RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
vonnis van 10 december 2025
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/249291 / FT RK 25/1141
in de zaak van:
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen verzoeker,
tegen
[verhuurder] , vertegenwoordigd door Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
gevestigd te [adres] ,
hierna te noemen de verhuurder.
PROCESGANG
Op 21 oktober 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw).
Op 21 oktober 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Daarbij is de behandeling van de zaak verwezen naar de zitting van 3 december 2025, en is ter overbrugging van de tussenliggende periode een tijdelijke voorziening getroffen.
Op 28 november 2025 heeft Flanderijn een verweerschrift ingediend.
Bij e-mail van 3 december 2025 heeft de gemachtigde van verzoeker, mevrouw [medewerker gemachtigde verzoeker] van De Kruijf Rechtshulp , verzocht om de zitting de verplaatsen vanwege een recente ziekenhuisopname van verzoeker. De rechtbank heeft het uitstelverzoek afgewezen.
Bij de behandeling van de zaak op 3 december 2025 zijn verschenen:
RECHTSOVERWEGINGEN
De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw teneinde een ontruiming van de woning op 22 oktober 2025 te voorkomen.
Verzoeker heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij poogt een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers overeen te komen dan wel - als dat niet lukt - toelating tot de schuldsaneringsregeling zal verzoeken. De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
Op 24 november 2025 heeft de schuldhulpverlener tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt het volgende. Het minnelijke traject is nog niet opgestart is. Het dossier is niet compleet en ook de situatie van verzoeker is niet stabiel. Contacten via derden gaan erg moeizaam, waardoor er vertraging is opgelopen. Verzoeker heeft De Kruijff Schuldhulp in de arm genomen als gemachtigde. Het is onduidelijk of de lopende huurtermijnen zijn betaald.
Flanderijn heeft namens de verhuurder een verweerschrift ingediend en verzocht het moratoriumverzoek af te wijzen. Volgens Flanderijn geven – kort samengevat - de volgende redenen daartoe aanleiding: de lopende huurtermijnen zijn niet voldaan, het minnelijk traject is niet opgestart en de financiële situatie van verzoeker is niet stabiel.
De verhuurder heeft ter zitting verklaard dat de huur over de maanden november en december 2025 niet is betaald. Daarnaast geeft hij aan dat er geen contact met verzoeker is te krijgen en dat deze situatie zich al heel lang voordoet. Verzoeker komt niet met oplossingen en op voorstellen wordt niet gereageerd. Inmiddels is er geen vertrouwen meer.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat betaling van de huur gewaarborgd nu het beschermingsbewind is uitgesproken. De beschermingsbewindvoerder heeft intensief contact met de gemachtigde van verzoeker. Verzoeker lijdt aan PTSS, kampt met de nodige medische problemen en overziet de situatie niet.
BEOORDELING
Vlak voor de zitting heeft de gemachtigde van verzoeker een uitstelverzoek ingediend, omdat verzoeker recentelijk met spoed in het ziekenhuis was opgenomen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Het gaat in dit geval om een voorlopige voorziening die voor zowel verzoeker als de verhuurder verstrekkende gevolgen kan hebben. Bovendien had de gemachtigde van verzoeker wel ter zitting kunnen verschijnen, nu de oproep voor de zitting al op 21 oktober 2025 aan verzoeker was toegestuurd. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat de beschermingsbewindvoerder en de schuldhulpverlener wel ter zitting aanwezig konden zijn.
De rechtbank overweegt dat beslissend is de vraag of de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is om verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming met de schuldeisers te komen over een minnelijke schuldregeling. Met betrekking tot de vraag of de voorziening gerechtvaardigd is overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker de voorwaarden uit het tussenvonnis van 21 oktober 2025 niet is nagekomen. Verzoeker heeft de huur vanaf 21 oktober 2025 niet voldaan. Feitelijk is het voorlopig toegekende moratorium daarmee reeds vervallen. Gelet op het feit dat niet is voldaan aan de in het tussenvonnis gestelde voorwaarden van tijdige betaling, onvoldoende is gebleken of de financiële situatie van verzoeker op dit moment stabiel is en het gebrek aan communicatie, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de verhuurder om de woning te ontruimen dient te prevaleren boven het belang van verzoeker om in het minnelijk traject met zijn schuldeisers overeenstemming te bereiken over een minnelijke schuldregeling.
Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft een moratorium tot doel om een soort adempauze te bereiken die de schuldenaar in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden te bereiken. In het minnelijk traject moet de schuldenaar zijn best doen om te komen tot een dergelijke regeling. Een moratorium kan dan ook niet alleen worden benut voor het stabiliseren van de situatie van de schuldenaar.
Gelet op dit criterium is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak nu geen ruimte is voor het uitspreken van een (definitief) moratorium. Er is nog geen start gemaakt met een schuldregeling. Een getekende schuldregelingsovereenkomst ontbreekt en er is nog geen begin gemaakt met een inventarisatie van de schulden door een schuldhulpverlener. Dat verzoeker zich kennelijk recentelijk gewend heeft tot de gemachtigde om hem hierbij te helpen, maakt dit niet anders. Er had na het tussenvonnis zo snel mogelijk een start met het minnelijk traject moeten worden gemaakt. Nu dat is niet is gebeurd, voldoet verzoeker ook op dit vlak niet aan zijn verplichtingen.
De gevraagde voorziening zal gelet op het bovenstaande dan ook worden afgewezen.
Verzoeker dient binnen twee weken na heden aan te geven of het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt gehandhaafd. Indien verzoeker niet binnen twee weken reageert, zal dit verzoek als ingetrokken worden beschouwd.
BESLISSING
De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.