[naam] , uit [woonplaats] , eiser
en
de staatssecretaris Herstel Groningen (voorheen: staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat), Nationaal Coördinator Groningen, NCG
(gemachtigde: mr. R.M. Don).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser bij het Loket Opname Op verzoek (LOOV) voor een inspectie van zijn pand in verband met mogelijke versterking. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de NCG in stand blijft. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Feiten en totstandkoming van het besluit
2. Eiser is eigenaar van een rijksmonumentale woonboerderij uit [jaartal] aan [adres] .
Op 20 juli 2020 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen een vergoeding voor fysieke schade van €71.815,31 toegekend. De hiertegen gevoerde procedure is op 23 augustus 2023 geëindigd in een ongegrond hoger beroep.
Eiser heeft vier dagen later, op 27 augustus 2023, een melding gedaan van een acuut onveilige situatie (AOS). Een bouwkundig adviseur van W2N engineers heeft de AOS melding gegrond verklaard in verband met ‘valgevaar’. Het onveilige onderdeel is veilig gesteld door een draagconstructie aan te brengen in de doorgang in de hal. In het inspectieverslag staat: ‘Uw schademelding wordt met prioriteit opgepakt door het IMG, zodat er zo snel mogelijk kan worden beoordeeld of er causaal verband bestaat tussen de schade en mijnbouwactiviteiten’.
Op 28 augustus 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor opname van zijn woning. Op het aanvraagformulier heeft eiser vermeld dat de woning in de gemeente Midden-Groningen staat. De aanvraag is door de NCG op 1 september 2023 goedgekeurd.
Bij besluit van 7 september 2023 heeft de NCG de aanvraag van eiser alsnog afgewezen omdat de woning buiten de gemeenten staat waar versterkt wordt. De woning staat niet in de gemeente Midden-Groningen, zoals eiser op het aanvraagformulier heeft vermeld, maar in de gemeente [gemeente] .
Met het bestreden besluit van 22 april 2024 op het bezwaar van eiser is de NCG bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 26 oktober 2025 heeft eiser een verzoek tot handhaving gedaan bij Staatstoezicht op de Mijnen (SodM).
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens NCG mr. R.M. Don en mr. G.H. Poort-van Drempt.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het beoordelingskader?
3. Tussen partijen is in geschil of de woning van eiser in aanmerking moet komen voor een opname.
4. In de Tijdelijke wet Groningen (TwG) staat dat alleen de woningen die in de gemeenten Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen en Oldambt liggen worden beoordeeld voor versterking. Woningen die buiten de genoemde gemeenten vallen, kunnen worden onderzocht als er een redelijk vermoeden bestaat dat het gebouw versterkt moet worden in verband met de gevolgen van beweging van de bodem door aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
Staat de woning binnen de genoemde gemeenten?
5. Partijen zijn het met elkaar eens dat de woning in de gemeente [gemeente] staat. [gemeente] is niet één van de genoemde gemeenten. In beginsel komt de woning dus niet in aanmerking voor opname. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of er een redelijk vermoeden bestaat dat de woning toch versterkt moet worden in verband met het winnen van gas uit het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk.
Bestaat er een redelijk vermoeden dat de woning versterkt moet worden?
6. Eiser vindt dat zijn woning voor beoordeling in aanmerking zou moeten komen. Zijn woning staat weliswaar niet in één van de in de TwG genoemde gemeenten, maar er moet volgens hem door de NCG ook gekeken worden naar andere mijnbouwactiviteiten. Met trillingen vanuit het gasveld bij Annerveen is volgens eiser ten onrechte geen rekening gehouden. Eiser wijst op het onderzoek naar de oorzaken van bouwkundige schade in Groningen van TU Delft van 11 juli 2018. Daarnaast is er een AOS vastgesteld, waardoor is bevestigd dat de woning onveilig is. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij bang is dat als de tijdelijke draagconstructie in de hal wordt weggehaald, er instortingsgevaar ontstaat.
7. De NCG stelt zich op het standpunt dat het de wettelijke taak heeft om gebouwen binnen de in de TwG genoemde gemeenten te beoordelen. De woning van eiser staat niet in deze gemeenten. Er is ook geen sprake van een uitzonderingssituatie. De te verwachten seismiciteit vanuit het Groningenveld is namelijk zeer laag (0,016), waardoor er geen redelijk vermoeden bestaat dat het gebouw versterkt moet worden door de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningerveld of als gevolg van de gasopslag bij Norg of de gasopslag bij Grijpskerk. De NCG wijst er op dat het niet de taak of het mandaat heeft om gebouwen te versterken vanwege de door eiser aangehaalde mijnbouwactiviteiten zoals gaswinning uit het gasveld bij Annerveen, de gasbuffer Zuidwending en zoutwinning.
8. De rechtbank overweegt als volgt.
Eiser heeft onvoldoende ingebracht om af te doen aan de door de NCG getrokken conclusie dat de te verwachten seismiciteit op de plaats van de woning zeer laag (0,016) is. Zoals de ABRvS eerder heeft geoordeeld kunnen de door eiser gestelde mogelijke gevolgen van de gaswinning uit het gasveld in Annerveen en de zoutwinning niet afdoen aan een dergelijke conclusie.
Eiser heeft genoemd dat er instortingsgevaar ontstaat als de tijdelijke draagconstructie in de hal wordt verwijderd, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat bodembeweging als gevolg van winning van gas uit het Groningerveld zorgt voor instortingsgevaar. De rechtbank kan uit het AOS-inspectieverslag niet een dergelijke koppeling herleiden.
Ook overigens zijn door eiser geen concrete aanknopingspunten aangedragen die twijfel zaaien over de conclusie dat de woning geen versterking behoeft vanwege bodembeweging uit het Groningenveld of de in de TwG genoemde gasopslagen.
De rechtbank ziet in eisers betoog dan ook geen grond voor het oordeel dat het besluit van de NCG voor vernietiging in aanmerking komt.
Heeft de NCG in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld?
9. Dit wordt niet anders door het gegeven dat de aanvraag van de buurman van eiser voor een opname wel is toegekend. De rechtbank overweegt in dat kader dat zowel eiser als zijn buurman beiden in de aanvraag een foutieve gemeente hebben ingevuld. Het gegeven dat deze fout bij de buurman pas in een later stadium is ontdekt, waardoor er ten onrechte bij hem een opname heeft plaatsgevonden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dezelfde fout ook bij eiser gemaakt had moeten worden. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verder geen aanleiding om, zoals eiser verzoekt, het onderzoek te heropenen in afwachting van het door eiser bij SodM ingediende handhavingsverzoek met als onderwerp “veiligheid Groningen – ontbreken dreiging gestapelde mijnbouw”.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 22 april 2024 in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.