RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Locatie: Groningen
vonnis van 19 november 2025
Afdeling Privaatrecht
zaaknummer: C/18/244227 FT RK 25/493 + C/18/25/318 R
in de zaak van:
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , voorheen h.o.d.n. [bedrijfsnaam] , KvK nr. [nummer] , destijds gevestigd te [adres] , hierna te noemen: verzoeker.
PROCESGANG
Verzoeker heeft op 7 mei 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 7 november 2025. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , de beschermingsbewindvoerder.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet bepaalt sinds 1 juli 2023 dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
In verband hiermee wordt het volgende overwogen.
Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoeker een schuldenlast heeft van € 23.916,64. Dit betreffen met name vorderingen die zijn ontstaan in de periode van 2022 tot en met 2024, waaronder schulden aan de belastingdienst ter zake motorrijtuigenbelasting, omzetbelasting, inkomstenbelasting, ZVW en huurtoeslag. Verder zijn er vorderingen van het CJIB ter hoogte van in totaal € 2.416,50. Blijkens de toelichting betreffen het boetes wegens te hard rijden, fout parkeren, het niet kunnen tonen van een rijbewijs en het onverzekerd rijden. Uit het opgevraagde uittreksel Justitiële Documentatie komt naar voren dat verzoeker in de periode van november 2022 tot en met maart 2024 met justitie in aanraking is geweest. Dit heeft geleid tot diverse veroordelingen en opgelegde geldboetes in verband met rijden zonder een geldig rijbewijs en onder invloed van verdovende middelen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. In de drie jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoek zijn diverse belastingschulden en strafrechtelijke schulden ontstaan. Als uitgangspunt geldt dat verzoeker ten aanzien van deze schulden niet te goeder trouw moet worden geacht. Dit betekent dat verzoeker in beginsel niet kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule). Verzoeker heeft ter zitting (alsnog) een beroep op deze hardheidsclausule gedaan.
De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.
Verzoeker heeft hierover ter zitting verklaard dat hij door eerdere relaties, ziekte en middelengebruik in de problemen is geraakt. Door zijn ziekte is zijn onderneming opdrachtgevers verloren, waardoor zijn onderneming schulden bij de belastingdienst heeft opgebouwd. Deze onderneming is inmiddels beëindigd. Verzoeker heeft verder verklaard dat hij met behulp van zijn familie zijn verslaving te boven is gekomen en dat hij inmiddels anderhalf jaar clean is. Sinds hij geen verdovende middelen meer gebruikt zijn er ook geen verkeersboetes meer ontstaan.
Verzoeker acht zich in staat om de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen. In dat kader is van belang dat hij weer onder beschermingsbewind staat, zodat hij overzicht heeft over zijn inkomsten en uitgaven en er ook een aanvang is genomen met het aflossen van de schulden. De beschermingsbewindvoerder heeft tijdens de zitting verklaard dat de contacten en de communicatie met verzoeker meestal goed verlopen. Vanwege de ziekte van verzoeker is hij momenteel niet in staat om te werken. Verzoeker verwacht daarom in de WSNP vrijgesteld te worden van zijn verplichting te solliciteren naar een (voltijds)baan.
Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”.
De onderneming is geëindigd en de veroordelingen van verzoeker zien op de periode waarin zijn middelengebruik speelde. Met behulp van zijn familie heeft verzoeker dit onder controle gekregen. Daarnaast is het gevaar voor het oplopen van verkeersboetes afgewend nu verzoeker ter zitting heeft verklaard dat hij ook na het verstrijken van zijn rijverbod geen auto zal aanschaffen. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat verzoeker zijn toezegging zal nakomen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verzoeker de kans moet worden gegund om te werken aan een schuldvrije toekomst. Met ondersteuning van de beschermingsbewindvoerder acht de rechtbank verzoeker in staat de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling na te komen. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.
De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet bepaalt sinds 1 juli 2023 dat de termijn van de Wsnp in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is om de termijn eerder te laten ingaan.
Verzocht om eerdere ingangsdatum
Verzoeker heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw. op grond van het feit dat er geen afloscapaciteit is en verzoeker de komende twee tot vijf jaar niet duurzaam inzetbaar is voor betaald werk. De rechtbank overweegt dat in het minnelijk traject aan de schuldeisers een nul-aanbod is gedaan. Door de beschermingsbewindvoerder is ter zitting aangegeven dat er betalingsregelingen lopen en er wordt afgedragen aan het CJIB en de verhuurder. Er is, met andere woorden, in ieder geval op dit moment kennelijk sprake van afloscapaciteit. Verzoeker heeft niet verklaard waarom, in dat licht bezien, het eerder gedane aanbod uitging van het volledig ontbreken van afloscapaciteit. Gelet hierop kan de rechtbank aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen is besproken niet vaststellen of er tijdens de bedoelde periode voorafgaand aan het toelatingsverzoek maximaal is afgelost. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het verzoek om een eerdere ingangsdatum toe te wijzen.
BESLISSING
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de naam [bedrijfsnaam] ,
voorheen gevestigd te [adres]
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;
benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,
en tot bewindvoerder mr. [bewindvoerder] ,
gevestigd te [postadres] ;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. Veenema en in het openbaar uitgesproken op
19 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.