[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. G. Bakker),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het Uwv in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het Uwv van 10 juli 2024. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het Uwv op 27 november 2025 dit besluit heeft vervangen door een gewijzigde beslissing op bezwaar.
De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het Uwv heeft hierop bij brief van 16 december 2025 gereageerd.
Nadat partijen zijn gewezen op hun recht op een zitting te worden gehoord en niet hebben verklaard gebruik te willen maken van dat recht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Zij doet uitspraak met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het Uwv aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het Uwv geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
Op 20 augustus 2024 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van het Uwv van 10 juli 2024. Het Uwv heeft op 27 november 2025 de beslissing van 10 juli 2024 gewijzigd en aan verzoekster per 16 maart 2023 een Wajong-uitkering toegekend. Hiermee is het Uwv volledig tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het Uwv aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde van verzoekster heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 907,-.
De gemachtigde van verzoekster heeft bij brief van 12 december 2025 gevraagd om ook een kostenvergoeding van één punt toe te kennen voor de ingediende reactie in dupliek (de rechtbank leest: “repliek”) van 17 oktober 2025. Het Uwv heeft daarop op verzoek van de rechtbank bij brief van 16 december 2025 gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat de brief van de gemachtigde van verzoekster van 17 oktober 2025 niet zozeer een reactie in repliek is, maar een aanvulling van het beroepschrift. De gemachtigde van verzoekster heeft daarop op 17 december 2025 gesteld dat naar aanleiding van zijn repliek het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar heeft genomen, waarin volledig aan de bezwaren is tegemoet gekomen.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op grond van artikel 8:43, eerste lid, eerste volzin, van de Awb kan de bestuursrechter de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren.
De rechtbank stelt vast dat zij de gemachtigde van verzoekster niet in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk te repliceren. Hij heeft bij brief van 17 oktober 2025 uit eigen beweging de gronden van het beroep aangevuld en daarbij medische informatie gevoegd. Deze brief is, anders dan de gemachtigde van verzoekster stelt, dan ook niet aan te merken als een repliek als bedoeld in artikel 8:43, eerste lid, van de Awb. Daarvoor vindt de rechtbank steun in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Daarom bestaat geen aanleiding om ook voor de brief van 17 oktober 2025 op grond van het Bpb een vergoeding toe te kennen. Verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van het Bpb.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het Uwv verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden. Het Uwv heeft aangegeven dat het griffierecht na de uitspraak van de rechtbank aan verzoekster zal worden vergoed.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.